Dag 2 | Zwangerschap en geboorte

Dit ‘kerstverhaal’ werkt een aspect uit van de twee stamvaders die de stamboom zo benadrukt: David en Abraham. Beiden hebben immers te maken met bijzonder nageslacht: David met de kinderen van Batseba, waarvan Salomo zijn opvolger zal worden, en Abraham met Isaak. In de stamboom gaat het steeds om mannen: de vader verwekt de zoon. Daarin speelt een motief uit de Schriften van Israël een belangrijke rol: het krijgen van een zoon betekent het krijgen van toekomst. Als de vorst of de leidsman van het volk een zoon krijgt, dan betekent dat ook toekomst voor het hele volk. Dat geldt dan ook voor de geboorte van Jezus, zoals uit zijn naamgeving nog zal blijken. Dat mag patriarchaal overkomen (en dat is het zeker ook), maar: de ‘mannelijke potentie’ die nodig is om dit voor elkaar te krijgen, wordt ook voortdurend ondergraven. Abraham, David en Jozef zitten wat dat betreft in exact hetzelfde schuitje. Bij Abraham wordt het in Genesis 18 nadrukkelijk uitgewerkt: hij is oud, net als zijn vrouw, en Sara zegt ook nog dat ‘ook mijn man al oud’ is (vers 12), waarmee ze aangeeft dat Abraham eigenlijk ook niet meer in staat is om een kind te verwekken. Bij Davids affaire met Batseba lijkt hij de potente man bij uitstek: hij heeft niet alleen de potentie om Batseba tot de zijne en zwanger te maken, maar ook de macht om vervolgens Uria uit de weg te laten ruimen. Alleen: het kind dat David zo op eigen houtje verwekt, sterft door Gods toedoen. Pas nadat David tot inkeer is gekomen en boete heeft gedaan, kan het opnieuw tot een zwangerschap komen. Hieruit wordt Salomo geboren, die ook nog een tweede naam draagt: Jedidja, ‘Door God geliefd’. Hoe Jozef in dit rijtje past, is helder: ook hij heeft erg weinig te maken met het nieuwe leven dat aanbreekt in de zoon en daarmee met zijn eigen toekomst, die tevens de toekomst van Israël en de volken zal blijken te zijn. Hij moet accepteren dat het uiteindelijk de Heer is, niet hij, die de toekomst in handen heeft en die nieuw leven schenkt.

Jozef krijgt de opdracht om het kind een naam te geven, en wel Jezus, ‘want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden’. Matteüs geeft hier een commentaar op: ‘Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: “De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuel geven,” wat in onze taal betekent “God met ons”’ (vers 22-23). In het commentaar figureert zowel een citaat uit Jesaja over een jonge vrouw alsook een tweede naam voor het kind: ‘Immanuel’. Beide namen zullen in het Matteüs-evangelie een rol spelen: Jezus is de naam die meestal voor de hoofdpersoon van het verhaal gebruikt wordt, maar ‘God met ons’ komt aan het slot nog een keer terug, in de formulering ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld’ (Matteüs 28:20). Van beide namen is ook de betekenis van belang. In het geval van Jezus (‘Jozua’) hoort hij de oorspronkelijk betekenis erin, ‘God verlost’, wat hij, via de engel, weergeeft als ‘hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden’. De tweede naam die Jezus krijgt, komt uit de profetie van Jesaja (7:14) die hier geciteerd wordt. Deze profetie bedt de zwangerschap van Maria nog verder in het verhaal van Israël in en benadrukt het verband tussen de (onverwachte) geboorte van een zoon en toekomt voor het volk Israël. Net zoals toen, zal het ook nu gebeuren. ‘Immanuel’ kan ook herinneren aan de openbaring van de Godsnaam aan Mozes in het boek Exodus (Exodus 3). Een van de dingen die JHWH daar tegen Mozes zegt is ‘ik zal bij je zijn’ (vers 12) en dat lijkt ook een aspect van Gods naam te zijn, de inhoud ervan zelfs. God is degene die bij je is. Wanneer Jezus in vers 23 ‘God met ons’ genoemd wordt, lijkt dat sterk op Israël alleen gericht. Aan het einde van het evangelie komt de naam terug in de belofte aan de uitgezonden leerlingen: ‘Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld’ (Matteüs 28:20). Hier gaat het om het heil van alle volken. Ook dat past goed bij een centraal thema uit de Schriften van Israël: in het heil van het godsvolk gaat het altijd om het heil van alle volken, van de gehele schepping.

Kader: bijzondere zwangerschappen
Ook in de Grieks-Romeinse wereld speelden zwangerschappen van hogerhand in de levens van allerlei grootheden, helden, halfgoden, keizers et cetera een belangrijke rol. Over de beroemde keizer Augustus vertelt de auteur Dio dat zijn moeder, Atia, zijn geboorte als van goddelijke oorsprong verstond: ze had tijdens een overnachting in een tempel van Apollo gedroomd van seks met een slang (een symbool van deze god). Deze afkomst speelt vervolgens voor Julius Caesar een belangrijke rol wanneer hij besluit om Augustus (dan nog: Octavianus) als erfgenaam te adopteren. De goddelijke afkomst bepaalt de kwaliteit van de adoptiefzoon als persoon; biologische afstamming van Julius Caesar zelf is volstrekt secundair. Sterker nog: families uit de Romeinse elite gaven weleens vaker de voorkeur aan adoptie boven het verwekken van kinderen bij de eigen partner. Net zoals bij Augustus ging het er bij Jezus veel minder om de precieze biologische en seksuele route van zijn afkomst te benoemen, maar om de eigenlijke origine en daarmee de persoonlijke kwaliteit van iemand te bepalen. Dat was in de Grieks-Romeinse en tot op grote hoogte ook in de Joodse wereld van bepalend belang. Het is ook wat Jozefs probleem is: hij heeft er meer moeite mee te accepteren dat het kind niet van hem is dan dat hij er moeite mee heeft dat het van de heilige Geest is. Hij stelt ook geen vragen bij de mogelijkheid van zo’n zwangerschap, wel verzet hij zich in eerste instantie tegen de verrassende zwangerschap op zich. Zodra hij hoort dat het een heel bijzonder, goddelijk kind is, heeft hij er geen problemen meer mee en zet zich voor het kind en zijn moeder in. De rol van de heilige Geest dan wel God bij de zwangerschap van Maria verhoogt, uiteindelijk, alleen de status van het kind, zoals dat al door de stamboom aangegeven was: naast Abraham en David als centrale stamvaders is nu ook God zelf een voorvader van dit nieuwe kind. Met deze claim op goddelijke afkomst zet Matteüs zijn verhaal over Jezus ook politiek op scherp: als het eigen is aan keizers en wereldheersers om van een godheid af te stammen en dit is ook het geval met Jezus, hoe zullen deze zich dan tot elkaar verhouden? Het is een spanning die in het vervolg van het Matteüs-evangelie van centraal belang zal zijn en uiteindelijk de kruisiging tot gevolg zal hebben. Ook in het vervolg van het geboorteverhaal zal koning Herodes politiek geprikkeld reageren op de aankondiging van de ‘pasgeboren koning van de Joden’ (Matteüs 2:2).

Vragen
Geboorte staat centraal in deze perikoop. Er zijn verschillende manieren om tegen een geboorte aan te kijken.

  1. Een pijnlijke situatie als een buitenechtelijke zwangerschap kun je op verschillende manieren oplossen. Jozef wil feitelijk voor een bestraffende maatregel kiezen, ook wanneer hij die in het geheim zou uitvoeren. Het is een natuurlijke reactie: iemand tot drager van het probleem bestempelen en uitsluiten. Dat kan nodig zijn, maar het heeft ook nadelen. Zo is het ook een benadering die tot gevolg heeft dat iemand voor altijd dader dan wel slachtoffer blijft. Zijn er ook andere manieren om hiermee om te gaan? Heb je daar zelf ervaring mee?
  2. Als het zo is dat Jezus hier neergezet wordt als een toekomstig heerser, iemand die in dezelfde categorie valt als keizers en andere heersers, wat betekent dat dan voor je beeld van Jezus en zijn betekenis? Wat verwacht je van een echte heerser en hoe verhoudt dat zich tot de twee namen die Jezus draagt en hun betekenis?