Artikel

leider NT: diaken

Een diaken is een man, en misschien ook een vrouw, met een speciale functie in de christelijke gemeente. Wat de taken van een diaken precies waren, is niet bekend. Het woord ‘diaken’ is een directe weergave van het Griekse woord diakonos.

Het woord diaken

Het woord ‘diaken’ is afgeleid van het Griekse werkwoord diakoneô dat ‘dienen’ betekent. Dit ‘dienen’ moet breed opgevat worden, het kan niet beperkt worden tot ‘bedienen’ bijvoorbeeld. Het woord diakoneô heeft verschillende betekenissen, afhankelijk van de context waarin het gebruikt wordt. In veel passages waar in het Grieks een woord staat dat afgeleid is van diakoneô, vind je in de Nederlandse vertaling dan ook geen ‘diaken’, maar een andere vertaling.

Man, vrouw, goden en slaven

Het woord diakonos hangt niet samen met sociale status. In de Griekse literatuur wordt het woord onder andere gebruikt voor:

Het begrip heeft dan ook lang niet in alle contexten de associatie van nederigheid, zoals met het Nederlandse ‘dienen’ vaak het geval is.

Diaken als ambt

In 1 Timoteüs wordt het woord ‘diaken’ gebruikt voor een duidelijke functie in dienst van een gemeente. Ook in Romeinen 16:1 en Filippenzen 1:1 wijst het woord in deze richting.
Het mannelijke woord diakonos kan in theorie ook voor een vrouw gebruikt worden. In de wetenschappelijke literatuur is er discussie of er in de tijd van het Nieuwe Testament ook vrouwelijke diakenen waren. Een belangrijke tekst in deze discussie is 1 Timoteüs 3:11. Volgens veel uitleggers gaat het hier om vrouwelijke diakenen, maar minstens zo waarschijnlijk is het dat hier vrouwen van diakenen op het oog zijn.

Taken van diakenen

Over de taken van een diaken in de tijd van het Nieuwe Testament is weinig te zeggen. In het Nieuwe Testament lijkt het erop dat een diaken de hulp was van een opziener bij al zijn taken, behalve misschien bij zijn onderwijstaak. Diakenen zullen wel niet in elke gemeente dezelfde taken hebben gehad. Van een primaire taak in de liefdadigheid of bij het avondmaal lijkt nog geen sprake te zijn.

Bijbelverzen

  • 1 Timoteüs 3:8-13
  • Romeinen 16:1
  • Filippenzen 1:1