Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Het voorbeeld van de slimme dienaar

161Jezus gaf de leerlingen nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Een rijke man had een dienaar die zijn zaken regelde. Maar de mensen klaagden bij de rijke man. Ze zeiden dat die dienaar slecht omging met het bezit van de rijke man. 2Toen riep de rijke man zijn dienaar en zei: ‘Ik hoor van iedereen dat jij oneerlijk bent. Daarom kun je niet langer mijn dienaar zijn. Lever alle rekeningen bij mij in.’

3De dienaar dacht: Ik word ontslagen! Wat moet ik doen? Werken op het land kan ik niet. En ik schaam me ervoor om een bedelaar te worden. 4Ik weet het al! Ik zorg ervoor dat ik vrienden krijg. Die kunnen dan voor me zorgen als ik geen werk meer heb.

5Toen riep de dienaar iedereen bij zich die schulden had bij zijn heer. Hij vroeg aan de eerste: ‘Hoe groot is je schuld?’ 6Die antwoordde: ‘Honderd vaten olijfolie.’ De dienaar zei: ‘Hier is je rekening. Maak er snel vijftig vaten van.’ 7Toen vroeg hij aan de volgende: ‘Hoe groot is jouw schuld?’ Die antwoordde: ‘Honderd zakken graan.’ De dienaar zei: ‘Hier is je rekening. Maak er maar tachtig zakken van.’

8De heer zei tegen zijn dienaar: ‘Goed gedaan! Je hebt je probleem slim opgelost.’’

Jezus zei: ‘De mensen die bij deze wereld horen, gaan slim met anderen om. Veel slimmer dan de mensen die bij het licht horen. 9Luister naar mijn woorden: Gebruik dat ellendige geld om vrienden te maken. Er komt een moment dat je niets meer aan je geld hebt. Dan zullen jullie welkom zijn in de hemel.’

Je moet kiezen tussen God en het geld

10Jezus zei ook: ‘Als je te vertrouwen bent met kleine dingen, dan ben je ook te vertrouwen met grote dingen. En als je oneerlijk bent over kleine dingen, dan ben je ook oneerlijk over grote dingen. 11Als jullie al niet te vertrouwen zijn met dat ellendige geld, dan vertrouwt niemand jullie met dingen die echt belangrijk zijn. 12En als je niet te vertrouwen bent met dingen van een ander, dan zal God je niet geven wat voor jou bestemd is.

13Je kunt geen trouwe dienaar zijn van twee bazen tegelijk. Want je zult altijd meer liefde hebben voor de één dan voor de ander. En je zult altijd meer respect hebben voor de één dan voor de ander. Je kunt dus niet tegelijk voor God en voor het geld leven.’

14De farizeeën, die van geld hielden, hoorden die dingen en lachten Jezus uit. 15Toen zei Jezus tegen hen: ‘Jullie vinden het belangrijk om indruk te maken op mensen. Maar God weet hoe jullie van binnen zijn. En alles wat mensen geweldig vinden, dat vindt God verschrikkelijk.’

De hele wet blijft geldig

16Jezus zei verder: ‘Eerst waren er alleen de heilige boeken van Mozes en de profeten. Toen kwam Johannes de Doper. Sinds dat moment wordt er verteld over Gods nieuwe wereld. En tegen iedereen wordt gezegd: ‘Je moet Gods nieuwe wereld binnengaan!’

17Maar de wet zal altijd blijven bestaan, er zal zelfs geen komma uit de wet verdwijnen. Je zult nog eerder de hemel en de aarde zelf zien verdwijnen. 18De volgende regel blijft dus altijd gelden: ‘Een gescheiden man die trouwt met een andere vrouw, gaat vreemd. En een man die trouwt met een gescheiden vrouw, gaat ook vreemd.’’

De rijke man en de arme Lazarus

19Daarna gaf Jezus dit voorbeeld: ‘Er was eens een rijke man. Hij droeg de mooiste en duurste kleren, en hij vierde elke dag feest. 20-21Er was ook een arme man, met allemaal vieze wonden op zijn lichaam. Die man heette Lazarus.

Lazarus lag voor de deur van de rijke man. Zo hoopte hij wat restjes eten te krijgen. Maar hij kreeg niets. Er kwamen alleen honden, die aan zijn wonden likten.

22Op een dag ging Lazarus dood. Engelen namen hem mee en brachten hem bij Abraham. Lazarus mocht naast Abraham zitten.

Ook de rijke man ging dood en werd begraven. 23Hij kwam in de hel en had heel veel pijn. In de verte zag hij Abraham zitten, en daarnaast zat Lazarus. 24De rijke man riep: ‘Vader Abraham, heb medelijden met mij! Ik heb zo veel pijn in dit vuur! Stuur Lazarus naar me toe. Laat hem met zijn vinger een druppeltje water op mijn tong leggen.’

25Maar Abraham zei: ‘Mijn zoon, jij hebt het toch goed gehad tijdens je leven, terwijl Lazarus het slecht had? Nu wordt hij getroost, maar jij moet pijn lijden. 26Bovendien is er een diepe afgrond tussen ons. Daardoor kunnen wij niet bij jullie komen, en jullie kunnen niet bij ons komen.’

27Toen riep de rijke man naar Abraham: ‘Wilt u Lazarus dan alstublieft naar mijn familie sturen? 28Laat hem mijn vijf broers waarschuwen. Anders komen zij ook in de hel, net als ik.’

29Maar Abraham zei: ‘Je broers hebben de wet van Mozes en de boeken van de profeten. Laten ze daar maar naar luisteren.’ 30Toen zei de rijke man: ‘Maar daar luisteren ze niet naar! Ze zullen hun leven pas veranderen als er een dode naar hen toe komt.’

31Maar Abraham zei: ‘Je zegt dat je broers niet luisteren naar Mozes en de profeten. Dan zullen ze ook niet luisteren naar iemand die opstaat uit de dood.’’