Het volk van Israël ging weg uit Egypte,
uit dat land met een vreemde taal.
Toen werd Israël het volk van God,
het volk waarover hij heerste.
De zee zag het en vluchtte weg,
en de Jordaan stroomde niet meer.
Bergen en heuvels sprongen op,
het leken wel jonge lammetjes.
Zee, waarom ben je gevlucht?
Jordaan, waarom stroomde je niet meer?
Bergen en heuvels, wat is er gebeurd?
Waarom sprongen jullie op als lammetjes?
Wij vluchtten voor de Heer,
wij sprongen op voor de God van Israël.
De hele aarde moet voor hem beven!
Want hij maakt van stenen een stromende bron,
van rotsen maakt hij een rivier.
Je browser ondersteunt geen HTML5 audio.