Edom en Edomieten
Artikel

Edom en Edomieten

Edom is de naam van een persoon, van een volk en van een gebied in de tijd van het Oude Testament. De naam is afgeleid van een Hebreeuws woord dat ‘rood’ betekent. Edom is de tweede naam van Esau, de broer van Jakob (Genesis 25:24-26). Hij wordt gezien als de stamvader van de Edomieten (Genesis 36:1-42). Dat volk leefde in de woestijnachtige gebieden ten zuidoosten van Juda, tot aan Esjon-Geber (2 Kronieken 8:17).

Esau, Edom en de Edomieten

Esau is een zoon van Isaak en Rebekka, en de oudere tweelingbroer van Jakob (Genesis 25:24-26). Beroemd is het verhaal dat Esau zijn eerstgeboorterecht verkoopt aan zijn jongere broer: hij vindt een bord rode linzensoep belangrijker (Genesis 25:29-34). De naam Edom, ‘rode’, heeft te maken met deze rode soep.
De nakomelingen van Esau worden in de Bijbel steeds Edomieten genoemd. Ze zijn dus de kinderen van de broer van Jakob. Daarom worden de Israëlieten en de Edomieten wel ‘broedervolken’ genoemd.

Het gebied Edom

Edom lag in de woestijnachtige gebieden ten zuidoosten van het stamgebied Juda. Maar waar het precies lag, is niet duidelijk. Het gebied van Edom wordt ook Seïr genoemd ({Genesis 32:4%}). Daar zouden Esau en zijn nakomelingen zijn gaan wonen. Waarschijnlijk woonden er vooral nomaden in Edom. Opgravingen wijzen uit dat er later, in de periode tussen de achtste en de zesde eeuw voor Christus, ommuurde steden in Edom zijn gebouwd.
In de Griekse en Romeinse tijd heet Edom Idumea (zie bijvoorbeeld 1 Makkabeeën 3:41; Marcus 3:8).

Conflicten met Edom

De Edomieten laten Israël niet door hun land trekken tijdens de uittocht uit Egypte (Numeri 20:14-21). Saul is de eerste koning van Israël die met Edom oorlog heeft gevoerd (1 Samuel 14:47). Zijn opvolger, David, heeft de Edomieten verslagen (2 Samuel 8:13-14). Maar dat beteken niet dat ze niet meer in opstand kwamen. Koning Salomo heeft vaak te maken gehad met tegenstanders uit Edom. De leider van het verzet van Edom heette Hadad (1 Koningen 11:14-22). Uiteindelijk heeft Salomo Edom veroverd en de haven Esjon-Geber gebruikt voor zijn handelsvloot.
Edom is tientallen jaren een vazalstaat geweest van het zuidelijke koninkrijk Juda. Dat betekent dat Edom geen zelfstandig koninkrijk meer was, maar bescherming kreeg van de koning van Juda. Pas halverwege de negende eeuw, tijdens de regering van koning Joram, is Edom weer onafhankelijk geworden (2 Koningen 8:20-22).
Toen de Babyloniërs in 587-586 voor Christus Jeruzalem omsingelden en verwoestten, hielpen de Edomieten de Judese vluchtelingen niet. Sterker nog, volgens de profeet Obadja waren er Edomieten die bij de poorten van Jeruzalem stonden en Judese vluchtelingen tegenhielden en doodden (Obadja 1:8-15). Wie wel kon wegkomen, werd gevangengenomen en naar de Babyloniërs gebracht. Obadja voorspelt dat de Edomieten zullen worden gestraft voor dat verraad van hun broedervolk.
Edom is de aartsvijand van Israël in de Bijbel. Maleachi 1:4 noemt Edom ‘het volk waarop de Heer voor eeuwig verbolgen is.’

Bijbelverzen

  • Psalmen 137:7
  • Obadja 1:1
  • Maleachi 1:4
  • Genesis 25:30
  • Genesis 36:1