Artikel

Heer: kurios

Het Griekse woord kurios betekent: heer. Deze titel wordt in het Nieuwe Testament gebruikt voor God. Maar het is ook een aanduiding voor aardse heren en heersers. Kurios is ook een van belangrijkste titels die Jezus in het Nieuwe Testament krijgt.

Kurios als titel voor God

In de Septuaginta is kurios de weergave van JHWH dat in het Oude Testament meer dan 6000 keer voorkomt. Het is ook een van de weergaven die wordt gebruikt voor adonai.
Het is onbekend vanaf welk moment de godsnaam JHWH in de Septuaginta vervangen werd door kurios. In enkele Septuagintafragmenten uit de tijd voor Christus, wordt de godsnaam nog weergegeven in Hebreeuws handschrift. 
Ook in het Nieuwe Testament wordt het woord kurios voor God gebruikt, bijvoorbeeld als weergave van de godsnaam in citaten uit het Oude Testament. Dat sluit aan bij de Septuaginta.

Kurios als alledaagse aanduiding

Het woord kurios wordt in het Nieuwe Testament op alledaagse manier gebruikt, bijvoorbeeld voor:

  • een eigenaar van bijvoorbeeld een stuk land (Matteüs 20:8);
  • een echtgenoot (1 Petrus 3:6);
  • een ‘heer des huizes’ (Marcus 13:35);
  • de meester van een knecht (Matteüs 10:25);
  • als aanspreektitel (Matteüs 25:20).

Heer Jezus

Jezus wordt aangesproken met kurios, net als andere mannen in het Nieuwe Testament. Het woord is dan vergelijkbaar met ‘meneer’. Maar kurios wordt ook als titel voor Jezus gebruikt. Er zijn verschillende manieren om het gebruik van kurios als titel uit te leggen:

  • Het woord kan duidelijk maken dat Jezus helemaal bij God hoort. Bijvoorbeeld in Filippenzen 2:6-11, waarin de naam van God erg belangrijk is (vers 9). Maar ook de Aramese uitroep maranata (‘onze Heer, kom!’, in 1 Korintiërs 16:22) wijst hierop. Want met de term ‘Heer’, een naam voor God, wordt Jezus benoemd en uit de uitroep blijkt het geloof in Jezus’ wederkomst.
  • Kurios kan ook uitdrukken dat Jezus Heer is, en niet de Romeinse keizer of heidense goden, die ook kurioi (meervoud) genoemd worden (zie bijvoorbeeld 1 Korintiërs 8:6).

Bijbelverzen

  • Marcus 5:19
  • Marcus 11:3
  • Marcus 11:9
  • Marcus 12:29
  • Marcus 12:36
  • Marcus 13:20
  • Marcus 16:19
  • Romeinen 10:9
  • 1 Korintiërs 12:3
  • 2 Korintiërs 4:5
  • Marcus 1:3
  • Marcus 12:11