Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Joël, de zoon van Petuel.

Het verwoeste land

2Hoor mij aan, oudsten,

leen mij allen het oor, inwoners van het land!

Is iets als dit ooit geschied in jullie dagen

of in de dagen van jullie voorouders?

3Vertel het aan je kinderen,

en laten je kinderen het aan hun kinderen vertellen

en hun kinderen aan het volgende geslacht.

4

1:4
Deut. 28:38
Ps. 105:34-35
Amos 4:9
7:1-2
Mal. 3:11
Wat de ene sprinkhaan overliet, heeft de tweede afgeknaagd,

wat de tweede nog overliet, heeft de derde afgemaaid

en wat na de derde overbleef, heeft de vierde kaalgevreten.

5

1:5
Deut. 28:39
Word wakker, dronkaards, en ween,

barst uit in gejammer, drinkers van wijn,

om het sap van de druiven dat jullie ontnomen is.

6

1:6
Jer. 46:22-23
Mijn land is ten prooi aan een volk,

een machtig volk zonder tal,

met tanden als van een leeuw,

geweldige kaken als van een leeuwin.

7

1:7
Nah. 2:3
Het maakte dode takken van mijn wijnstok

en brandhout van mijn vijgenboom:

naakt en kaal zijn ze, omvergehaald,

de wijnranken zijn verbleekt.

8Weeklaag – als een jonge bruid die zich hult in het zwart,

rouwend om de man van haar jeugd.

9Waar is nog graan of wijn

voor offers in de tempel van de HEER?

De priesters, zijn dienaren, treuren.

10Het veld is verwoest,

de dorre grond treurt,

want het koren is vernield,

de wijn verdroogd,

de olie verloren.

11Toon je verslagenheid, boeren,

barst uit in gejammer, wijnbouwers,

om de tarwe en om de gerst,

want de oogst van het veld is verloren gegaan.

12

1:12
Jes. 16:10
Amos 4:7-9
De wijnstok is verdroogd,

de vijgenboom verdord;

granaatappel, dadelpalm en appelboom,

ja, alle bomen zijn verdord.

Verdord is ook de vreugde onder de mensen.

13Priesters, hul je in rouw,

schreeuw het uit, dienaren van het altaar,

breng de nacht door met klagen, dienaren van mijn God,

want offers van graan en wijn zijn Gods tempel ontzegd.

14

1:14
Joël 2:15
Kondig een vastentijd af

en roep op tot een plechtige samenkomst,

verzamel de oudsten en alle inwoners van het land

in de tempel van de HEER, jullie God,

en roep luid tot de HEER!

15

1:15
Jes. 13:6
Ezech. 30:2-3
O angstwekkende dag!

Nabij is de dag van de HEER,

de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!

16Is het voedsel niet voor onze ogen vernietigd?

Is de vreugdezang niet verstomd in de tempel van onze God?

17Het zaad rust vergeefs in de verdroogde aarde,

de voorraden zijn verwoest,

de graanschuren zijn vernield:

verloren is het graan.

18Hoor hoe het vee loeit:

runderen dolen maar rond

want nergens kunnen ze grazen,

zelfs schapen en geiten worden gestraft.

19Tot u, HEER, roep ik,

nu het groen voor het vee door vuur is verteerd

en een vlam de bomen heeft verzengd.

20Zelfs de dieren van het veld roepen om u,

nu elke waterstroom is opgedroogd

en het laatste groen door vuur is verteerd.

2

Naderend onheil

21

2:1
Ex. 19:16
Jer. 4:5
Hos. 5:8
Blaas de ramshoorn op de Sion,

blaas alarm op mijn heilige berg;

laat alle inwoners van het land beven van ontzetting:

de dag van de HEER komt! Hij is nabij!

2

2:2
Jes. 13:4-5
Joël 1:6
Het is een dag van duisternis en donkerheid,

een dag van dreigende, donkere wolken.

Als het morgenlicht over de bergen,

zo nadert een groot en machtig volk,

zoals er nooit tevoren is geweest

of ooit nog zal zijn tot in het verste nageslacht.

3Hun voorhoede is een verterend vuur,

hun achterhoede een verzengende vlam;

als de tuin van Eden ligt het land voor hen,

achter hen blijft een kale woestijn.

Niets en niemand kan ontkomen.

4

2:4
Nah. 3:2-3
Het is alsof het paarden zijn,

als strijdrossen draven ze voort;

5

2:5
Op. 9:7-9
als het ratelen van strijdwagens

klinkt hun opmars over de bergtoppen,

als het knetteren van stro dat in het vuur verteert,

als een machtig volk dat zich opmaakt voor de strijd.

6

2:6
Jes. 13:8
Bij die aanblik krimpen allen ineen,

alle gezichten verbleken.

7Onverschrokken komen zij aanstormen,

als strijders beklimmen zij de muren.

Ieder houdt vast aan zijn eigen weg,

niet één wijkt ervan af;

8niemand van hen duwt een ander opzij,

iedereen houdt zijn eigen plaats.

Ook als er sneuvelen door tegenstand,

verbreken zij hun gelederen niet.

9Ze bestormen de stad,

ze klimmen over de muren heen,

ze dringen de huizen binnen,

ze komen als dieven door de vensters.

10

2:10
Joël 4:15
Op. 8:12
Bij die aanblik beeft de aarde,

siddert de hemel;

zon en maan worden verduisterd,

sterren doven hun glans.

11

2:11
Joël 3:4
Nah. 1:6
Mal. 3:2
Op. 6:17
Want het is de HEER

zijn stem schalt voor zijn leger uit,

zijn strijdkrachten zijn geweldig,

zijn bevel wordt met groot vertoon volbracht.

Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de HEER,

wie kan die dag doorstaan?

12Daarom – spreekt de HEER –, keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen. 13Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie God, want hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. 14

2:14
Jona 3:9
Misschien herroept hij zijn vonnis, komt hij erop terug en laat hij toch iets van zijn zegen over, zodat jullie weer graan en wijn kunnen offeren aan de HEER, jullie God.

15

2:15
Joël 1:14
Blaas de ramshoorn op de Sion,

kondig een vastentijd af

en roep op tot een plechtige samenkomst.

16Breng het volk bijeen,

laat heel Israël zich reinigen.

Breng de oude mensen tezamen,

verzamel de kinderen, ook de kleintjes aan de borst.

Laat de bruidegom opstaan van het bruidsbed,

laat zijn bruid het slaapvertrek verlaten.

17

2:17
Ex. 32:11-12
Ps. 42:4,11
79:10
Micha 7:10
Mal. 2:17
Priesters, dienaren van de HEER,

hef een smeekbede aan in de tempel,

tussen altaar en voorhal:

‘Ach HEER, spaar uw volk, uw eigendom,

geef het niet prijs aan spot en hoon van andere volken.

Waarom zouden zij mogen schimpen:

“En waar is nu hun God?”’

Belofte van herstel en zegen

18Dan zal de HEER het opnemen voor zijn land en zich ontfermen over zijn volk. 19

2:19
Deut. 11:14
De HEER geeft zijn volk dit antwoord: Ik zal jullie weer overvloedig voorzien van koren, wijn en olie. Ik zal jullie niet meer prijsgeven aan de spot van andere volken. 20Ik zal jullie bevrijden van de vijand uit het noorden, ik zal hem verdrijven naar een dor en woest land. Ik zal hem uiteenslaan naar het oosten en naar het westen, en hem de zee in drijven. Dan zal een stank opstijgen, de geur van bederf stijgt op van hem die zulke grote daden deed.

21Wees niet bang meer, akkers, barst uit in gejubel,

want de HEER doet grote daden!

22Wees niet bang meer, dieren van het veld,

want een kleed van groen bedekt de woestijn,

de bomen dragen volop vrucht,

vijgenboom en wijnstok geven hun rijkdom.

23

2:23
Deut. 11:14
En jullie, kinderen van Sion, wees blij

en barst uit in gejubel om de HEER, jullie God,

want hij geeft regen om je te verkwikken,2:23 regen om je te verkwikken – Ook mogelijk is de vertaling: ‘een leraar van gerechtigheid’.

hij laat de regen overvloedig op je neerdalen,

vroege regen en late regen, elk op de juiste tijd.

24De dorsvloeren liggen weer vol met graan,

de perskuipen lopen over van wijn en olie.

25Ik zal jullie schadeloosstellen voor de oogst van jaren die door al die zwermen sprinkhanen is opgevreten, door mijn grote leger, dat ik op jullie had afgestuurd. 26Je zult weer volop te eten hebben, meer dan genoeg, en je zult de naam van de HEER, je God, prijzen, want ik heb wonderbaarlijk met jullie gehandeld; nooit zal mijn volk weer te schande gemaakt worden. 27

2:27
Jes. 44:6
Ezech. 28:23
Joël 4:17
Dan zullen jullie inzien dat ik in Israëls midden ben, dat alleen ik, de HEER, jullie God ben; nooit zal mijn volk weer te schande gemaakt worden.

3

31

3:1-5
Hand. 2:17-21
3:1
Jes. 32:15
Ezech. 39:29
Daarna3:1-5 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 2:28-32. zal zich dit voltrekken:

Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft.

Jullie zonen en dochters zullen profeteren,

oude mensen zullen dromen dromen,

en jongeren zullen visioenen zien;

2zelfs over slaven en slavinnen

zal ik in die tijd mijn geest uitgieten.

3Dan zal ik tekenen geven

aan de hemel en op aarde:

bloed en vuur en zuilen van rook,

4

3:4
Jes. 13:10
Joël 2:11
Mat. 24:29
Luc. 21:25
Op. 6:12
8:12
de zon verandert in duisternis

en de maan in bloed.

Dan komt de dag van de HEER,

groot en ontzagwekkend.

5

3:5
Ob. 17
Rom. 10:13
Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen:

op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden,

zoals de HEER heeft beloofd;

ieder die hij roept zal worden gered.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]