Romeinen 8:15-16

U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven,
u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn,
en om hem te kunnen aanroepen met Abba, Vader.

Ik heb ooit eens horen zeggen dat als Corrie ten Boom, overlevende van een Duits concentratiekamp, voor de rest van haar leven maar één bladzijde van de Bijbel zou mogen houden, ze dan voor Romeinen 8 zou kiezen. Wat een rijk hoofdstuk van de apostel Paulus, die begint met de zin dat er geen veroordeling is voor hen die in Christus Jezus zijn, en eindigt met de gedachte dat niets ons kan scheiden van de liefde van Christus. En midden in dat rijke hoofdstuk vinden we een bijzonder woord, Abba. Abba is geen Grieks, de taal waarin Paulus schreef, maar Aramees.

Misschien legt hij het juist daarom ook uit. Want Abba wordt direct gevolgd door de vertaling, ‘Vader’. Abba, Vader. Jezus sprak Aramees. Het was zijn woord voor zijn én onze Vader. Onze Vader. Niet mijn of jouw Vader. Nee, onze Vader. Dat leerde Jezus zijn leerlingen bidden. We zijn immers samen het gezin van God. Ook Romeinen 8 gaat niet over mij of jou, maar over ons. Paulus schrijft naar ‘broeders en zusters’ (vers 12), en zegt ook nog in vers 14 dat ‘allen die door de Geest van God worden geleid’ kinderen van God zijn.

Je zal maar een kind van God worden genoemd! Dat is toch ongelooflijk. Toch doet Paulus precies dat. Hij gebruikt het woordje Abba, het woordje dat tot de dag van vandaag Joodse kinderen gebruiken als ze hun papa roepen. Heb jij God al eens Papa genoemd? Weet je niet hoe? Lijkt je dat onmogelijk? Paulus weet raad. Het is de Geest van God zelf die ons wil leren God aan te roepen als Abba, Vader. En zoals kinderen mogen leren praten, zo ook wij. Probeer het maar. Spreek het maar eens uit. Abba, Vader. De Geest zelf zal je helpen.

Kees Kraayenoord
Voorganger van Mozaiek0318, aanbiddingsleider en liedschrijver