ark van het verbond
Artikel

ark van het verbond

De ark van het verbond is in de Bijbel een zeer heilig voorwerp. De ark is een heilige kist die een vaste plaats heeft in de tabernakel en de tempel in Jeruzalem. 

Het begrip 'ark'

In het Hebreeuws is het woord voor ‘ark’ aron. Dit woord betekent ‘kist’ en wordt vooral gebruikt voor de ark van het verbond, maar ook voor een geldkist in de tempel (zie 2 Koningen 12:10) en voor de sarcofaag van Jozef (Genesis 50:25). Voor de ‘ark van Noach’ is in het Hebreeuws een ander woord gebruikt.
Het woord ‘ark’ komt in de Bijbel zelden los voor. Bijna altijd wordt het gecombineerd met ‘God’ of ‘HEER’, maar ook regelmatig met ‘verbond’.
In sommige teksten wordt de ark ook gezien als ‘voetenbank’ (1 Kronieken 28:2) en ‘troon’ (1 Samuel 4:4) van God.

Beschrijving van de ark

In Exodus 25:10-22 wordt een uitgebreide beschrijving gegeven van de ark. Het is een kist van acaciahout, en hij is zowel vanbinnen als vanbuiten overtrokken met goud.
In de ark liggen de twee stenen platen met de tien geboden als verwijzing naar het verbond van God met Israël.

Gebruik van de ark

In de Bijbel worden verschillende gelegenheden genoemd waarbij de ark een grote rol speelt, zoals bij offers, in de strijd en in de tempel.
De ark wordt gezien als teken dat God bij zijn volk woont en hen beschermt.

Verdwijning van de ark

De ark speelt een grote rol in de boeken Exodus tot en met 2 Kronieken, maar daarna wordt hij niet meer genoemd. Hoe en wanneer de ark verdwenen is, is onzeker.
De Bijbel noemt niet hoe en wanneer dit gebeurde. Er zijn vier gebeurtenissen waaraan gedacht kan worden:

  • de strijd tussen koning Joas van Israël en koning Amasja van Juda (2 Koningen 14:8-14);
  • de plundering van Jeruzalem door farao Sisak (1 Koningen 14:25-28);
  • de ontwijding van de tempel door koning Manasse (2 Koningen 21:4-6);
  • de plundering van de tempel door koning Nebukadnessar (2 Koningen 25:13-17).

Bijbelverzen

  • 1 Samuel 1-31
  • 2 Koningen 12:10-11
  • Exodus 25-28
  • Leviticus 16
  • 2 Kronieken 24:8