Artikel

amen

Amen is een Hebreeuws woord met de betekenis van ‘zeker’, ‘werkelijk’, en is afkomstig van het werkwoord ʾaman, dat ‘waar zijn’, ‘betrouwbaar zijn’ betekent. Amen wordt in de Bijbel gebruikt als een uitroep: na een gebed, eed of lofprijzing zeggen de toehoorders hardop ‘amen’ om te bevestigen dat ze ermee instemmen.

Amen als reactie op bevel

Als koning David in 1 Koningen 1:36 bevel geeft om Salomo koning te maken, antwoordt Benaja, één van Davids commandanten, met ‘amen’. Daarmee geeft hij aan dat hij het bevel van David op zal volgen.

Amen als eed

In Deuteronomium 27:15-26 wordt een reeks vloeken genoemd die God over de Israëlieten zal brengen als ze zijn geboden overtreden. De Levieten moeten die vervloekingen hardop uitspreken, en het volk moet na iedere vervloeking antwoorden met ‘amen’. Daarmee brengt iedereen die zich niet aan Gods geboden houdt, als het ware een vloek over zichzelf.

Amen als antwoord op lofprijzing

Als een leider of priester een lofprijzing uitsprak, antwoordde de gemeente met ‘amen’ (1 Kronieken 16:36). Dit ‘amen’ vinden we ook terug in het boek Psalmen: een aantal lofprijzingspsalmen eindigt met ‘amen’ (zie bijvoorbeeld Psalm 41:13 en Psalm 72:19).

Amen aan einde van gebed

Als een man een gebed uitsprak, kon zijn vrouw hem daarin vergezellen door aan het einde ‘amen’ met hem uit te spreken (Tobit 8:8). Daar komt de latere traditie vandaan om het eigen gebed af te sluiten met ‘amen’.

Amen in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament komt ‘amen’ voor aan het einde van gebeden, zegeningen, en lofprijzingen, en als antwoord op beloften van Christus. Daarnaast leidt Jezus zijn eigen uitspraken in met ‘Amen’ (zie bijvoorbeeld Matteüs 5:18, Matteüs 5:26; Matteüs 6:2) In de Nieuwe Bijbelvertaling is dit inleidende ‘Amen’ vertaald met ‘Ik verzeker jullie’).

Vertalingen van amen

In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt de uitdrukking meestal weergegeven met ‘amen’, maar soms ook met zinnen als ‘Zo zij het!’ (1 Koningen 1:36), ‘Het is zoals u zegt’ (Jeremia 11:5), 'Ik verzeker je' (zie hierboven) of ‘Ja!’ (Jeremia 28:6).

Bijbelverzen

  • 1 Koningen 1:36
  • Psalmen 41:13
  • Deuteronomium 27
  • Psalmen 72:19
  • 1 Kronieken 16:36