Bijbel in Gewone Taal (BGT)
103

Psalm 103

1031Een lied van David.

De Heer helpt mij

Ik dank de Heer,

ik dank de heilige Heer

vanuit het diepst van mijn hart.

2Ik dank hem voor alles wat hij heeft gedaan,

nooit zal ik dat vergeten.

3De Heer vergeeft al mijn zonden.

Hij geneest mij als ik ziek ben,

4hij laat me niet sterven.

Hij is goed voor mij,

hij houdt van mij.

5Hij maakt me weer sterk en gezond,

hij geeft me nieuwe kracht.

De liefde van de Heer is groot

6De Heer is goed voor mensen zonder macht,

hij helpt hen als ze onderdrukt worden.

7Aan Mozes vertelde hij zijn plan,

aan Israël liet hij zijn macht zien.

8De Heer is goed, hij vergeeft ons.

Geduldig en vol liefde is hij.

9Hij blijft niet altijd boos,

zijn woede gaat voorbij.

10Hij wordt niet boos om iedere fout,

hij straft ons niet zo streng als we verdienen.

11-12Hij doet onze schuld ver weg,

zo ver als het westen is van het oosten.

Want zijn liefde voor ons is groot,

zo groot als de hele wereld.

13De Heer houdt van zijn volk,

zoals een vader van zijn kinderen houdt.

14Want hij weet hoe we gemaakt zijn,

hij heeft ons zelf uit aarde gevormd.

De liefde van de Heer verdwijnt nooit

15Een mens leeft maar kort.

Hij is net als een bloem in het gras

die maar heel even bloeit.

16De wind gaat waaien en de bloem verdwijnt,

niemand weet meer waar hij stond.

17Maar de liefde van de Heer verdwijnt nooit.

Hij houdt van mensen die hem trouw zijn.

De Heer is goed voor hen,

en voor hun kinderen en kleinkinderen.

18Als ze maar doen wat hij wil,

als ze maar luisteren naar zijn woorden.

Dank de Heer

19De Heer in de hemel is koning,

hij regeert over alles.

20Machtige engelen, dank de Heer.

Jullie die hem dienen en hem gehoorzaam zijn,

dank de Heer.

21Dank de Heer,

zon, maan en sterren, die doen wat hij wil.

22Dank hem, heel de wereld!

Dank hem, in de hemel en op aarde.

Ik dank de Heer

vanuit het diepst van mijn hart!

104

Psalm 104

De Heer is machtig

1041Ik dank de Heer

vanuit het diepst van mijn hart.

Heer, mijn God, u bent machtig!

Alles rondom u is stralend en mooi.

2Overal om u heen is licht.

U hebt de hemel gemaakt,

strak gespannen als een tent.

3Hoog boven de hemel is uw paleis.

U rijdt op een wagen van wolken,

de wind blaast u vooruit.

4De wind is gehoorzaam aan u,

de bliksem doet wat u wilt.

De Heer heeft de aarde gemaakt

5U hebt de aarde stevig vastgezet,

zo blijft ze staan, voor altijd.

6Toen u de aarde maakte,

was er overal water,

zelfs hoog boven de bergen.

7Maar toen uw stem klonk,

vluchtte het water.

Het vluchtte weg voor de donder.

8Bergen kwamen tevoorschijn,

en rivieren stroomden in de dalen,

precies zoals u het bedacht had.

9U hebt grenzen gemaakt voor het water,

nooit meer zal het de aarde bedekken.

10U laat rivieren stromen,

ze stromen tussen de bergen door.

11Alle dieren komen er drinken,

ook wilde ezels vinden er water.

12Hoog in de bomen hebben vogels hun nest,

tussen de bladeren klinkt hun lied.

13U laat het regenen op de bergen,

zo wordt de aarde vruchtbaar en groen.

14U laat gras groeien voor de dieren,

graan en vruchten voor de mensen.

De aarde geeft goede dingen aan de mensen:

15brood dat hen sterk maakt,

wijn die hen vrolijk maakt,

olie die hun huid laat glanzen.

16Heer, uw bomen zijn altijd groen,

de hoge bomen die u geplant hebt.

17Daar maken vogels hun nesten,

ooievaars wonen in de hoogste takken.

18Berggeiten wonen hoog in de bergen,

andere dieren leven in de dalen.

Elk dier heeft zijn eigen plek.

De Heer heeft de dag en de nacht gemaakt

19U hebt de maan gemaakt

om het jaar in maanden te verdelen.

De zon gaat onder als u dat zegt,

20op uw tijd wordt het nacht.

Dieren in het bos worden dan wakker.

21De jonge leeuwen krijgen honger,

brullend vragen ze u om eten.

22Maar in de ochtend verdwijnen ze,

ze gaan weer terug naar hun plek.

23Mensen gaan dan aan het werk,

ze werken tot de avond.

De Heer heeft al het leven gemaakt

24Heer, wat hebt u veel gemaakt,

en wat is alles prachtig!

Overal op aarde is het te zien.

25In de zeeën zwemmen dieren,

groot en klein, ze zijn niet te tellen.

26Op het water varen schepen.

In de zee leeft Leviatan,

het monster dat u hebt gemaakt

om er voor uw plezier mee te spelen.

27Als mensen en dieren honger hebben,

wachten ze tot u ze voedsel geeft.

28U geeft ze te eten,

ze krijgen meer dan genoeg.

29Als u ze vergeet, worden ze doodsbang.

Als u hun adem wegneemt, sterven ze.

Dan blijft er niets van ze over.

30Maar door uw adem komt alles tot leven.

U maakt de hele aarde nieuw.

Ik zing voor de Heer

31Laat de macht van de Heer eeuwig duren.

Laat alles wat hij gemaakt heeft, hem vreugde geven.

32Als de Heer naar de aarde kijkt, beeft ze.

Als hij de bergen aanraakt, komt er rook uit.

33Ik zal zingen voor de Heer, zolang ik leef.

Ik zal zingen voor mijn God, zolang ik besta.

34Laat mijn lied hem vreugde geven,

want hij maakt me gelukkig.

35Slechte mensen zullen van de aarde verdwijnen.

Ze zullen niet langer bestaan.

Ik dank de Heer

vanuit het diepst van mijn hart.

Halleluja!

105

Psalm 105

Denk aan de wonderen van de Heer

1051Dank de Heer

en maak bekend wie hij is!

Vertel aan iedereen wat hij gedaan heeft,

2vertel over zijn wonderen.

Maak muziek en zing voor hem!

3Zing over de heilige God.

Laat zien hoe blij jullie zijn,

want jullie horen bij de Heer.

4Vraag altijd hulp aan de Heer,

hij is machtig.

Blijf steeds dicht bij hem.

5Denk aan zijn wonderen,

denk aan de tekens van zijn macht,

en aan de wetten die hij gegeven heeft.

Vergeet ze niet!

6Want jullie zijn nakomelingen van Abraham,

de dienaar van de Heer.

En jullie zijn nakomelingen van Jakob.

Jullie zijn door de Heer uitgekozen.

De Heer vergeet zijn beloftes nooit

7De Heer is onze God.

Zijn wetten gelden voor iedereen.

8Hij vergeet zijn beloftes nooit,

hij gaf zijn regels voor altijd.

9Alles wat hij aan Abraham en Isaak beloofde,

blijft altijd gelden.

10Ook aan Jakob beloofde de Heer zijn hulp.

11Hij zei: ‘Ik zal Kanaän aan jou geven.

Dat land zal voor altijd van jou zijn.’

De Heer beschermde zijn volk

12In het begin waren de Israëlieten een klein volk,

ze hadden nog geen eigen land.

13Ze gingen van plaats naar plaats,

van het ene koninkrijk naar het andere.

14God zorgde ervoor dat niemand hen onderdrukte.

Als een koning hen wilde aanvallen,

dan strafte God hem meteen.

15God zei: ‘Blijf weg van de leiders die ik heb uitgekozen.

Doe mijn profeten geen kwaad.’

De Heer stuurde Jozef naar Egypte

16De Heer liet hongersnood komen in Kanaän,

er was geen stukje brood meer te krijgen.

17Toen stuurde hij iemand om het volk te helpen:

Jozef, die eerst als slaaf verkocht was.

18Jozef kwam in de gevangenis in Egypte.

Om zijn voeten had hij een ketting,

om zijn hals zat een ijzeren band.

19Maar de Heer liet zien dat Jozef onschuldig was,

want er gebeurde wat Jozef voorspeld had.

20De machtige koning van Egypte liet hem vrij.

21Jozef kwam bij die koning in dienst

en zorgde voor het hele land.

22Jozef gaf opdrachten aan de ministers,

hij gaf raad aan alle wijze mannen.

De Heer stuurde Mozes en Aäron

23Toen kwam Jakob naar Egypte,

hij woonde daar een tijd als vreemdeling.

24God gaf hem veel nakomelingen.

Zo werd het volk van Israël groter,

ze werden sterker dan Egypte, hun vijand.

25Toen zorgde God ervoor

dat de Egyptenaren zijn volk gingen haten.

Ze mishandelden het volk van God.

26Daarom stuurde God zijn dienaar Mozes,

en God koos Aäron uit om met Mozes mee te gaan.

27Zij lieten aan de Egyptenaren zien

hoe machtig God is.

28Ze deden precies wat God gezegd had.

De Heer stuurde rampen naar Egypte

Toen liet God het overal donker worden.

29Hij veranderde het water van de rivieren in bloed,

hij liet alle vissen doodgaan.

30Overal in het land kwamen kikkers,

zelfs in de kamers van het paleis.

31God stuurde ook vliegen en muggen,

ze kwamen overal in het land.

32Hij stuurde hagelstenen in plaats van regen.

Hij liet het hele land afbranden.

33Hij vernietigde de wijngaarden en de vijgenbomen,

alle bomen in het land verwoestte hij.

34God stuurde ook sprinkhanen.

Het waren er ontelbaar veel.

35Ze aten alle planten van de akkers,

ze aten al het groen van de velden.

Israël vertrok uit Egypte

36Ten slotte doodde God alle sterke jongens van het land,

alle oudste zonen van de Egyptenaren.

37Toen liet God zijn volk uit Egypte vertrekken,

niemand van hen bleef achter.

Ze namen zilver en goud met zich mee.

38De Egyptenaren waren erg bang geworden.

Ze waren blij dat de Israëlieten weggingen.

39God beschermde zijn volk overdag met een wolk.

En ’s nachts zorgde hij met een vuur voor licht.

40Toen de Israëlieten om eten vroegen,

gaf hij ze vogels en brood uit de hemel.

Ze konden eten zo veel als ze wilden.

41Hij brak de rotsen open,

en er stroomde water uit.

Het stroomde als een rivier door de woestijn.

De Heer deed wat hij beloofd had

42De Heer was niet vergeten

wat hij aan Abraham beloofd had.

De Heer dacht aan die bijzondere belofte.

43Hij liet zijn volk vertrekken,

juichend gingen ze weg uit Egypte.

44Toen gaf de Heer hun het land van andere volken.

Ze kregen alles waarvoor anderen hadden gewerkt.

45Maar ze moesten wel leven volgens zijn regels,

ze moesten zich houden aan zijn wetten.

Halleluja!