Bijbel in Gewone Taal (BGT)
10

De leerlingen gaan op reis

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

101De Heer koos 72 leerlingen uit. Hij stuurde hen twee aan twee op weg, naar alle plaatsen waar hij zelf ook heen wilde gaan.

2Hij zei tegen de leerlingen: ‘Het goede nieuws moet overal verteld worden. Maar er zijn te weinig mensen om dat te doen. Vraag daarom aan God of hij meer mensen stuurt. Dan kan het goede nieuws overal verteld worden.

3Ga nu op weg! Maar let op, want het zal gevaarlijk zijn voor jullie. Net zo gevaarlijk als het voor lammetjes is om tussen wolven te lopen. 4Neem geen geld mee, en ook geen tas of schoenen. En groet niemand onderweg.’

Wat de leerlingen onderweg moeten doen

5Jezus zei verder: ‘Als je een huis binnengaat, zeg dan eerst: ‘Ik wens dit huis vrede.’ 6Als daar iemand woont die vrede wil, dan komt daar ook vrede. Maar als daar niet zo iemand woont, dan komt daar geen vrede. 7En ga niet steeds naar een volgend huis, maar blijf in het huis waar je ontvangen wordt. Eet en drink wat de mensen je geven. Daar hebben jullie recht op, want jullie werken hard.

8Als je in een stad komt waar je welkom bent, kun je eten wat de mensen je geven. 9Maak daar de zieke mensen beter en zeg tegen hen: ‘Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

10Maar soms ben je niet welkom in een stad. Dan moet je de straat op gaan en zeggen: 11‘We vegen het stof van jullie stad van onze voeten. Want jullie hebben de verkeerde keus gemaakt. Maar denk erom: Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

12Luister naar mijn woorden: Als God rechtspreekt over de wereld, zal hij zo’n stad zwaar straffen. Nog zwaarder dan Sodom.’

Wie niet luistert, wordt gestraft

13Jezus zei ook: ‘Jullie daar, inwoners van Chorazin en Betsaïda! Jullie zullen gestraft worden. Jullie hebben veel wonderen gezien, maar jullie hebben niet geluisterd. Stel dat de mensen in Tyrus en Sidon al die wonderen meegemaakt hadden. Dan hadden ze allang laten zien dat ze spijt hadden van hun fouten. En dan hadden ze hun leven veranderd! 14Luister! Als God rechtspreekt over de wereld, zal hij jullie zwaar straffen. Nog zwaarder dan Tyrus en Sidon.

15En jullie daar in Kafarnaüm. Denk je dat jullie welkom zijn in de hemel? Nee, jullie komen in de hel terecht!’

16Tegen zijn leerlingen zei Jezus: ‘Iedereen die naar jullie luistert, die luistert naar mij. En iedereen die nee tegen jullie zegt, die zegt nee tegen mij. En niet alleen tegen mij, maar ook tegen God, die mij gestuurd heeft.’

De leerlingen komen terug van hun reis

17De 72 leerlingen kwamen terug van hun reis. Ze waren blij en zeiden: ‘Heer, zelfs de kwade geesten gehoorzaamden ons toen we uw naam noemden.’

18-19Jezus zei tegen hen: ‘Luister! Jullie kunnen zonder gevaar op slangen en giftige spinnen gaan staan. Zo sterk heb ik jullie gemaakt. Niets kan jullie nog kwaad doen. Want ik heb gezien dat Satan uit de hemel gevallen is en zijn macht is kwijtgeraakt.

20Maar jullie moeten niet blij zijn omdat de geesten jullie gehoorzamen. Nee, jullie moeten blij zijn omdat het eeuwige leven voor jullie bestemd is.’

Jezus kent God en vertelt over hem

21Op dat moment liet de heilige Geest Jezus juichen van vreugde. Jezus riep: ‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u! Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen. Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen. Ja, Vader, zo wilde u het.’

22Daarna zei Jezus: ‘Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven. Alleen de Vader kent de Zoon. En alleen de Zoon kent de Vader. En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’

23Daarna draaide Jezus zich om naar zijn leerlingen. En alleen tegen hen zei hij: ‘Het echte geluk is voor jullie. Want jullie zien alle bijzondere dingen die ik doe. 24Luister naar mijn woorden: Veel profeten en koningen hadden graag gezien en gehoord wat jullie nu meemaken. Zij hebben het niet gezien of gehoord, maar jullie wel.’

Een Samaritaan helpt

Een wetsleraar stelt Jezus een vraag

25Er kwam een wetsleraar naar Jezus toe. Hij wilde Jezus iets verkeerds laten zeggen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ 26Jezus zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Wat lees je daar?’

27De man antwoordde: ‘Houd van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht. En houd evenveel van je medemensen als van jezelf.’ 28Toen zei Jezus: ‘Dat is het goede antwoord. Als je dat doet, zul je eeuwig leven.’

Jezus vertelt over een man op reis

29De wetsleraar wilde laten zien dat hij de wet beter kende dan Jezus. Daarom vroeg hij: ‘Wie is mijn medemens dan?’

30Toen vertelde Jezus een verhaal. Hij zei: ‘Een man reisde van Jeruzalem naar Jericho. Maar onderweg werd hij door rovers overvallen. Ze pakten alles van hem af, ook zijn kleren. Ze sloegen hem halfdood, en lieten hem liggen.

31Toevallig kwam er een priester langs. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg. 32Toen er even later een hulppriester langskwam, gebeurde hetzelfde. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg.

Een Samaritaan helpt de man

33Toen kwam er een vreemdeling langs, een Samaritaan. Hij zag de man liggen en kreeg medelijden. 34Daarom ging hij naar hem toe. Hij verzorgde de wonden van de man met olie en wijn. En hij deed er verband om. Toen zette hij de man op zijn eigen ezel en bracht hem naar een herberg. Daar zorgde hij voor hem. 35De volgende dag gaf de Samaritaan geld aan de eigenaar van de herberg en zei: ‘Zorg goed voor de man. Als het je meer geld kost, krijg je dat van me op mijn terugreis.’’

36Toen vroeg Jezus: ‘Wat denk je? Wie was de medemens van de man die overvallen werd? De priester, de hulppriester of de Samaritaan?’ 37De wetsleraar antwoordde: ‘De Samaritaan, want die was goed voor de gewonde man.’ Toen zei Jezus: ‘Doe dan voortaan net zoals de Samaritaan.’

Jezus geeft uitleg

Marta zorgt voor Jezus

38Jezus en zijn leerlingen gingen verder, en kwamen bij een dorp. Daar woonde een vrouw die Jezus uitnodigde om bij haar thuis te komen. Ze heette Marta, 39en haar zus heette Maria.

Maria ging bij de Heer zitten en luisterde aandachtig naar zijn woorden. 40Maar Marta was druk bezig met de zorg voor het eten en drinken. Ze vroeg aan Jezus: ‘Heer, mijn zus laat mij alles alleen doen. Dat kan toch niet? Zeg tegen haar dat ze mij moet komen helpen.’

41Toen zei de Heer tegen haar: ‘Marta, Marta, maak je toch niet altijd zo veel zorgen! 42Er is maar één ding echt belangrijk: dat je luistert naar mijn woorden. Maria heeft dus de goede keuze gemaakt. Mijn woorden zullen altijd bij haar blijven.’

11

Jezus legt uit hoe je moet bidden

111Op een keer was Jezus aan het bidden. Toen hij klaar was, zei één van zijn leerlingen tegen hem: ‘Heer, leer ons hoe we moeten bidden. Want ook Johannes heeft zijn leerlingen leren bidden.’ 2En Jezus zei: ‘Zo moeten jullie bidden:

Vader,

laat iedereen u eren.

Laat uw nieuwe wereld komen.

3Geef ons elke dag het eten dat we nodig hebben.

4En vergeef ons wat we fout gedaan hebben,

want wij vergeven ook andere mensen hun fouten.

Help ons om nooit tegen u te kiezen.’

Een vraag in de nacht

5Daarna zei Jezus: ‘Stel dat je midden in de nacht naar het huis van een vriend gaat en roept: ‘Kan ik drie broden van je lenen? 6Want ik heb plotseling bezoek gekregen. Het is een vriend van me, die op reis is. Maar ik heb geen eten voor hem in huis.’

7Wat denk je dat er dan gebeurt? Zal je vriend binnenblijven en roepen: ‘Laat me met rust! De deur is allang op slot, de kinderen en ik liggen al in bed. Ik kan nu niet opstaan om je iets te geven’? 8Nee! Luister naar mijn woorden: Je vriend zal opstaan en je alles geven wat je nodig hebt. Niet alleen omdat hij je vriend is. Maar vooral omdat jij zo onbeleefd was om het te vragen.

Als je iets vraagt, zul je het krijgen

9Luister daarom naar mijn woorden: Als je iets vraagt, zul je het krijgen. Als je iets zoekt, zul je het vinden. Als je op de deur klopt, wordt er voor je opengedaan. 10Want iedereen die om iets vraagt, zal het krijgen. En iedereen die iets zoekt, zal het vinden. En voor iedereen die klopt, wordt de deur opengedaan.

11Niemand geeft zijn kind een slang als het om een vis vraagt. 12Of een giftige spin als het om een ei vraagt. 13Jullie zorgen goed voor je kinderen, ook al zijn jullie slechte mensen. Dan zal jullie hemelse Vader zeker goed voor jullie zorgen. Hij geeft de heilige Geest aan mensen die daarom vragen.’

Verbazing en ongeloof

14Jezus jaagde een kwade geest weg uit een man die niet kon praten. Toen de geest weg was, kon de man praten. De mensen waren verbaasd.

15Maar sommigen zeiden: ‘Jezus kan kwade geesten wegjagen omdat Satan hem helpt. Want Satan is de leider van de kwade geesten.’ 16En anderen zeiden tegen Jezus: ‘Bewijs maar eens met een teken dat u door God gestuurd bent.’ Ze wilden laten zien dat Jezus dat niet kon.

Jezus krijgt geen hulp van Satan

17Jezus wist wat de mensen dachten. Hij zei: ‘Een land dat oorlog voert tegen zichzelf, wordt leeg en verlaten. Daar storten alle huizen in.

18-19Met Satan is het net zo. Want als ik kwade geesten wegjaag met hulp van Satan, dan vecht Satan tegen zichzelf. En dan vernietigt hij zijn eigen macht.

Jullie beweren dat ik kwade geesten wegjaag met hulp van Satan. Maar jullie eigen mensen jagen ook kwade geesten weg. Dat doen ze toch ook niet met hulp van Satan? Zij zijn dus het bewijs dat jullie ongelijk hebben.

20Ik jaag de kwade geesten weg met de macht van God. Daaraan kunnen jullie zien dat Gods nieuwe wereld gekomen is.

21Het huis van een sterke, gewapende man kun je niet zomaar leegroven. De man bewaakt zijn huis goed, zijn bezittingen zijn veilig. 22Totdat er iemand komt die nog sterker is dan die man, en hem verslaat. Dan verliest die man alles. Al zijn spullen worden meegenomen, ook de wapens waarop hij vertrouwde.

23Iedereen die niet voor mij kiest, is mijn vijand. Als je mij niet helpt, dan help je Satan. Ik breng mensen bij God, maar Satan houdt mensen juist bij God weg.’

Een verhaal over een kwade geest

24Jezus zei: ‘Stel je eens voor: Een kwade geest woont in een man. Op een dag gaat die kwade geest uit hem weg. De geest zwerft door de woestijn. Hij zoekt een plek om te rusten, maar vindt die niet. Dan denkt hij: Ik ga terug naar huis, naar de man in wie ik eerst woonde.

25De kwade geest komt terug en ziet dat zijn huis schoon is. Het is klaar om in te wonen. 26Dan roept hij er zeven andere geesten bij, die nog erger zijn dan hijzelf. En allemaal gaan ze in die man wonen. Dan gaat het met hem nog slechter dan daarvoor.’

Jezus zegt voor wie het echte geluk is

27Terwijl Jezus nog aan het praten was, riep een vrouw: ‘Een vrouw die een zoon krijgt zoals u, heeft geluk!’ 28Maar Jezus zei: ‘Het echte geluk is voor mensen die luisteren naar God, en doen wat hij wil.’

Jezus geeft het voorbeeld van Jona

29Er kwamen steeds meer mensen naar Jezus toe. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zijn slechte mensen. Jullie vragen om een teken. Maar het enige teken dat jullie krijgen, is het voorbeeld van de profeet Jona. 30Jona was een teken voor de inwoners van de stad Nineve. Net zo zal de Mensenzoon een teken zijn voor jullie.’

31En Jezus zei verder: ‘Op een dag zal God rechtspreken over de wereld. Dan zullen jullie voor hem staan, samen met de koningin van het Zuiden. God zal jullie straffen, maar haar niet. Want zij kwam uit een ver land om te luisteren naar de wijsheid van koning Salomo. Nu staat hier iemand die belangrijker is dan Salomo. Maar jullie luisteren niet.

32Op een dag zal God rechtspreken over de wereld. Dan zullen jullie voor hem staan, samen met de inwoners van de stad Nineve. God zal jullie straffen, maar hen niet. Want toen de profeet Jona hen waarschuwde, hebben zij hun leven veranderd. Nu staat hier iemand die belangrijker is dan Jona. Maar jullie luisteren niet.

Je moet doen wat God wil

33Niemand zet een brandende lamp onder in een kast. Je zet een lamp juist hoog. Dan kan iedereen die binnenkomt, het licht goed zien.

34Elk mens kan licht uitstralen. Als je doet wat God wil, dan straal je licht uit. Maar als je niet doet wat God wil, dan straal je geen licht uit. 35Zorg dus dat je doet wat God wil. 36Als je dat altijd doet, dan straal je overal om je heen licht uit. Dan ben je net als een lamp.’

Kritiek op farizeeën en wetsleraren

Jezus heeft kritiek op de farizeeën

37Toen Jezus uitgesproken was, kwam er een farizeeër naar hem toe. Die nodigde hem uit om bij hem thuis te komen eten. Jezus ging mee, en hij ging meteen aan tafel. 38De farizeeër was verbaasd dat Jezus zich niet eerst waste voor het eten.

39Toen zei de Heer tegen hem: ‘Jullie farizeeën vinden het belangrijk om dingen aan de buitenkant schoon te maken. Maar het is veel belangrijker hoe je van binnen bent. En van binnen zitten jullie vol met slechte dingen! 40Jullie begrijpen er niets van. God heeft niet alleen de buitenkant gemaakt, maar ook de binnenkant. 41Je moet goed zijn voor arme mensen. Dan ben je van binnen goed, en dat is voor God het belangrijkste.’

De farizeeën zijn van binnen slecht

42Jezus zei ook tegen de farizeeën: ‘Jullie houden je aan de kleinste regeltjes. Jullie betalen zelfs belasting over alle kruiden in je tuin. Maar dat is niet genoeg. Je moet andere mensen goed behandelen, en God liefhebben. Maar dat doen jullie niet. Daarom zullen jullie gestraft worden.

43Jullie willen de beste plaatsen hebben in de synagoge. En jullie willen beleefd gegroet worden op straat. Daarom zullen jullie gestraft worden.

44De mensen weten niet dat jullie van binnen slecht zijn. En doordat ze naar jullie luisteren, worden ze zelf ook slecht. Daarom zullen jullie gestraft worden.’

Jezus heeft kritiek op de wetsleraren

45Eén van de wetsleraren zei tegen Jezus: ‘Meester, u zegt dat tegen de farizeeën. Maar daarmee beledigt u ons ook.’ 46Jezus antwoordde: ‘Wetsleraren, ook jullie zullen gestraft worden. Want jullie geven de mensen moeilijke regels. Maar zelf houden jullie je aan geen enkele regel.’

Straf voor de mensen die nu leven

47Jezus zei tegen de wetsleraren: ‘Jullie maken prachtige monumenten voor de profeten van vroeger. Maar jullie eigen voorouders hebben hen gedood! 48Zij hebben de profeten gedood, en nu maken jullie monumenten voor de dode profeten. Daarmee laten jullie zien dat je het eens bent met je voorouders. En daarom zullen jullie gestraft worden.

49-50Nu volgt het wijze plan van God. God zegt: ‘Ik zal profeten en apostelen sturen naar de mensen die nu leven. Zij zullen sommige profeten vermoorden, en andere mishandelen. En dan zal ik de mensen die nu leven, straffen voor hun slechtheid. Ik ga hen straffen voor alle profeten die vermoord zijn, vanaf het begin van de wereld tot nu. 51Van de moord op Abel tot de moord op Zecharja, die werd vermoord bij het altaar in de tempel. Ja, luister naar mijn woorden: De mensen die nu leven, zullen voor al die moorden gestraft worden.’’

Nog meer kritiek op de wetsleraren

52Jezus zei ook tegen de wetsleraren: ‘Jullie weten hoe je goed moet leven, maar jullie doen het niet. En jullie houden de mensen tegen die wel proberen om goed te leven. Daarom zullen jullie gestraft worden.’ 53-54Toen ging Jezus weg.

De wetsleraren en de farizeeën waren woedend op Jezus. Vanaf toen gingen ze hem allerlei vragen stellen. Ze hoopten dat hij iets strafbaars zou zeggen. Want dan konden ze hem gevangen laten nemen.

12

Jezus waarschuwt voor de farizeeën

121Intussen waren er duizenden mensen naar Jezus toe gekomen. Het was zo druk dat de mensen tegen elkaar aan stonden te duwen.

Jezus begon eerst tegen zijn leerlingen te spreken. Hij zei: ‘Pas op voor de gevaarlijke invloed van de farizeeën. Zij zijn schijnheilig. Pas op dat jullie dat niet worden. 2Want alles wat verborgen is, zal zichtbaar worden. En alles wat geheim is, zal bekend worden. 3Nu is alles waarover jullie praten, nog geheim. Maar straks zal iedereen het te horen krijgen.’

De leerlingen moeten niet bang zijn

4Jezus zei verder: ‘Vrienden, jullie moeten niet bang zijn voor mensen. Ze kunnen je doden, maar daarna kunnen ze je niets meer doen. 5Jullie moeten bang zijn voor God, want hij kan je doden en je daarna in de hel gooien.

6Mussen kosten bijna niets. Je hebt er al vijf voor een paar cent. En toch vergeet God geen enkele mus. 7Jullie zijn voor God veel belangrijker dan mussen. God weet zelfs hoeveel haren jullie op je hoofd hebben. Je hoeft dus niet bang te zijn.

De leerlingen moeten zeggen dat ze bij Jezus horen

8Luister naar mijn woorden: Jullie moeten aan de mensen vertellen dat je bij mij hoort. Dan zal ik ook tegen de engelen van God zeggen dat jullie bij mij horen. 9Maar stel dat jullie tegen de mensen zeggen: ‘Ik ken Jezus niet.’ Dan zal ik ook tegen de engelen zeggen dat ik jullie niet ken.

10Als iemand slechte dingen zegt over de Mensenzoon, kan hij vergeving krijgen. Maar als iemand de heilige Geest beledigt, kan hij geen vergeving krijgen.

11Stel dat ze jullie naar een synagoge brengen, of naar een bestuurder of machthebber. Maak je dan geen zorgen over wat je moet zeggen, of hoe je het moet zeggen. 12Want als het zover is, zal de heilige Geest jullie de juiste woorden geven.’

Geld is niet belangrijk

Het voorbeeld van de rijke man

13Daarna zei iemand uit de groep mensen tegen Jezus: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.’ 14Maar Jezus zei: ‘Het is niet mijn taak om te beslissen over dat soort dingen.’ 15Ook zei hij: ‘Pas op voor het verlangen naar steeds meer bezit. Kijk daarvoor uit. Je kunt heel veel bezitten, maar je leven kun je nooit bezitten.’

16Toen gaf Jezus de mensen dit voorbeeld: ‘Een rijke man heeft een groot stuk land dat vol staat met koren. 17Hij denkt: Wat moet ik doen? In mijn schuren is niet genoeg plaats voor al het graan. 18Dan denkt de man: Weet je wat? Ik breek mijn oude schuren af en ik bouw nieuwe schuren die veel groter zijn. Daarin bewaar ik dan het graan en al mijn bezit. 19Dan kan ik tegen mezelf zeggen: Zo, nu ben ik rijk. Ik heb genoeg om jaren van te leven! Ik ga nu lekker uitrusten, eten, drinken en feestvieren.

20Maar God zegt tegen hem: ‘Je bent een domme man. Want vannacht zul je sterven. En voor wie is dan je rijkdom?’’

21Toen zei Jezus: ‘Zo loopt het af met iemand die alleen maar leeft om rijk te worden. Want zo iemand heeft wel heel veel bezit, maar bij God heeft hij bijna niets.’

Je moet je geen zorgen maken

22-23Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Luister naar mijn woorden: Maak je geen zorgen over eten. Want je leven is veel belangrijker dan eten. En maak je geen zorgen over kleren. Want je lichaam is veel belangrijker dan kleren.

24Kijk eens naar de vogels. Ze werken niet op het land en ze hebben geen kelder of schuur. God geeft ze te eten. En jullie zijn voor hem veel belangrijker dan de vogels. 25Maak je dus geen zorgen. Dat heeft geen zin. Je blijft er geen dag langer door leven. 26En als dat je al niet lukt, waarom zou je je dan nog zorgen maken over de rest?

27Kijk eens naar de bloemen. Ze werken niet en ze maken geen kleren. Toch zijn ze prachtig. Ja, zelfs nog mooier dan koning Salomo in zijn mooiste kleren. 28Het gras dat vandaag op het veld staat, wordt morgen gebruikt om een vuur te maken. En toch versiert God het gras met prachtige bloemen. Dan zal God zeker voor jullie zorgen! Waarom vertrouwen jullie dan niet op hem?

29Maak je dus geen zorgen. Vraag niet: ‘Hoe komen we aan eten?’ of: ‘Hoe komen we aan drinken?’ 30Met die dingen houden de mensen zich bezig die God niet kennen. Je Vader weet echt wel dat je die dingen nodig hebt. 31Houd je bezig met Gods nieuwe wereld. Dan zal God je die andere dingen ook geven.

32Wees niet bang, ook al zijn jullie maar met weinig gelovigen. Want de nieuwe wereld is voor jullie. Zo wil God dat.’

Je moet je bezit verkopen

33Jezus zei verder: ‘Verkoop je bezit en geef het geld aan de armen. Zorg dat je rijk wordt in de hemel. Want in de hemel raakt je geld nooit op. Je zult het daar ook nooit verliezen, en het zal er nooit gestolen worden. 34Leef daarom op zo’n manier dat je rijk wordt in de hemel.’

De Mensenzoon komt onverwacht

Blijf goed opletten

35Jezus zei: ‘Zorg dat je klaarstaat en goed oplet. 36Net zoals knechten die wachten op hun heer. Hij komt laat thuis van een feest. Maar als hij op de deur klopt, doen de knechten meteen open.

37-38Het echte geluk is voor zulke knechten. Knechten die wakker zijn als hun heer komt, zelfs al is het midden in de nacht. Luister goed naar mijn woorden: De heer zal voor die knechten klaarstaan. Hij zal hen behandelen als belangrijke gasten, en hij zal zelf hun eten komen brengen.

39-40Stel dat je van tevoren weet wanneer er een dief komt. Dan zorg je ervoor dat die dief niet bij je kan inbreken. Maar jullie weten niet wanneer de Mensenzoon komt. Dus moeten jullie altijd klaarstaan. Onthoud dat goed!’

Het voorbeeld van de twee dienaren

41Toen vroeg Petrus: ‘Heer, was dat voorbeeld bedoeld voor iedereen? Of alleen voor ons?’ 42De Heer antwoordde: ‘Wat doet een dienaar die trouw en verstandig is? Stel dat zijn heer op reis gaat. Hij geeft zijn dienaar de opdracht om goed te zorgen voor al het personeel. 43-44Op een dag komt de heer terug. En hij ziet dat de dienaar inderdaad goed zorgt voor het personeel. Luister goed naar mijn woorden: Die dienaar krijgt een beloning! De heer zal hem verantwoordelijk maken voor zijn hele bezit.

45Maar stel dat die dienaar denkt: Mijn heer komt voorlopig niet terug. En hij begint het personeel te slaan. Hij eet zich vol en wordt dronken. 46Stel dat de heer dan terugkomt op een moment dat de dienaar hem helemaal niet verwacht. Dan zal de heer hem de zwaarste straf geven. Net zo’n zware straf als de ongelovige mensen zullen krijgen.

Wie veel krijgt, moet ook veel geven

47Stel dat een dienaar weet wat zijn heer wil, maar het niet doet. Dan zal hij zwaar gestraft worden. 48Maar stel dat een dienaar niet weet wat zijn heer wil, en dan iets verkeerds doet. Dan zal hij minder zwaar gestraft worden.

Want als God je veel geeft, dan vraagt hij er ook veel voor terug. En als je veel voor God mag doen, dan zal hij ook veel van je verwachten.’

Jezus brengt geen vrede

49Jezus zei: ‘Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen. Wat zou ik graag willen dat het vuur al brandde! 50Ik zal zwaar moeten lijden. Wat zou ik graag willen dat het al gebeurd was!

51Denken jullie dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Nee, ik breng helemaal geen vrede. Door mij worden mensen juist vijanden van elkaar. 52Vanaf nu komt er in elke familie ruzie. 53Vaders en zonen krijgen ruzie met elkaar. Moeders en dochters krijgen ruzie met elkaar. En ook schoonmoeders en schoondochters krijgen ruzie met elkaar.’

Het gaat om de juiste beslissing

54Jezus zei tegen de mensen: ‘Als jullie een wolk zien in het westen, dan zeggen jullie meteen: ‘Er komt regen.’ En dat gebeurt dan ook. 55En als het waait vanuit het zuiden, dan zeggen jullie: ‘Het wordt warm vandaag.’ En ook dat gebeurt. 56Wat zijn jullie schijnheilig! Alle gewone gebeurtenissen begrijpen jullie precies. Maar wat er op dit moment voor bijzonders gebeurt, dat willen jullie niet begrijpen!

57Bedenk wat goed is om te doen en neem een beslissing. Er is niet veel tijd meer. 58Het is alsof je op weg bent naar de rechter, samen met de man aan wie je geld schuldig bent. Probeer het onderweg met hem op te lossen. Want anders is het te laat en brengt hij je voor de rechter. En de rechter zorgt ervoor dat je wordt opgesloten in de gevangenis.

59Luister naar mijn woorden: Je komt die gevangenis pas uit als je je schuld helemaal betaald hebt.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]