Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

Opdrachten voor de leerlingen

Haal een gelovige niet weg bij God

171Daarna zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Er zullen dingen gebeuren waardoor gelovigen weggehaald worden bij God. Dat kan niet anders. Maar wat een ramp voor de mensen die dat veroorzaken! 2Want iedereen die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek in zee gegooid was. 3Pas dus op met wat je doet!

Vergeef mensen steeds opnieuw

Stel dat een andere gelovige iets verkeerds doet. Vertel hem dan wat hij verkeerd gedaan heeft. Als hij spijt heeft, moet je hem vergeven. 4Zelfs als hij zeven keer op een dag iets verkeerds doet tegen jou. Als hij dan ook zeven keer spijt heeft, dan moet je hem vergeven.’

Geloof moet groeien

5Toen zeiden de leerlingen tegen de Heer: ‘Maak ons geloof sterker!’ 6Maar de Heer zei: ‘Zelfs als je geloof maar zo klein is als een mosterdzaadje, is alles mogelijk. Als je dan tegen een boom zegt: ‘Trek je wortels uit de grond en ga in de zee staan,’ dan doet hij dat.

Blijf gewoon je werk doen

7Stel dat je een slaaf hebt. Hij werkt op het land en hij past op je schapen. Als hij ’s avonds thuiskomt, zeg je niet tegen hem: ‘Ga lekker zitten, het eten staat klaar!’ 8Nee, je zegt tegen hem: ‘Doe een schort voor, maak mijn eten klaar en breng het mij. Als ik klaar ben, dan kun jij eten.’ 9Niemand bedankt zijn slaaf omdat die zijn werk doet.

10Voor jullie geldt hetzelfde. Als jullie alles hebben gedaan wat God van je vraagt, zeg dan: ‘Wij zijn maar eenvoudige slaven. We doen gewoon ons werk.’’

Jezus maakt tien mensen beter

11Op weg naar Jeruzalem reisde Jezus door Samaria en Galilea. 12Toen hij een dorp binnenging, kwamen er tien mensen met een huidziekte naar hem toe. Ze bleven op een afstand staan. 13Ze riepen naar Jezus: ‘Meester, heb medelijden met ons!’

14Toen Jezus hen zag, zei hij: ‘Ga naar een priester. Dan kan hij vaststellen dat jullie gezond zijn.’ Ze deden wat Jezus zei, en onderweg werden ze gezond.

Eén man komt terug en bedankt Jezus

15Eén van de tien ging terug naar Jezus. Hij zong en juichte voor God, omdat hij weer gezond was. Hij dankte God. Iedereen kon hem horen. 16En hij knielde voor Jezus om hem te bedanken. De man was geen Jood, maar kwam uit Samaria.

17Jezus zei tegen hem: ‘Er zijn toch tien mensen beter gemaakt? Waar zijn de andere negen? 18Jij komt als enige terug om God te eren. En je bent niet eens een Jood!’ 19Toen zei hij tegen de man: ‘Sta op en ga naar huis. Je bent gered dankzij je geloof.’

De dag dat Jezus terugkomt

Wanneer komt Gods nieuwe wereld?

20De farizeeën vroegen aan Jezus: ‘Wanneer komt Gods nieuwe wereld?’ Jezus antwoordde: ‘Je kunt niet zeggen wanneer de nieuwe wereld precies komt. 21En je kunt ook niet zeggen: ‘Kijk, hier is de nieuwe wereld!’ of ‘Kijk, daar!’ Maar jullie kunnen de nieuwe wereld nu al binnengaan, als jullie de juiste keuze maken.’

Iedereen zal de Mensenzoon zien komen

22Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Er komt een tijd dat jullie verlangen naar het moment waarop de Mensenzoon komt. Maar jullie zullen hem niet zien.

23In die tijd zullen de mensen tegen jullie zeggen: ‘Kijk, hier is de Mensenzoon!’ of ‘Kijk, daar is hij!’ Geloof die mensen niet! Loop ze niet achterna. 24Want als de Mensenzoon echt komt, zal iedereen hem zien. Net zoals iedereen de bliksem in de lucht kan zien.

25Maar eerst moet de Mensenzoon lijden. Hij zal als een vijand behandeld worden door de mensen die nu leven.

De Mensenzoon komt onverwacht

26De Mensenzoon zal onverwacht komen. Het zal net zo gaan als in de tijd van Noach. 27Toen waren de mensen bezig met gewone dingen: met eten, drinken en trouwen. Totdat de dag kwam dat Noach zijn boot in ging. Toen kwam plotseling de grote overstroming, en alle mensen verdronken.

28En het zal net zo gaan als in de tijd van Lot. Ook toen waren de mensen bezig met gewone dingen: met eten, drinken, kopen, verkopen, zaaien en bouwen. 29Totdat Lot wegging uit Sodom. Toen kwam er opeens vuur uit de hemel, en alle mensen gingen dood.

30Net zo plotseling zal ook de Mensenzoon komen.

Op die dag moet je alles achterlaten

31Stel dat je op die dag buiten bij je huis bent. Vlucht dan meteen weg. Ga niet eerst je huis in om nog iets te pakken. Ook als je op het land aan het werk bent, moet je meteen vluchten. Ga niet eerst terug naar huis. 32Denk aan de vrouw van Lot! Met haar liep het slecht af.

33Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar als je het verliest, zul je het juist voor altijd redden.

Niet iedereen mag mee

34Luister naar mijn woorden: Als de Mensenzoon komt, mag niet iedereen met hem mee. Als er bijvoorbeeld twee mensen in één bed slapen, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven. 35-36En als er twee vrouwen graan aan het malen zijn, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven.’

37Toen vroegen de leerlingen: ‘Heer, waar zal dat allemaal gebeuren?’ Jezus antwoordde: ‘Dat zien jullie vanzelf als het zover is. Net zoals je aan de gieren kunt zien waar een dood dier ligt.’

18

De vrouw en de rechter

181Jezus gaf een voorbeeld aan zijn leerlingen. Daarmee wilde hij laten zien hoe belangrijk het is om te blijven bidden en nooit op te geven.

2Jezus zei: ‘Er was eens een rechter in een stad. Hij had geen respect voor God en hij hield geen rekening met mensen. 3In dezelfde stad woonde ook een vrouw. Haar man was overleden. Omdat ze hulp nodig had, kwam ze steeds weer bij de rechter, en zei dan tegen hem: ‘Zorg dat ik krijg waar ik recht op heb.’

4-5Eerst wilde de rechter haar niet helpen. Maar na een tijdje dacht hij: Ik moet die vrouw toch maar helpen. Niet omdat ik bang ben voor God, of omdat die vrouw mij iets kan schelen. Maar omdat ik last van haar heb. Ze blijft maar langskomen, straks valt ze me nog aan!’

6Toen zei de Heer: ‘Kijk, zelfs zo’n oneerlijke rechter helpt mensen die volhouden. 7Dan zal God zeker de mensen helpen die hij zelf uitgekozen heeft. Mensen die dag en nacht om zijn hulp bidden, laat hij niet wachten.

8Luister naar mijn woorden: God zal snel komen om die mensen te helpen. Maar als de Mensenzoon terugkomt, zullen er dan nog gelovigen op aarde zijn?’

Uitleg over Gods nieuwe wereld

De farizeeër en de tollenaar

9Jezus gaf nog een voorbeeld. Dat was bedoeld voor mensen die zichzelf beter vinden dan anderen. 10Jezus zei: ‘Een farizeeër en een tollenaar gingen naar de tempel om te bidden. 11De farizeeër stond trots rechtop. En hij begon te bidden: ‘God, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen. Want die zijn oneerlijk, ze stelen en ze gaan vreemd. En ik dank u dat ik niet ben zoals die tollenaar daar. 12Ik betaal belasting aan de tempel over al mijn bezit. En ik vast twee keer per week om u te eren.’ 13Intussen stond de tollenaar helemaal achter in de tempel. Hij durfde zelfs niet omhoog te kijken. Hij huilde en zei: ‘God, ik ben een slecht mens. Heb medelijden met mij.’

14Luister naar mijn woorden: Toen de twee mannen naar huis gingen, was de tollenaar bevrijd van zijn schuld. Maar de farizeeër niet. Want God zal iedereen die zichzelf geweldig vindt, onbelangrijk maken. En juist mensen die zichzelf niets waard vinden, die zal God belangrijk maken.’

Jezus laat de kinderen bij zich komen

15Er waren mensen die kleine kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij de kinderen aan zou raken. Toen de leerlingen dat zagen, hielden ze die mensen tegen.

16Maar Jezus riep de kinderen bij zich. Hij zei: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen. Want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen. 17Luister goed naar mijn woorden: Je moet openstaan voor Gods nieuwe wereld. Net zoals een kind dat doet. Anders kun je er niet binnenkomen.’

Een rijke man komt bij Jezus

18Een rijke man vroeg aan Jezus: ‘Goede meester, hoe kan ik het eeuwige leven krijgen?’ 19Jezus zei tegen hem: ‘Je noemt mij goed, maar waarom? Alleen God is goed, verder niemand. 20En je weet toch welke regels er in de wet staan? Je mag niet vreemdgaan. Je mag niemand vermoorden. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. En je moet respect hebben voor je vader en je moeder.’

21Toen zei die man: ‘Ik houd me aan al die regels. Al mijn hele leven.’ 22Jezus antwoordde: ‘Er is nog één ding dat je moet doen. Verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan zul je in de hemel een grote beloning krijgen. Als je alles weggegeven hebt, kun je terugkomen en met mij meegaan.’

23Toen de man dat hoorde, was hij teleurgesteld. Want hij was heel rijk.

Het is moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen

24-25Toen Jezus zag dat de man teleurgesteld was, zei hij: ‘Het is heel moeilijk voor rijke mensen om in Gods nieuwe wereld te komen. Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan.’

26Toen de mensen dat hoorden, vroegen ze: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ 27Jezus zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af. En dan kan het wel.’

Je moet alles achterlaten

28Toen zei Petrus: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan.’

29-30Jezus antwoordde: ‘Luister goed naar mijn woorden: Als je kiest voor Gods nieuwe wereld, dan moet je bereid zijn om alles op te geven: je huis, je vrouw, je broers en je zussen, je ouders en je kinderen. Maar je krijgt er nu al veel voor terug. En als Gods nieuwe wereld komt, krijg je het eeuwige leven.’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

31Toen Jezus met zijn twaalf leerlingen alleen was, zei hij: ‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal alles gebeuren wat de profeten gezegd hebben over de Mensenzoon. 32-33Want de Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de ongelovigen. Die zullen hem bespotten en slecht behandelen. Ze zullen in zijn gezicht spugen en hem met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

34De leerlingen begrepen niet wat Jezus bedoelde. Ze snapten niet wat het betekende, ze konden het gewoon niet begrijpen.

Via Jericho naar Jeruzalem

Jezus maakt een blinde man beter

35Jezus kwam in de buurt van de stad Jericho. Daar zat een blinde bedelaar langs de kant van de weg. 36Toen hij hoorde dat er veel mensen voorbijliepen, vroeg hij: ‘Wat is er aan de hand?’

37De mensen vertelden hem dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam. 38De blinde man begon te roepen: ‘Jezus! Zoon van David! Heb medelijden met mij!’ 39De mensen zeiden: ‘Houd toch je mond!’ Maar de man begon nog veel harder te roepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met mij!’

40Toen bleef Jezus staan en zei: ‘Breng die man hier.’ De man kwam, en Jezus vroeg: 41‘Wat kan ik voor je doen?’ De blinde man antwoordde: ‘Heer, ik wil weer kunnen zien.’ 42Jezus zei: ‘Kijk om je heen! Je bent beter geworden dankzij je geloof.’

43Meteen kon de man weer zien. Hij ging met Jezus mee, en hij dankte God. Ook alle mensen die het zagen, dankten God.

19

Zacheüs wordt gered

191Toen ging Jezus de stad Jericho binnen. 2Daar woonde een man die Zacheüs heette. Zacheüs was het hoofd van de tollenaars, en hij was erg rijk. 3Hij wilde wel eens zien wie Jezus was. Maar dat lukte niet, want Zacheüs was klein, en er stonden veel mensen om Jezus heen. 4Daarom rende Zacheüs een stuk vooruit. En hij klom in een boom waar Jezus voorbij zou komen. Op die manier kon hij Jezus toch zien.

5Toen Jezus langs de boom liep, keek hij omhoog en zei: ‘Zacheüs, kom snel naar beneden! Want ik kom bij jou logeren.’ 6Zacheüs kwam meteen naar beneden. Hij was blij dat Jezus met hem mee naar huis ging. 7Maar de mensen klaagden. Ze zeiden: ‘Kijk nou, Jezus logeert bij een dief!’

8Toen zei Zacheüs tegen de Heer: ‘Ik beloof dat ik de helft van mijn bezit aan de armen zal geven. En als ik geld van iemand afgepakt heb, dan geef ik hem vier keer zo veel terug.’ 9Toen zei Jezus: ‘Zacheüs, je hoort weer bij het volk van Abraham. Jij en jouw gezin zijn vandaag gered. 10Want ik, de Mensenzoon, ben gekomen om mensen te redden die verkeerde dingen doen.’

Het voorbeeld van de tien dienaren

11De leerlingen hadden gehoord wat Jezus zei. Ze dachten: We zijn nu dicht bij Jeruzalem. Zodra we daar zijn, begint Gods nieuwe wereld.

Maar omdat de leerlingen dat dachten, gaf Jezus hun een voorbeeld. 12-13Hij zei: ‘Een belangrijke man gaat een verre reis maken. Hij roept tien van zijn dienaren bij zich. Hij geeft ze alle tien geld en zegt: ‘Gebruik dit geld om nog meer geld te verdienen, totdat ik weer terugkom.’

Daarna gaat de man op reis naar een ver land. Daar wordt hij koning gemaakt van zijn eigen volk. 14Maar de mensen van zijn volk willen dat niet. Ze haten hem. Daarom sturen ze boodschappers naar het verre land met het bericht: ‘Wij willen die man niet als koning.’ 15Maar de man wordt toch koning, en hij gaat terug naar zijn land.

Twee dienaren hebben het goed gedaan

Als de man weer thuiskomt, roept hij zijn dienaren bij zich. Hij wil weten hoeveel ze verdiend hebben met zijn geld. 16De eerste dienaar komt en zegt: ‘Heer, ik heb met uw geld tien keer zo veel verdiend.’ 17‘Uitstekend,’ zegt zijn heer, ‘jij bent een goede dienaar. Je hebt trouw gezorgd voor iets kleins. Daarom geef ik jou de leiding over tien steden.’

18De tweede dienaar komt en zegt: ‘Heer, ik heb met uw geld vijf keer zo veel verdiend.’ 19En de heer zegt: ‘Ik geef jou de leiding over vijf steden.’

Eén dienaar heeft het slecht gedaan

20Maar dan komt de derde dienaar en die zegt: ‘Heer, hier is uw geld terug. Ik heb het voor u bewaard in een doek. 21Want u bent een strenge meester en ik ben bang voor u. Voor u is het nooit genoeg, u wilt altijd meer.’

22De heer zegt: ‘Jij bent een slechte dienaar. Je weet dat ik een strenge meester ben. Dat heb je net zelf gezegd. Je weet dat het voor mij nooit genoeg is en dat ik altijd meer wil. 23Waarom heb je mijn geld dan niet naar de bank gebracht? Dan had ik het nu met rente terug kunnen krijgen.’

24Daarna zegt de heer tegen de mensen om zich heen: ‘Pak het geld van deze dienaar af! En geef het aan de dienaar die tien keer zo veel verdiend heeft.’ 25De mensen antwoorden: ‘Maar heer, die dienaar heeft al het meeste geld!’

26Dan zegt de heer: ‘Luister naar mijn woorden: Iedereen die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iedereen die bijna niets heeft, raakt ook het laatste nog kwijt. 27En breng nu de mensen hier die niet wilden dat ik koning werd. Dat zijn mijn vijanden. Breng hen hier en dood hen.’’

28Toen Jezus dat voorbeeld gegeven had, reisde hij verder naar Jeruzalem.

Twee leerlingen gaan een ezel halen

29Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van de dorpen Betfage en Betanië, bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit. 30Hij zei tegen hen: ‘Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar een jonge ezel zien, die vastgebonden staat. Er heeft nog nooit iemand op gereden. Maak hem los en breng hem hier. 31Misschien vraagt iemand: ‘Wat doen jullie daar?’ Dan moet je zeggen: ‘De Heer heeft deze ezel nodig.’’

32De twee leerlingen gingen naar het dorp. Daar gebeurde alles precies zoals Jezus gezegd had. 33Toen de leerlingen de ezel losmaakten, vroegen de eigenaars: ‘Wat doen jullie daar?’ 34De leerlingen zeiden: ‘De Heer heeft deze ezel nodig.’

Jezus rijdt op de ezel naar Jeruzalem

35De leerlingen brachten de ezel bij Jezus. Ze legden hun jassen op de rug van de ezel, en lieten Jezus erop zitten. 36Andere leerlingen legden hun jas op de weg. 37Zo ging Jezus naar Jeruzalem. Toen hij van de Olijfberg begon af te dalen, werden al zijn leerlingen blij. Ze dankten God voor alle wonderen die ze gezien hadden. Ze juichten en riepen: 38‘Leve de koning, de man die door God gestuurd is! Vrede in de hemel en alle eer aan God!’

39Tussen de mensen stonden ook een paar farizeeën. Zij zeiden tegen Jezus: ‘Meester, zeg tegen uw leerlingen dat ze stil moeten zijn!’ 40Maar Jezus antwoordde: ‘Luister naar mijn woorden: Als mijn leerlingen stil zouden zijn, dan zouden de stenen gaan juichen en roepen!’

Jezus huilt om Jeruzalem

41Jezus was nu dicht bij Jeruzalem. Toen hij de stad zag, begon hij te huilen. 42Hij zei: ‘Jeruzalem, je inwoners hebben niet geluisterd! Vandaag is de vrede heel dichtbij voor hen, maar dat zien ze niet. 43Daarom zullen hun vijanden komen. Die zullen jou aanvallen, Jeruzalem. Ze komen van alle kanten, ze zullen je omsingelen. 44Ze zullen je vernietigen. Ze zullen al je inwoners doden en alle huizen verwoesten.

Jeruzalem, ik ben gekomen om vrede te brengen. Maar jouw inwoners hebben dat niet begrepen. Daarom zullen al die dingen gebeuren.’

Jezus geeft uitleg in de tempel

Jezus jaagt handelaars weg uit de tempel

45Daarna ging Jezus de tempel binnen en begon de handelaars weg te jagen. 46Hij zei tegen hen: ‘In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats om te bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!’

47Jezus was elke dag in de tempel om uitleg te geven over God. De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk wilden hem doden. 48Maar ze wisten niet hoe. Want er waren steeds heel veel mensen bij Jezus, omdat ze graag naar hem luisterden.