Dag 6 | Een zoon voor Maria en Jozef

Bijbeltekst(en)

Na de verrassende woorden van Gabriël aan Zacharias, verschijnt deze engel opnieuw ten tonele in een nieuwe scène, met nieuwe hoofdpersonen. Want: waar voor de gemiddelde lezer Jozef en Maria bekende figuren zijn, hoeft dat voor iemand die dit verhaal uit het niets leest, niet zo te zijn. Gabriël is wel al bekend, die heeft zich een paar verzen hiervoor al voorgesteld (via Zacharias ook aan de lezer). Zeker na de algemene inleiding (1:1-4) moet het zijn alsof je een wereld binnenwandelt die voor de bewoners ervan heel vanzelfsprekend is, maar voor jezelf erg nieuw. De auteur lijkt dit te merken; in een lange zin die de verzen 26-27 omspant, beschrijft hij de beweging van Gabriël stapje voor stapje en wel zo dat de lezer ook steeds een beetje meer informatie over de hoofdpersonen van het vervolg krijgt. De schrijver doet het dus heel mooi: de lezer invoeren in een vreemd land met vreemde mensen – en in een verhaal waarvan hij beweert dat het erg belangrijk is (zie de proloog). Wie het voorafgaande stuk over Zacharias (en Elisabet) present heeft, zal ook mee kunnen maken dat de sfeer die van het volk Israël en het bijbehorende religieuze en politieke referentiekader is: van de God van Israël derhalve (ook  wanneer die niet zo genoemd wordt: het gaat gewoon over God). Als iemand wat meer op de hoogte is van wat er in dit volk speelt, zal hij ook merken dat met het huis van David de politieke zelfstandigheid van dit volk meeklinkt. Dat is geen vanzelfsprekendheid: het Lucas-evangelie werd vermoedelijk zo’n twintig jaar na de inname van Jeruzalem door de Romeinse veldheer Titus geschreven.

De groet van de engel, ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je,’ is een bijzondere – zoals Maria in vers 29 ook aangeeft als ze zich afvraagt wat deze begroeting betekent. Het ‘gegroet’ is een gebruikelijk Grieks woord, chaire, dat met name in de Septuaginta (de vertaling van de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks) de connotatie van ‘verheugen’ gekregen had. De klank van chaire lijkt op de tweede uitdrukking, ‘je bent begenadigd’ (kecharitomene), die zelf nog een keer versterkt wordt door het ‘de Heer is met je.’ Het is een groet met een samengebalde lading die tegelijkertijd ook herinneringen kan wakker roepen aan anderen van wie gezegd werd dat de Heer met ze was, met name Jozef (Genesis 39:2-21), Samuel (1 Samuel 3:19) en David (1 Samuel 18:14 en 2 Samuel 5:10).

Veel veelbelovender kan een groet niet zijn – ook wanneer de inhoud van de ‘genade’ nog open blijft. Met Maria kan de lezer zich dan ook afvragen wat er op het spel staat. Vanaf vers 30 legt Gabriël dit uit: Maria zal zwanger worden en een zoon krijgen die ze Jezus moet noemen. Deze Jezus zal een groot man zijn, zoon van de Allerhoogste genoemd worden en van de Heer Davids troon ontvangen om daarop eeuwig koning te zijn. Alle nadruk ligt op deze manier op het kind van Maria, zijn identiteit en rol. Die worden beschreven in de woorden waarmee in de Schrift de ideale koning aangeduid wordt (zie bijvoorbeeld Psalm 2). Bij Jezus komt dit alles samen en wordt het overtroffen: zijn heerschappij zal eeuwig zijn. Dit past goed bij de hoop van het volk Israël op een definitieve verlossing, zoals die in de eerste eeuw leefde. Dat betekent ook dat met Jezus iemand aangekondigd wordt die haaks staat op de feitelijke politieke verhoudingen van zijn dag. Zeker in combinatie met de aankondiging van een eeuwig koningschap op de troon van David, waar rond het jaar 90 helemaal niets meer van over is. Meer dan een wonderlijke geboorte van Jezus staat hier zo een wonderlijke toezegging over de toekomst op het spel. Wat die precies inhoudt, blijft nog open – daar is de rest van het evangelie voor nodig om het in te vullen.

Bij Lucas is Maria’s maagdelijkheid primair van belang om aan te geven dat Jezus echt ‘van boven’ en niet ‘van beneden’ is. Daarmee staat Jezus, zoals de engel in vers 36 aangeeft, in een langere traditie van bijzondere mensen die op een speciale, haast onmogelijke of tenminste erg onverwachte manier geboren werden. Na deze uitweidingen is Maria overtuigd en geeft een – in de goede zin van het woord – vroom antwoord waaruit haar toewijding aan en vertrouwen op God blijkt: ‘laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd’ (vers 38). Dit antwoord zal Maria als modelgelovige en ‘eerste van de heiligen’ karakteriseren in de eeuwen na het Lucas-evangelie.

Kader: maagd
Maria’s reactie op Gabriëls boodschap is verrassend pragmatisch: hoe kan ze nu een kind krijgen, ze heeft namelijk geen geslachtsgemeenschap. Dit brengt de lezer bij een heet hangijzer, met name de aanduiding van Maria als parthenos, dat ‘jonge vrouw’ of ‘maagd’ betekent, in vers 27. Soms wordt benadrukt dat maagdelijkheid hier geen rol speelt, als we hier Jesaja 7:14 laten meeklinken. Daar wordt het woord almah gebruikt, dat minder dan parthenos de betekenis ‘maagd’ heeft. Dit gaat echter aan een aantal zaken voorbij. Allereerst dat Lucas wél parthenos gebruikt. Ook speelde de maagdelijkheid van de vrouw in het Joodse huwelijksrecht een heel belangrijke rol (zie bijvoorbeeld Deuteronomium 22:13-21). Maria benadrukt zelf ook juist dit aspect in vers 34: ‘Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ En tot slot worden de ‘heilige Geest’ en ‘kracht van de Allerhoogste’ in vers 35 genoemd als de bron van Maria’s zwangerschap. Het punt bij dit alles is niet zozeer dat Maria maagd moet zijn, maar dat Jezus zoon van de Allerhoogste is en dat zijn oorsprong uiteindelijk hemels is. Biologie is hier minder belangrijk dan theologie. En Maria’s maagdelijkheid is een afgeleide van Jezus’ hemelse herkomst en niet andersom.

Vragen
De aankondiging van Jezus’ geboorte is vooral een aankondiging van Jezus’ betekenis, zowel wat zijn ‘eigenlijke oorsprong’ betreft als wat zijn toekomstige rol aangaat.

  1. Welke associaties heb je zelf bij de beschrijving van Jezus’ identiteit en rol door Gabriël? Welke verwachtingen schept de tekst in dit opzicht?
  2. Maria speelt in deze perikoop een belangrijke rol; hoe zou je haar optreden willen karakteriseren?
  3. In de toelichting worden twee vormen van omgaan met de ‘maagdelijke geboorte’ geschetst; welke hiervan zou je (niet) willen volgen? Is er nog een andere zienswijze?