Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Naderend onheil

21

2:1
Ex. 19:16
Jer. 4:5
Hos. 5:8
Blaas de ramshoorn op de Sion,

blaas alarm op mijn heilige berg;

laat alle inwoners van het land beven van ontzetting:

de dag van de HEER komt! Hij is nabij!

2

2:2
Jes. 13:4-5
Joël 1:6
Het is een dag van duisternis en donkerheid,

een dag van dreigende, donkere wolken.

Als het morgenlicht over de bergen,

zo nadert een groot en machtig volk,

zoals er nooit tevoren is geweest

of ooit nog zal zijn tot in het verste nageslacht.

3Hun voorhoede is een verterend vuur,

hun achterhoede een verzengende vlam;

als de tuin van Eden ligt het land voor hen,

achter hen blijft een kale woestijn.

Niets en niemand kan ontkomen.

4

2:4
Nah. 3:2-3
Het is alsof het paarden zijn,

als strijdrossen draven ze voort;

5

2:5
Op. 9:7-9
als het ratelen van strijdwagens

klinkt hun opmars over de bergtoppen,

als het knetteren van stro dat in het vuur verteert,

als een machtig volk dat zich opmaakt voor de strijd.

6

2:6
Jes. 13:8
Bij die aanblik krimpen allen ineen,

alle gezichten verbleken.

7Onverschrokken komen zij aanstormen,

als strijders beklimmen zij de muren.

Ieder houdt vast aan zijn eigen weg,

niet één wijkt ervan af;

8niemand van hen duwt een ander opzij,

iedereen houdt zijn eigen plaats.

Ook als er sneuvelen door tegenstand,

verbreken zij hun gelederen niet.

9Ze bestormen de stad,

ze klimmen over de muren heen,

ze dringen de huizen binnen,

ze komen als dieven door de vensters.

10

2:10
Joël 4:15
Op. 8:12
Bij die aanblik beeft de aarde,

siddert de hemel;

zon en maan worden verduisterd,

sterren doven hun glans.

11

2:11
Joël 3:4
Nah. 1:6
Mal. 3:2
Op. 6:17
Want het is de HEER

zijn stem schalt voor zijn leger uit,

zijn strijdkrachten zijn geweldig,

zijn bevel wordt met groot vertoon volbracht.

Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de HEER,

wie kan die dag doorstaan?

12Daarom – spreekt de HEER –, keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen. 13Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie God, want hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. 14

2:14
Jona 3:9
Misschien herroept hij zijn vonnis, komt hij erop terug en laat hij toch iets van zijn zegen over, zodat jullie weer graan en wijn kunnen offeren aan de HEER, jullie God.

15

2:15
Joël 1:14
Blaas de ramshoorn op de Sion,

kondig een vastentijd af

en roep op tot een plechtige samenkomst.

16Breng het volk bijeen,

laat heel Israël zich reinigen.

Breng de oude mensen tezamen,

verzamel de kinderen, ook de kleintjes aan de borst.

Laat de bruidegom opstaan van het bruidsbed,

laat zijn bruid het slaapvertrek verlaten.

17

2:17
Ex. 32:11-12
Ps. 42:4,11
79:10
Micha 7:10
Mal. 2:17
Priesters, dienaren van de HEER,

hef een smeekbede aan in de tempel,

tussen altaar en voorhal:

‘Ach HEER, spaar uw volk, uw eigendom,

geef het niet prijs aan spot en hoon van andere volken.

Waarom zouden zij mogen schimpen:

“En waar is nu hun God?”’

Belofte van herstel en zegen

18Dan zal de HEER het opnemen voor zijn land en zich ontfermen over zijn volk. 19

2:19
Deut. 11:14
De HEER geeft zijn volk dit antwoord: Ik zal jullie weer overvloedig voorzien van koren, wijn en olie. Ik zal jullie niet meer prijsgeven aan de spot van andere volken. 20Ik zal jullie bevrijden van de vijand uit het noorden, ik zal hem verdrijven naar een dor en woest land. Ik zal hem uiteenslaan naar het oosten en naar het westen, en hem de zee in drijven. Dan zal een stank opstijgen, de geur van bederf stijgt op van hem die zulke grote daden deed.

21Wees niet bang meer, akkers, barst uit in gejubel,

want de HEER doet grote daden!

22Wees niet bang meer, dieren van het veld,

want een kleed van groen bedekt de woestijn,

de bomen dragen volop vrucht,

vijgenboom en wijnstok geven hun rijkdom.

23

2:23
Deut. 11:14
En jullie, kinderen van Sion, wees blij

en barst uit in gejubel om de HEER, jullie God,

want hij geeft regen om je te verkwikken,2:23 regen om je te verkwikken – Ook mogelijk is de vertaling: ‘een leraar van gerechtigheid’.

hij laat de regen overvloedig op je neerdalen,

vroege regen en late regen, elk op de juiste tijd.

24De dorsvloeren liggen weer vol met graan,

de perskuipen lopen over van wijn en olie.

25Ik zal jullie schadeloosstellen voor de oogst van jaren die door al die zwermen sprinkhanen is opgevreten, door mijn grote leger, dat ik op jullie had afgestuurd. 26Je zult weer volop te eten hebben, meer dan genoeg, en je zult de naam van de HEER, je God, prijzen, want ik heb wonderbaarlijk met jullie gehandeld; nooit zal mijn volk weer te schande gemaakt worden. 27

2:27
Jes. 44:6
Ezech. 28:23
Joël 4:17
Dan zullen jullie inzien dat ik in Israëls midden ben, dat alleen ik, de HEER, jullie God ben; nooit zal mijn volk weer te schande gemaakt worden.

3

31

3:1-5
Hand. 2:17-21
3:1
Jes. 32:15
Ezech. 39:29
Daarna3:1-5 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 2:28-32. zal zich dit voltrekken:

Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.

Jullie zonen en dochters zullen profeteren,

oude mensen zullen dromen dromen,

en jongeren zullen visioenen zien;

2zelfs over slaven en slavinnen

zal ik in die tijd mijn geest uitgieten.

3Dan zal ik tekenen geven

aan de hemel en op aarde:

bloed en vuur en zuilen van rook,

4

3:4
Jes. 13:10
Joël 2:11
Mat. 24:29
Luc. 21:25
Op. 6:12
8:12
de zon verandert in duisternis

en de maan in bloed.

Dan komt de dag van de HEER,

groot en ontzagwekkend.

5

3:5
Ob. 17
Rom. 10:13
Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen:

op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden,

zoals de HEER heeft beloofd;

ieder die hij roept zal worden gered.

4

De dag van de HEER

41In4:1-21 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 3:1-21. dezelfde tijd dat ik het lot van Juda en Jeruzalem ten goede keer, 2zal ik alle volken bijeenbrengen en wegvoeren naar de vallei van Josafat4:2 Josafat – Josafat kan worden vertaald als ‘de HEER oordeelt’. om daar een oordeel over hen te vellen. Want zij hebben mijn volk Israël, mijn eigendom, onder vreemde volken verstrooid, ze hebben mijn land verdeeld 3en om mijn volk het lot geworpen; ze hebben jongens geruild tegen hoeren en meisjes verkocht voor wijn, om zich te bedrinken.

4

4:4-8
Jes. 14:29-31
23:1-18
Jer. 47:1-7
Ezech. 25:15-17
26:1-28:26
Amos 1:6-10
Sef. 2:4-7
Zach. 9:2-7
Jullie, inwoners van Tyrus en Sidon, en jullie, Filistijnen, wat denken jullie wel? Wilden jullie je op mij wreken? Wilden jullie iets tegen mij ondernemen? Onmiddellijk laat ik jullie daden op je eigen hoofd neerkomen. 5Jullie hebben mijn goud en zilver weggenomen en al mijn kostbaarheden naar jullie paleizen gebracht. 6Jullie hebben de inwoners van Juda en Jeruzalem aan de Grieken verkocht en hen zo van hun eigen grond weggerukt. 7Maar ik haal hen terug van de plaats waarheen jullie hen verkocht hebben. Jullie daden zullen op je eigen hoofd neerkomen: 8ik laat jullie zonen en dochters door de inwoners van Juda verkopen aan de Sabeeërs, ver hiervandaan – de HEER heeft gesproken.

9Roep de volken op:

Bereid je voor op de strijd,

laat je helden aantreden,

laat al je strijders nu ten strijde trekken!

10

4:10
Jes. 2:4
Micha 4:3
Smeed je ploegijzers maar om tot zwaarden

en je snoeimessen tot speren,

en laat de zwakke zich een held betonen.

11Haast je, volken rondom, verzamel je.

– O HEER, zend dan uw legermacht daarheen! –

12

4:12
Joël 4:2
Laat de volken aantreden,

laat ze optrekken naar de vallei van Josafat;

daar zal ik mijn oordeel over hen vellen.

13

4:13
Jes. 17:5
63:1-6
Op. 14:14-20
19:15
Sla de sikkel erin,

het is tijd om te oogsten.

Kom de wijnpers treden,

de persbak is vol,

de kuipen lopen over,

zó talrijk zijn hun misdaden.

14Dichte drommen bijeen in de vallei van het oordeel!

Nabij is de dag van de HEER. Daar zal hij oordelen!

15

4:15
Joël 2:10
Zon en maan worden verduisterd,

sterren doven hun glans.

16

4:16
Ps. 46:2-3
Jer. 25:30
Amos 1:2
De HEER brult vanaf de Sion,

hij gromt vanuit Jeruzalem,

zodat hemel en aarde beven.

Maar voor zijn volk is de HEER een toevlucht,

Israël biedt hij bescherming.

17

4:17
Ezech. 38:23
Joël 2:27
Dan zullen jullie inzien dat ik, de HEER, jullie God,

woon op de Sion, mijn heilige berg.

Jeruzalem zal een heilige stad zijn;

vreemden zullen er niet meer binnengaan.

18

4:18
Amos 9:13
Zach. 14:8
Dan, in die tijd,

zal de wijn van de bergen druipen

en de melk van de heuvels vloeien;

alle waterstromen van Juda zullen bruisen,

en in het huis van de HEER ontspringt een bron

die zelfs het droogste woestijndal bevloeit.

19Maar Egypte wordt een woestenij

en Edom een kale woestijn,

om hun misdaden tegen Juda,

om het onschuldig bloed dat ze daar hebben vergoten.

20

4:20
Jer. 17:25
Ezech. 37:25
Nooit gaat Juda ten onder

en Jeruzalem blijft altijd bewoond.

21Zou ik die bloedschuld niet wreken?

O zeker zal ik die wreken!4:21 Zou ik die bloedschuld niet wreken?/ O zeker zal ik die wreken! – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Ik zal hen van bloedschuld vrijspreken, wat ik voordien niet gedaan heb’, of: ‘Ik zal hun bloed onschuldig verklaren, dat ik tot nu toe niet onschuldig verklaard heb’.

Want de HEER woont op de Sion.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]