Bijbel in Gewone Taal (BGT)
113

Psalm 113

Niemand is zoals de Heer

1131Halleluja!

Zing voor de Heer,

dienaren van de Heer, zing voor hem!

2Laat iedereen de Heer prijzen,

nu en altijd.

3Laat iedereen zingen voor de Heer,

van het oosten tot het westen.

4De Heer heerst over alle volken.

Zijn macht gaat hoger dan de hemel.

5Niemand is zoals de Heer, onze God.

Hij woont hoog in de hemel,

6maar hij ziet ook de mensen op aarde.

Niemand is zoals hij,

niemand in de hemel of op de aarde.

7Zwervers trekt hij uit het vuil omhoog.

Hij haalt hen weg uit hun ellende,

8en laat hen wonen bij de rijken,

bij de rijken van zijn volk.

9Vrouwen zonder kinderen

maakt hij moeder van een groot gezin.

Dan is er vreugde in hun huis.

Halleluja!

114

Psalm 114

God doet bijzondere dingen

1141Het volk van Israël ging weg uit Egypte,

uit dat land met een vreemde taal.

2Toen werd Israël het volk van God,

het volk waarover hij heerste.

3De zee zag het en vluchtte weg,

en de Jordaan stroomde niet meer.

4Bergen en heuvels sprongen op,

het leken wel jonge lammetjes.

5Zee, waarom ben je gevlucht?

Jordaan, waarom stroomde je niet meer?

6Bergen en heuvels, wat is er gebeurd?

Waarom sprongen jullie op als lammetjes?

7Wij vluchtten voor de Heer,

wij sprongen op voor de God van Israël.

De hele aarde moet voor hem beven!

8Want hij maakt van stenen een stromende bron,

van rotsen maakt hij een rivier.

115

Psalm 115

De Heer is goed

1151Alle eer is voor u, Heer.

Niet voor ons, maar voor u alleen,

want u bent trouw en goed.

2Mensen lachen ons uit,

en ze vragen: ‘Waar is jullie God?’

3Wij weten dat u in de hemel bent.

U kunt alles doen wat u wilt.

Andere goden kunnen niets

4Maar andere goden kunnen niets.

Het zijn beelden van zilver en goud,

die door mensen gemaakt zijn.

5Ze hebben een mond,

maar ze kunnen niet praten.

Ze hebben ogen,

maar ze kunnen niet zien.

6Ze hebben oren,

maar ze kunnen niet horen.

Ze hebben een neus,

maar ze kunnen niet ruiken.

7Hun handen kunnen niet voelen,

hun voeten kunnen niet bewegen,

en uit hun keel komt geen geluid.

8Mensen die zulke beelden maken,

mensen die op zulke goden vertrouwen,

worden net als die beelden:

ze kunnen niets meer.

Iedereen moet op de Heer vertrouwen

9Israëlieten, vertrouw op de Heer.

Hij helpt jullie, hij beschermt jullie.

10Priesters, vertrouw op de Heer.

Hij helpt jullie, hij beschermt jullie.

11Dienaren van de Heer, vertrouw op hem!

Hij helpt jullie, hij beschermt jullie.

De Heer geeft iedereen geluk en vrede

12De Heer denkt aan ons,

hij geeft ons geluk en vrede.

Hij geeft geluk en vrede

aan alle Israëlieten en aan de priesters.

13Hij geeft geluk en vrede aan al zijn dienaren,

van klein tot groot.

14Hij zal ons allemaal veel kinderen geven,

veel kinderen en kleinkinderen.

15De Heer zal ons geluk en vrede geven.

Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt.

16De hemel is van de Heer,

maar de aarde heeft hij aan de mensen gegeven.

17De doden kunnen de Heer niet prijzen,

want zij zijn in het stille land van de dood.

18Maar wij, wij zullen de Heer danken,

nu en altijd.

Halleluja!