Dag 1 | De stamboom van Jezus

Het begin van boeken en verhalen is vrijwel altijd bedoeld om kort neer te zetten waar het vervolg over zal gaan en vooral ook om er nieuwsgierig naar te maken. Een stamboom lijkt dan niet de meest uitnodigende manier om een biografie mee te beginnen. Zeker niet als die biografie er ook nog eens toe moet dienen om het gehoor te winnen voor de hoofdpersoon ervan. En al helemaal niet wanneer het om een opsomming van veelal obscure namen gaat. Zelfs wie de Schriften van Israël buitengewoon goed kent, zal het een hele uitdaging vinden om iedereen precies thuis te brengen.

Een stamboom is in het denken van de Grieks-Romeinse wereld een heel compacte manier om iemand en zijn afkomst en status neer te zetten. Dit is bij Matteüs’ stamboom van Jezus ook zo. Matteüs heeft de stamboom zelfs helemaal aan het begin van zijn werk geplaatst (vergelijk de genealogie in het Lucas-evangelie, pas in hoofdstuk 3) en alleen al daarom verdient dit bijzondere aandacht. De Griekse uitdrukking ‘geslachtslijst van …’ komt bijvoorbeeld op identieke wijze voor in het boek Genesis (2:4; 5:1). Ook de structuur van de stamboom is ingegeven door de geschiedenis van Israël: veertien generaties voor de ballingschap, veertien tijdens de ballingschap en veertien erna (vers 17). Het frame van de ballingschap plaatst deze genealogie, gegrond in de literatuur van een onderdrukt volk, in de marge van het Romeinse Rijk, nadrukkelijk in de context van de politieke geschiedenis hiervan. Je kunt je afvragen of de generatie van Jezus, die bij zijn naamgeving een hoopvolle naam krijgt, gezien wordt als een volgende situatie van ballingschap, dan wel onderdrukking, waarin weer bevrijding nodig is. Nog afgezien hiervan: de lezer krijgt als duidelijke boodschap mee dat de geschiedenis van Israël het bepalende kader is voor wat er zal volgen, en niet de geschiedenis van, bijvoorbeeld, het Romeinse Rijk.

Wat gebeurt er nu als de stamboom ontcijferd wordt, voor zover mogelijk en met een focus op de opvallendste aspecten ervan? Een goed uitgangspunt voor het ontcijferen zijn het begin van de genealogie, met David en Abraham, het einde ervan, waar het ‘ritme’ van de stamboom onderbroken wordt en de uitspraak over Jozef, Maria en Jezus anders geformuleerd is dan wat eraan voorafgaat, en ten slotte de vier opvallendste persoonlijkheden in het geheel: Tamar, Rachab, Ruth en ‘de vrouw van Uria’. Het ligt voor de hand om de uitspraak over David en Abraham te zien in het licht van wat deze twee personen symboliseerden in het denken van Israël. David staat dan voor het koningschap en het volk Israël als hechte eenheid. Jezus van David laten afstammen, suggereert dat Jezus iets te maken zal hebben met Israël als volk. Abraham heeft in het Joodse denken van de eerste eeuw een andere betekenis. Hij wordt, gezien de belofte die aan hem gedaan is in Genesis 15, gezien als iemand van universele betekenis, iemand die geassocieerd wordt met de vereniging van Israël en andere volken, meestal door zich bij Israël aan te sluiten of zich aan Israël te onderwerpen. In ieder geval is iemand die zo van Abraham afstamt iemand die goed iets te maken kan hebben met deze universele dimensie van Israël. Het noemen van de vier of vijf vrouwen (al naargelang of Maria wel of niet meegeteld wordt) in de genealogie zou in eenzelfde soort richting kunnen wijzen als het noemen van Abraham: Rachab, Ruth en Batsheba (aangeduid als ‘die van Uria’) zijn alle drie buitenlandse vrouwen. Ze zouden vooruit kunnen wijzen naar wat Jezus zal betekenen tijdens zijn leven op aarde en daarna. Het slot van het Matteüs-evangelie is namelijk erg universalistisch: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen’ (28:19).

De stamboom werkt toe naar het verhaal over de geboorte door in het laatste lid af te wijken van het ritme ‘die verwekte die’. Nu staat er: ‘Jakob verwekte Jozef, de man van Maria. Bij haar werd Jezus verwekt, die Christus genoemd wordt.’ Door handig een passieve werkwoordsvorm te gebruiken en ook niet te benadrukken dat het om Jozef gaat, laat Matteüs in vers 16 in het midden wie nu de vader van Jezus is. Dit laatste en voor het verstaan van Jezus’ afstamming wezenlijke stukje informatie komt in het korte verhaal over Jezus’ geboorte. Deze grootse ouverture maakt zo nieuwsgierig en nodigt uit om verder te lezen in het evangelie van Matteüs en te ontdekken wat voor iemand deze Jezus nu precies zal zijn en wat hij voor Israël en anderen zal betekenen.

Kader: Grieks-Romeinse stambomen
Wie de klassiekers van de Griekse en Romeinse literatuur kende, of wie een beetje op de hoogte was van Grieks-Romeinse cultuur, zou ook weten dat afstamming daarin ook een belangrijke rol speelde. Keizers, bijvoorbeeld, maar ook lager geplaatste personen zochten voortdurend naar manieren om hun status, hun aanzien en hun legitimiteit te versterken door te verwijzen naar illustere voorgangers. Hoe verder terug je belangrijke, eervolle voorvaders kon aanwijzen, des te beter. De grote epossen van de stad van Rome, Vergilius’ Aeneas maar ook een historisch werk als Ab urbe condita van Livius, zijn bijvoorbeeld niets dan pogingen om de afstamming van het Romeinse volk als geheel zeker te stellen. Datzelfde geldt voor allerlei individuele biografieën. Dit wijst soms ook op een onzekerheid: alleen wie niet erg zeker is van zichzelf, moet op zijn afkomst terugvallen om status te verwerven. Dat geldt voor een relatief nieuw volk als de Romeinen, maar ook voor een marginaal volk zoals Israël. Stamboom en afkomst waren wijdverbreid: afbeeldingen en beelden in steden alsook afbeeldingen op munten confronteerden mensen hier dagelijks mee en, zoals gezegd, de literatuur stond er vol van. Een genealogie of stamboom spreekt dus een centrale lijn in Grieks-Romeinse cultuur aan. Als communicatiemiddel is een stamboom daarbij ook nog heel erg compact, een soort geschiedenis in stenografie: door de generaties achter elkaar op te sommen, kunnen eeuwen geschiedenis snel overbrugd worden en kan aangegeven worden wie de grote namen zijn aan het begin ervan. Bij keizers wilden dat nog weleens goden zijn, in het geval van Jezus zijn het twee andere figuren: Abraham en David (zie de bijzondere inleiding: ‘Zoon van David, zoon van Abraham’, pas hierna begint de stamboom als zodanig). Een stamboom is daarmee eigenlijk een heel zinnige manier om een verhaal over een persoon mee te beginnen: heel in het kort wordt geschilderd wie de hoofdpersoon is en wat je van hem (of haar) mag verwachten.

Vragen

  1. Het referentiekader van de stamboom van Jezus is dat van ballingschap en hij is geschreven in een tijd van onderdrukking. Jezus krijgt zo de plaats in de geschiedenis van een onderdrukt volk. Wat voor plaats geeft Jezus dat in de geschiedenis? Hoe verhoudt zich dit tot de positie van de kerk vandaag?
  2. Deze stamboom is de opmaat tot het Matteüs-evangelie en, als voorbereiding op het verhaal over Jezus’ geboorte, ook tot kerstmis. Welke elementen uit de toelichting op de stamboom spreken je aan en waarom?