Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

Het voorbeeld van de slimme dienaar

161Jezus gaf de leerlingen nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Een rijke man had een dienaar die zijn zaken regelde. Maar de mensen klaagden bij de rijke man. Ze zeiden dat die dienaar slecht omging met het bezit van de rijke man. 2Toen riep de rijke man zijn dienaar en zei: ‘Ik hoor van iedereen dat jij oneerlijk bent. Daarom kun je niet langer mijn dienaar zijn. Lever alle rekeningen bij mij in.’

3De dienaar dacht: Ik word ontslagen! Wat moet ik doen? Werken op het land kan ik niet. En ik schaam me ervoor om een bedelaar te worden. 4Ik weet het al! Ik zorg ervoor dat ik vrienden krijg. Die kunnen dan voor me zorgen als ik geen werk meer heb.

5Toen riep de dienaar iedereen bij zich die schulden had bij zijn heer. Hij vroeg aan de eerste: ‘Hoe groot is je schuld?’ 6Die antwoordde: ‘Honderd vaten olijfolie.’ De dienaar zei: ‘Hier is je rekening. Maak er snel vijftig vaten van.’ 7Toen vroeg hij aan de volgende: ‘Hoe groot is jouw schuld?’ Die antwoordde: ‘Honderd zakken graan.’ De dienaar zei: ‘Hier is je rekening. Maak er maar tachtig zakken van.’

8De heer zei tegen zijn dienaar: ‘Goed gedaan! Je hebt je probleem slim opgelost.’’

Jezus zei: ‘De mensen die bij deze wereld horen, gaan slim met anderen om. Veel slimmer dan de mensen die bij het licht horen. 9Luister naar mijn woorden: Gebruik dat ellendige geld om vrienden te maken. Er komt een moment dat je niets meer aan je geld hebt. Dan zullen jullie welkom zijn in de hemel.’

Je moet kiezen tussen God en het geld

10Jezus zei ook: ‘Als je te vertrouwen bent met kleine dingen, dan ben je ook te vertrouwen met grote dingen. En als je oneerlijk bent over kleine dingen, dan ben je ook oneerlijk over grote dingen. 11Als jullie al niet te vertrouwen zijn met dat ellendige geld, dan vertrouwt niemand jullie met dingen die echt belangrijk zijn. 12En als je niet te vertrouwen bent met dingen van een ander, dan zal God je niet geven wat voor jou bestemd is.

13Je kunt geen trouwe dienaar zijn van twee bazen tegelijk. Want je zult altijd meer liefde hebben voor de één dan voor de ander. En je zult altijd meer respect hebben voor de één dan voor de ander. Je kunt dus niet tegelijk voor God en voor het geld leven.’

14De farizeeën, die van geld hielden, hoorden die dingen en lachten Jezus uit. 15Toen zei Jezus tegen hen: ‘Jullie vinden het belangrijk om indruk te maken op mensen. Maar God weet hoe jullie van binnen zijn. En alles wat mensen geweldig vinden, dat vindt God verschrikkelijk.’

De hele wet blijft geldig

16Jezus zei verder: ‘Eerst waren er alleen de heilige boeken van Mozes en de profeten. Toen kwam Johannes de Doper. Sinds dat moment wordt er verteld over Gods nieuwe wereld. En tegen iedereen wordt gezegd: ‘Je moet Gods nieuwe wereld binnengaan!’

17Maar de wet zal altijd blijven bestaan, er zal zelfs geen komma uit de wet verdwijnen. Je zult nog eerder de hemel en de aarde zelf zien verdwijnen. 18De volgende regel blijft dus altijd gelden: ‘Een gescheiden man die trouwt met een andere vrouw, gaat vreemd. En een man die trouwt met een gescheiden vrouw, gaat ook vreemd.’’

De rijke man en de arme Lazarus

19Daarna gaf Jezus dit voorbeeld: ‘Er was eens een rijke man. Hij droeg de mooiste en duurste kleren, en hij vierde elke dag feest. 20-21Er was ook een arme man, met allemaal vieze wonden op zijn lichaam. Die man heette Lazarus.

Lazarus lag voor de deur van de rijke man. Zo hoopte hij wat restjes eten te krijgen. Maar hij kreeg niets. Er kwamen alleen honden, die aan zijn wonden likten.

22Op een dag ging Lazarus dood. Engelen namen hem mee en brachten hem bij Abraham. Lazarus mocht naast Abraham zitten.

Ook de rijke man ging dood en werd begraven. 23Hij kwam in de hel en had heel veel pijn. In de verte zag hij Abraham zitten, en daarnaast zat Lazarus. 24De rijke man riep: ‘Vader Abraham, heb medelijden met mij! Ik heb zo veel pijn in dit vuur! Stuur Lazarus naar me toe. Laat hem met zijn vinger een druppeltje water op mijn tong leggen.’

25Maar Abraham zei: ‘Mijn zoon, jij hebt het toch goed gehad tijdens je leven, terwijl Lazarus het slecht had? Nu wordt hij getroost, maar jij moet pijn lijden. 26Bovendien is er een diepe afgrond tussen ons. Daardoor kunnen wij niet bij jullie komen, en jullie kunnen niet bij ons komen.’

27Toen riep de rijke man naar Abraham: ‘Wilt u Lazarus dan alstublieft naar mijn familie sturen? 28Laat hem mijn vijf broers waarschuwen. Anders komen zij ook in de hel, net als ik.’

29Maar Abraham zei: ‘Je broers hebben de wet van Mozes en de boeken van de profeten. Laten ze daar maar naar luisteren.’ 30Toen zei de rijke man: ‘Maar daar luisteren ze niet naar! Ze zullen hun leven pas veranderen als er een dode naar hen toe komt.’

31Maar Abraham zei: ‘Je zegt dat je broers niet luisteren naar Mozes en de profeten. Dan zullen ze ook niet luisteren naar iemand die opstaat uit de dood.’’

17

Opdrachten voor de leerlingen

Haal een gelovige niet weg bij God

171Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Er zullen dingen gebeuren waardoor gelovigen weggehaald worden bij God. Dat kan niet anders. Maar wat een ramp voor de mensen die dat veroorzaken! 2Want iedereen die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek in zee gegooid was. 3Pas dus op met wat je doet!

Vergeef mensen steeds opnieuw

Stel dat een andere gelovige iets verkeerds doet. Vertel hem dan wat hij verkeerd gedaan heeft. Als hij spijt heeft, moet je hem vergeven. 4Zelfs als hij zeven keer op een dag iets verkeerds doet tegen jou. Als hij dan ook zeven keer spijt heeft, dan moet je hem vergeven.’

Geloof moet groeien

5Toen zeiden de leerlingen tegen de Heer: ‘Maak ons geloof sterker!’ 6Maar de Heer zei: ‘Zelfs als je geloof maar zo klein is als een mosterdzaadje, is alles mogelijk. Als je dan tegen een boom zegt: ‘Trek je wortels uit de grond en ga in de zee staan,’ dan doet hij dat.

Blijf gewoon je werk doen

7Stel dat je een slaaf hebt. Hij werkt op het land en hij past op je schapen. Als hij ’s avonds thuiskomt, zeg je niet tegen hem: ‘Ga lekker zitten, het eten staat klaar!’ 8Nee, je zegt tegen hem: ‘Doe een schort voor, maak mijn eten klaar en breng het mij. Als ik klaar ben, dan kun jij eten.’ 9Niemand bedankt zijn slaaf omdat die zijn werk doet.

10Voor jullie geldt hetzelfde. Als jullie alles hebben gedaan wat God van je vraagt, zeg dan: ‘Wij zijn maar eenvoudige slaven. We doen gewoon ons werk.’’

Jezus maakt tien mensen beter

11Op weg naar Jeruzalem reisde Jezus door Samaria en Galilea. 12Toen hij een dorp binnenging, kwamen er tien mensen met een huidziekte naar hem toe. Ze bleven op een afstand staan. 13Ze riepen naar Jezus: ‘Meester, heb medelijden met ons!’

14Toen Jezus hen zag, zei hij: ‘Ga naar een priester. Dan kan hij vaststellen dat jullie gezond zijn.’ Ze deden wat Jezus zei, en onderweg werden ze gezond.

Eén man komt terug en bedankt Jezus

15Eén van de tien ging terug naar Jezus. Hij zong en juichte voor God, omdat hij weer gezond was. Hij dankte God. Iedereen kon hem horen. 16En hij knielde voor Jezus om hem te bedanken. De man was geen Jood, maar kwam uit Samaria.

17Jezus zei tegen hem: ‘Er zijn toch tien mensen beter gemaakt? Waar zijn de andere negen? 18Jij komt als enige terug om God te eren. En je bent niet eens een Jood!’ 19Toen zei hij tegen de man: ‘Sta op en ga naar huis. Je bent gered dankzij je geloof.’

De dag dat Jezus terugkomt

Wanneer komt Gods nieuwe wereld?

20De farizeeën vroegen aan Jezus: ‘Wanneer komt Gods nieuwe wereld?’ Jezus antwoordde: ‘Je kunt niet zeggen wanneer de nieuwe wereld precies komt. 21En je kunt ook niet zeggen: ‘Kijk, hier is de nieuwe wereld!’ of ‘Kijk, daar!’ Maar jullie kunnen de nieuwe wereld nu al binnengaan, als jullie de juiste keuze maken.’

Iedereen zal de Mensenzoon zien komen

22Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Er komt een tijd dat jullie verlangen naar het moment waarop de Mensenzoon komt. Maar jullie zullen hem niet zien.

23In die tijd zullen de mensen tegen jullie zeggen: ‘Kijk, hier is de Mensenzoon!’ of ‘Kijk, daar is hij!’ Geloof die mensen niet! Loop ze niet achterna. 24Want als de Mensenzoon echt komt, zal iedereen hem zien. Net zoals iedereen de bliksem in de lucht kan zien.

25Maar eerst moet de Mensenzoon lijden. Hij zal als een vijand behandeld worden door de mensen die nu leven.

De Mensenzoon komt onverwacht

26De Mensenzoon zal onverwacht komen. Het zal net zo gaan als in de tijd van Noach. 27Toen waren de mensen bezig met gewone dingen: met eten, drinken en trouwen. Totdat de dag kwam dat Noach zijn boot in ging. Toen kwam plotseling de grote overstroming, en alle mensen verdronken.

28En het zal net zo gaan als in de tijd van Lot. Ook toen waren de mensen bezig met gewone dingen: met eten, drinken, kopen, verkopen, zaaien en bouwen. 29Totdat Lot wegging uit Sodom. Toen kwam er opeens vuur uit de hemel, en alle mensen gingen dood.

30Net zo plotseling zal ook de Mensenzoon komen.

Op die dag moet je alles achterlaten

31Stel dat je op die dag buiten bij je huis bent. Vlucht dan meteen weg. Ga niet eerst je huis in om nog iets te pakken. Ook als je op het land aan het werk bent, moet je meteen vluchten. Ga niet eerst terug naar huis. 32Denk aan de vrouw van Lot! Met haar liep het slecht af.

33Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar als je het verliest, zul je het juist voor altijd redden.

Niet iedereen mag mee

34Luister naar mijn woorden: Als de Mensenzoon komt, mag niet iedereen met hem mee. Als er bijvoorbeeld twee mensen in één bed slapen, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven. 35-36En als er twee vrouwen graan aan het malen zijn, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven.’

37Toen vroegen de leerlingen: ‘Heer, waar zal dat allemaal gebeuren?’ Jezus antwoordde: ‘Dat zien jullie vanzelf als het zover is. Net zoals je aan de gieren kunt zien waar een dood dier ligt.’

18

De vrouw en de rechter

181Jezus gaf een voorbeeld aan zijn leerlingen. Daarmee wilde hij laten zien hoe belangrijk het is om te blijven bidden en nooit op te geven.

2Jezus zei: ‘Er was eens een rechter in een stad. Hij had geen respect voor God en hij hield geen rekening met mensen. 3In dezelfde stad woonde ook een vrouw. Haar man was overleden. Omdat ze hulp nodig had, kwam ze steeds weer bij de rechter, en zei dan tegen hem: ‘Zorg dat ik krijg waar ik recht op heb.’

4-5Eerst wilde de rechter haar niet helpen. Maar na een tijdje dacht hij: Ik moet die vrouw toch maar helpen. Niet omdat ik bang ben voor God, of omdat die vrouw mij iets kan schelen. Maar omdat ik last van haar heb. Ze blijft maar langskomen, straks valt ze me nog aan!’

6Toen zei de Heer: ‘Kijk, zelfs zo’n oneerlijke rechter helpt mensen die volhouden. 7Dan zal God zeker de mensen helpen die hij zelf uitgekozen heeft. Mensen die dag en nacht om zijn hulp bidden, laat hij niet wachten.

8Luister naar mijn woorden: God zal snel komen om die mensen te helpen. Maar als de Mensenzoon terugkomt, zullen er dan nog gelovigen op aarde zijn?’

Uitleg over Gods nieuwe wereld

De farizeeër en de tollenaar

9Jezus gaf nog een voorbeeld. Dat was bedoeld voor mensen die zichzelf beter vinden dan anderen. 10Jezus zei: ‘Een farizeeër en een tollenaar gingen naar de tempel om te bidden. 11De farizeeër stond trots rechtop. En hij begon te bidden: ‘God, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen. Want die zijn oneerlijk, ze stelen en ze gaan vreemd. En ik dank u dat ik niet ben zoals die tollenaar daar. 12Ik betaal belasting aan de tempel over al mijn bezit. En ik vast twee keer per week om u te eren.’ 13Intussen stond de tollenaar helemaal achter in de tempel. Hij durfde zelfs niet omhoog te kijken. Hij huilde en zei: ‘God, ik ben een slecht mens. Heb medelijden met mij.’

14Luister naar mijn woorden: Toen de twee mannen naar huis gingen, was de tollenaar bevrijd van zijn schuld. Maar de farizeeër niet. Want God zal iedereen die zichzelf geweldig vindt, onbelangrijk maken. En juist mensen die zichzelf niets waard vinden, die zal God belangrijk maken.’

Jezus laat de kinderen bij zich komen

15Er waren mensen die kleine kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij de kinderen aan zou raken. Toen de leerlingen dat zagen, hielden ze die mensen tegen.

16Maar Jezus riep de kinderen bij zich. Hij zei: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen. Want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen. 17Luister goed naar mijn woorden: Je moet openstaan voor Gods nieuwe wereld. Net zoals een kind dat doet. Anders kun je er niet binnenkomen.’

Een rijke man komt bij Jezus

18Een rijke man vroeg aan Jezus: ‘Goede meester, hoe kan ik het eeuwige leven krijgen?’ 19Jezus zei tegen hem: ‘Je noemt mij goed, maar waarom? Alleen God is goed, verder niemand. 20En je weet toch welke regels er in de wet staan? Je mag niet vreemdgaan. Je mag niemand vermoorden. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. En je moet respect hebben voor je vader en je moeder.’

21Toen zei die man: ‘Ik houd me aan al die regels. Al mijn hele leven.’ 22Jezus antwoordde: ‘Er is nog één ding dat je moet doen. Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan zul je in de hemel een grote beloning krijgen. Als je alles weggegeven hebt, kun je terugkomen en met mij meegaan.’

23Toen de man dat hoorde, was hij teleurgesteld. Want hij was heel rijk.

Het is moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen

24-25Toen Jezus zag dat de man teleurgesteld was, zei hij: ‘Het is heel moeilijk voor rijke mensen om in Gods nieuwe wereld te komen. Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan.’

26Toen de mensen dat hoorden, vroegen ze: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ 27Jezus zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af. En dan kan het wel.’

Je moet alles achterlaten

28Toen zei Petrus: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan.’

29-30Jezus antwoordde: ‘Luister goed naar mijn woorden: Als je kiest voor Gods nieuwe wereld, dan moet je bereid zijn om alles op te geven: je huis, je vrouw, je broers en je zussen, je ouders en je kinderen. Maar je krijgt er nu al veel voor terug. En als Gods nieuwe wereld komt, krijg je het eeuwige leven.’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

31Toen Jezus met zijn twaalf leerlingen alleen was, zei hij: ‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal alles gebeuren wat de profeten gezegd hebben over de Mensenzoon. 32-33Want de Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de ongelovigen. Die zullen hem bespotten en slecht behandelen. Ze zullen in zijn gezicht spugen en hem met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

34De leerlingen begrepen niet wat Jezus bedoelde. Ze snapten niet wat het betekende, ze konden het gewoon niet begrijpen.

Via Jericho naar Jeruzalem

Jezus maakt een blinde man beter

35Jezus kwam in de buurt van de stad Jericho. Daar zat een blinde bedelaar langs de kant van de weg. 36Toen hij hoorde dat er veel mensen voorbijliepen, vroeg hij: ‘Wat is er aan de hand?’

37De mensen vertelden hem dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam. 38De blinde man begon te roepen: ‘Jezus! Zoon van David! Heb medelijden met mij!’ 39De mensen zeiden: ‘Houd toch je mond!’ Maar de man begon nog veel harder te roepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met mij!’

40Toen bleef Jezus staan en zei: ‘Breng die man hier.’ De man kwam, en Jezus vroeg: 41‘Wat kan ik voor je doen?’ De blinde man antwoordde: ‘Heer, ik wil weer kunnen zien.’ 42Jezus zei: ‘Kijk om je heen! Je bent beter geworden dankzij je geloof.’

43Meteen kon de man weer zien. Hij ging met Jezus mee, en hij dankte God. Ook alle mensen die het zagen, dankten God.