Dag 4 | Vlucht, kindermoord en terugkeer

Bijbeltekst(en)

Deze tekst is het directe vervolg van het bezoek van de ‘wijzen uit het Oosten’ en sluit aan bij de alternatieve route die zij naar hun land namen, zonder terug te gaan naar Herodes. Zij deden dit op grond van een droom: Jozef krijgt nu ook een volgende instructie op die manier, hij moet vluchten en wel naar Egypte. Met het citaat uit Hosea (11:1), ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen’, wordt het verhaal specifieker: hier wordt Jezus op de plaats gezet van Israël dat uit Egypte bevrijd wordt. Daarmee wordt de route van de ‘heilige familie’ enerzijds in het grote verhaal van Israël ingebed – geografie en geschiedenis hebben hier vooral een symbolische, duidende betekenis – en anderzijds wordt Jezus, wiens lot als ‘Zoon van God’ dus met dat van Israël als geheel te maken heeft, geassocieerd met de centrale ervaring van bevrijding en verlossing uit de geschiedenis van Israël: de bevrijding uit Egypte. Wat betekent dit voor het leven van Jezus, de ‘Zoon van God’ in het Matteüs-evangelie? En wat betekent dit voor het vervolg van het verhaal? Voorlopig zit de ‘heilige familie’ nog in Egypte – het citaat uit Hosea geeft echter aan dat Jezus er ook weer vandaan geroepen zal worden. Zal dat een soortgelijke inhoud hebben als de manier waarop God het volk Israël door Mozes uit Egypte riep?

Tot dusver is dit stuk van het kindheidsevangelie steeds gerelateerd aan de geschiedenis van Israël en de lokale politiek van de tijd rondom Jezus’ geboorte. Er is natuurlijk nog een bredere dimensie: die van het Romeinse Rijk. Herodes de Grote heerste als vazalvorst, met relatief veel zelfstandigheid, maar toch: hij wist heel goed dat hij al te autonoom moest optreden, wilde Rome hem in het zadel laten. Matteüs schrijft ettelijke decennia later: er is een opstand geweest, het hele land is militair bezet, zelfs Jeruzalem is veroverd, de tempel verwoest. Als hij in die context aangeeft dat Jezus een figuur is zoals Mozes en zoals David, een bevrijder en een (door God gezalfde) koning, dan is dat politiek brisant. Is het inderdaad de bedoeling dat Jezus het volk Israël zal bevrijden van de Romeinse opperheerschappij? En zo ja, op welke manier? Het antwoord zal pas blijken aan het einde van het evangelie, waar Jezus’ dood aan het kruis, een teken van Romeinse macht bij uitstek, door God overwonnen wordt in de verrijzenis. De macht van het leven blijkt sterker dan die van de dood. De belofte dat dat leven de hele wereld zal doordringen, spreekt Jezus zelf uit aan het einde van het evangelie, maar zover is het hier nog niet. Het is wel een buitengewoon dapper visioen dat Matteüs, schrijvend voor een kleine groep gelovigen in het Romeinse Rijk, hier neerzet. Het is een vorm van literair verzet, zou je kunnen zeggen: in woorden een wereld schetsen waarin je gelooft en waarnaar je verlangt, die de wereld waarin je leeft relativeert en niet het laatste woord laat hebben. Literatuur is soms subversiever dan je denkt, ook religieuze.

Dit stuk van Matteüs 1-2 valt op doordat het veel ‘vervullingscitaten’ bevat. Matteüs’ nadruk hierop heeft eenzelfde soort functie als de stamboom aan het begin van hoofdstuk 1: het verhaal van Jezus wordt diep in het verhaal van Israël geworteld en als de voortzetting daarvan gepresenteerd. Wat er met Jezus gebeurt, staat in verband met Mozes en de Exodus uit Egypte en met de ballingschap en met de terugkeer daaruit. Deze diepe worteling van Matteüs’ verhaal over Jezus alleen is al reden genoeg om nooit Jezus en Jodendom tegen elkaar af te zetten in de interpretatie van de Bijbel. Het gaat tegen de intentie van auteurs zoals Matteüs in; als er al sprake is van spanningen dan zijn het spanningen binnen één gemeenschap, niet tussen twee verschillende religies of volken. Voor Matteüs is de continuïteit tussen ‘kerk en Israël’ fundamenteel.

Kader: kindermoord
Er zit een diepe laag in het verhaal over de kindermoord, voor wie de Schriften van Israël goed kent. Het gedrag van Herodes lijkt namelijk verdacht veel op het gedrag van de Egyptische farao die, toen het volk Israël in Egypte verbleef, probeerde de groei van dit volk in te dammen door ieder jongetje te laten doden (Exodus 1-2). Van Mozes, degene die Israël uit Egypte zou leiden, wordt nadrukkelijk verteld hoe hij dit alles overleefde en zelfs door een prinses van het hof van de farao gered wordt (het verhaal is ook duidelijk ironisch bedoeld: net zoals Herodes Antipas het moet afleggen tegen de inbreng van een prinses, wordt het plan van de farao uitgerekend door een prinses ondermijnd). De tactiek van de farao en Herodes (de Grote) is hetzelfde: over jongenslijkjes gaan om de macht te behouden. Het is de macht van de dood die deze heersers in het zadel houdt, niet de macht van het leven. Het verband tussen de verhalen werpt zo negatief licht op Herodes (de Grote), maar het werpt tegelijkertijd positief licht op Jezus: de redding van zijn leven lijkt wel een beetje op die van Mozes, ook die ontkwam aan een moordpartij onder jongetjes. En nu zit Jezus, net als Mozes, ook nog eens in Egypte. Het belooft veel en via deze route, waarbij Matteüs zijn vertelling van de eerste dagen en maanden van Jezus’ leven verweeft met een van dé centrale verhalen van Israël, legt hij ook nog een verband tussen Jezus en Mozes, die hij niet in de stamboom kon onderbrengen. Zo staat Jezus nu in de lijn van Abraham, Mozes en David – en natuurlijk in die van God. Het ‘optreden’ van Herodes (de Grote) sluit af met een volgend citaat uit de Schriften van Israël, deze keer uit Jeremia 31:15: ‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ De tekst komt uit een deel van Jeremia dat de wegvoering in de ballingschap beschrijft – en de belofte van terugkeer daaruit. Het gejammer in Rama is omdat de kinderen dood zijn en daarmee alle toekomst weg lijkt te zijn. Het past natuurlijk bij wat Herodes in Betlehem gedaan heeft. Het heeft ook het effect deze gebeurtenissen in het kader van ballingschap en bevrijding daaruit te plaatsen. De parallel tussen wat Matteüs na dit citaat vertelt (Matteüs 2:19-20) en hoe Jeremia verdergaat na het geciteerde vers (Jeremia 31:16-17) is opvallend.

Vragen
De vlucht en terugkeer van Jozef, Maria en Jezus, met daartussenin de kindermoord in Betlehem, verweeft het verhaal over de eerste dagen, maanden en jaren van Jezus’ leven nauw met het verhaal van Israël. Dit werpt licht op de betekenis van Jezus: hij heeft nadrukkelijk te maken met de uittocht uit Egypte en de terugkeer uit de ballingschap, zijn leven volgt hetzelfde patroon als dat van Mozes.

  1. Voor Herodes is Jezus duidelijk een bedreiging, waarop hij het enige antwoord geeft dat hij lijkt te kennen, net zoals de farao in Mozes’ tijd: bruut geweld. Hoe ga je in je eigen leven om met bedreigingen en concurrentie? In de privésfeer, op het werk, in de kerk?
  2. Door Jezus en Mozes zo met elkaar te verbinden, schept Matteüs de verwachting dat Jezus het volk zal bevrijden. Eerder heeft hij al iets soortgelijks gezegd, toen hij Jezus’ twee namen introduceerde. Hoe verhoudt dit zich tot je eigen beeld van Jezus? Heeft Jezus een bevrijdende betekenis? Heb je door Jezus bevrijding ervaren, en zo ja: waarvan? Als dit beeld van Jezus je niet aanspreekt: welke andere beelden van Jezus staan voor jou centraal?