Artikel

gelijkenis: traditie

In het Oude Testament staan een aantal gelijkenissen en in latere joodse literatuur komen ze veelvuldig voor. Ook in Jezus’ tijd waren er leraren die gebruikmaakten van gelijkenissen in hun onderwijs.

Een voorbeeld uit het Oude Testament

In het Oude Testament staan gelijkenissen die, wat vorm en inhoud betreft, goed te vergelijken zijn met de gelijkenissen van Jezus. Een duidelijk voorbeeld van zo’n gelijkenis is het verhaal dat de profeet Natan aan David vertelt om hem te berispen. Met een verhaal over twee mannen en een lammetje geeft Natan David te kennen hoe slecht het was wat hij Uria en Batseba heeft aangedaan (2 Samuel 12:1-4):

‘Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. De rijke man had heel veel geiten, schapen en runderen, de arme man had niet meer dan één lammetje kunnen kopen. Hij koesterde het en het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn brood en dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot; hij had het lief als een dochter. Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor.’

Joodse leraren en gelijkenissen

De rabbijnse literatuur vanaf de tweede eeuw na Christus bevat veel gelijkenissen. De rabbijnen vonden gelijkenissen een goede manier om de betekenis van de Tora duidelijk te maken. In de Talmoed en de Midrasj worden vaak gelijkenissen gebruikt om een bepaalde wet uit te leggen. Dit gebeurde ook al in de tijd van Jezus. Waarschijnlijk hoorde ook Jezus gelijkenissen in de synagoge. En in discussie met farizeeën zullen joodse leraren geprobeerd hebben Jezus te overtuigen door het vertellen van gelijkenissen. Een gelijkenis was voor Jezus en zijn publiek dus een bekend middel om iets duidelijk te maken over God en zijn wet.

Bijbelverzen

  • 2 Samuel 14:6-8
  • 1 Koningen 20:39-40
  • Jesaja 28:24-28
  • 2 Samuel 12:1-4
  • Jesaja 5:1-6