Artikel

rechtspraak OT

In het Oude Testament staan veel verhalen en teksten over rechters en rechtspraak. God is de allerhoogste rechter, en zijn wetten worden door de leiders van Israël toegepast.

Mozes, priesters en Levieten

In de eerste boeken van het Oude Testament wordt verteld dat Mozes degene is die Gods wetten doorgeeft. Mozes was ook de persoon die rechtsprak. Toen dat te zwaar voor hem werd, werden er zeventig wijze mannen (oudsten) aangesteld die hem moesten helpen bij de minder belangrijke zaken. Deze oudsten kregen de leiding over groepen van duizend, van honderd, van vijftig en van tien.
Het was in deze tijd de taak van de priesters en Levieten om de wetten en regels aan het volk te leren. Zij moesten ook uitspraak doen in zaken die voor een lokale rechter te moeilijk waren.

Het tijdperk van de rechters 

Tijdens de periode van de rechters uit het gelijknamige bijbelboek (1400-1000 voor Christus) hadden de Israëlieten nog geen eigen koning. In deze tijd bleef de juridische functie van de oudsten belangrijk. Als een zaak te ingewikkeld was voor de oudsten van een dorp of stad, werd er een beroep gedaan op de priesters. Ook hoge militairen konden betrokken zijn bij de rechtspraak. Er werd vaak rechtgesproken in de stadspoort.

Het tijdperk van de koningen

Toen het volk van Israël een koning kreeg, werd hij de hoogste rechter die het volk kende. Dit was in de periode tussen 1040 en 586 voor Christus.
De mensen konden naar de koning toe gaan om hem hun zaak voor te leggen (1 Koningen 3:16-28). Zijn uitspraak was bindend.

De Perzische tijd

In de Perzische tijd (539-333 voor Christus) golden de Perzische wetten. Maar de Perzen stonden de Joden toe dat ze hun eigen zaken zelf behandelden. Een voorbeeld hiervan is te vinden in Ezra 7:25-26. Dit onderscheid is later ook door de Romeinen overgenomen.

Bijbelverzen

  • Ruth 4:1
  • Jesaja 28:6
  • Numeri 11:10-17
  • Ezra 10:14
  • Ezra 7:25-26
  • Psalmen 75:7-9