Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

Jezus vertelt over zichzelf

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

91Jezus riep zijn twaalf leerlingen bij elkaar. Hij gaf hun de kracht en de macht om alle kwade geesten weg te jagen en zieke mensen beter te maken. 2Toen zei hij dat de leerlingen op weg moesten gaan. Ze moesten de mensen gaan vertellen over Gods nieuwe wereld, en ze moesten zieke mensen beter maken.

3Jezus zei tegen hen: ‘Jullie mogen niets meenemen op je reis. Geen stok, geen tas, geen brood, geen geld en geen extra kleren. 4Als mensen je uitnodigen in hun huis, blijf daar dan totdat je weer naar de volgende stad gaat. 5Maar als mensen je niet binnenlaten, dan moet je meteen uit die stad weggaan. Je moet zelfs het stof van je voeten vegen. Zo laat je zien dat die mensen de verkeerde keus gemaakt hebben.’

6De leerlingen gingen op weg. Ze reisden van dorp naar dorp. Overal vertelden ze het goede nieuws en maakten ze zieke mensen beter.

Herodes hoort het nieuws over Jezus

7-8Koning Herodes had alles over Jezus gehoord. Hij was heel erg geschrokken van al die verhalen. Want er waren mensen die zeiden dat Jezus de profeet Elia was. Er waren ook mensen die zeiden dat Jezus een andere profeet van vroeger was. En er waren mensen die zeiden: ‘Het is Johannes de Doper, die uit de dood is opgestaan!’

9Herodes dacht: Johannes kan het niet zijn, want die heb ik laten doden. Maar wie zou die man dan zijn? Vanaf dat moment wilde Herodes Jezus ontmoeten.

De mensen gaan Jezus achterna

10De leerlingen kwamen terug van hun reis. Ze vertelden Jezus wat ze allemaal gedaan hadden. Daarna nam Jezus zijn leerlingen mee naar de stad Betsaïda. Hij wilde daar met hen alleen zijn.

11Maar toen de mensen merkten waar Jezus was, gingen ze hem met een grote groep achterna. Jezus stuurde hen niet weg, maar vertelde hun over Gods nieuwe wereld. En hij maakte de zieke mensen beter.

Jezus geeft veel mensen te eten

12Het werd avond. De twaalf leerlingen kwamen naar Jezus toe. Ze zeiden: ‘U moet al die mensen wegsturen. Want hier is niets te eten, en er is geen plek om te slapen. Ze kunnen beter naar de dorpen en de boeren in de buurt gaan.’ 13-14Maar Jezus zei: ‘Nee, geven jullie hun maar te eten.’ De leerlingen zeiden: ‘Dat kan niet! Er zijn wel vijfduizend mensen. En we hebben maar vijf broden en twee vissen. Of moeten we soms voor al deze mensen eten gaan kopen?’

Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Verdeel de mensen in groepen van ongeveer vijftig, en zeg dat ze moeten gaan zitten.’ 15De leerlingen deden wat Jezus gezegd had, en iedereen ging zitten. 16Toen nam Jezus het brood en de vis. Hij keek omhoog naar de hemel en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood en de vis in stukken. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.

17Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. Het eten dat overbleef, werd verzameld. Het waren twaalf manden vol.

Jezus vraagt de leerlingen wie hij is

18Op een keer was Jezus aan het bidden. Alleen zijn leerlingen waren bij hem. Jezus vroeg aan hen: ‘Wie ben ik volgens de mensen?’ 19De leerlingen antwoordden: ‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent. Anderen zeggen dat u Elia bent. Weer anderen zeggen dat u één van de profeten van vroeger bent.’

20Toen vroeg Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias die door God gestuurd is.’ 21Jezus zei: ‘Vertel dat beslist niet aan iemand anders!’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

22Jezus vertelde wat er met hem zou gebeuren. Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden. De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren zullen hem behandelen als een vijand. Hij zal gedood worden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

Jezus vertelt hoe je zijn volgeling wordt

23Jezus zei tegen alle mensen: ‘Als je mijn volgeling wilt zijn, dan mag je niet meer aan jezelf denken. Je moet juist bereid zijn om je leven op te geven, elke dag opnieuw. En je moet met mij meegaan. 24Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar je kunt ook je leven verliezen omdat je mijn volgeling bent. Dan zul je je leven juist voor altijd redden.’

25Jezus zei verder: ‘Stel dat je de hele wereld in bezit krijgt. Wat heb je daaraan als je je leven verliest? Of als je jezelf daarmee kapotmaakt?

26Als je mijn volgeling wilt zijn, moet je je niet schamen voor mij of voor mijn boodschap. Want anders zal de Mensenzoon zich ook voor jou schamen als hij terugkomt. Bedenk dat hij zal komen als koning, met de macht van de Vader en de heilige engelen. 27Luister goed naar mijn woorden: Sommigen van jullie zullen nog tijdens hun leven Gods nieuwe wereld zien.’

Jezus spreekt met Mozes en Elia

28Ongeveer acht dagen later ging Jezus een berg op om te bidden. Hij nam Petrus, Johannes en Jakobus mee.

29Terwijl Jezus aan het bidden was, veranderde zijn gezicht. En zijn kleren werden stralend wit. 30-31Opeens stonden er twee mannen bij hem met een hemelse glans over zich heen. Het waren Mozes en Elia. Ze spraken met Jezus over de dingen die in Jeruzalem zouden gaan gebeuren.

Mozes en Elia verdwijnen in een wolk

32Intussen waren Petrus en de twee andere leerlingen in slaap gevallen. Toen ze wakker werden, zagen ze de hemelse glans van Jezus. En ze zagen ook de twee mannen die bij hem stonden. 33Toen Mozes en Elia weg wilden gaan, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het komt goed uit dat wij hier zijn! We zullen drie hutten maken: één voor u, één voor Mozes, en één voor Elia.’ Maar Petrus had er niets van begrepen.

34Op dat moment kwam er een wolk boven hen. Mozes, Elia en Jezus verdwenen in de wolk, en de leerlingen werden bang. 35Toen klonk uit de wolk Gods stem, die zei: ‘Dit is mijn Zoon. Ik heb hem uitgekozen. Luister naar hem.’

36Nadat God gesproken had, was Jezus weer alleen. De leerlingen vertelden in die tijd aan niemand wat ze gezien hadden.

Een jongen met een kwade geest

37De volgende dag gingen Jezus en de drie leerlingen de berg weer af. Er stond een grote groep mensen op hen te wachten. 38Een man uit de groep riep Jezus en zei: ‘Meester, kom alstublieft naar mijn zoon kijken. Hij is mijn enige kind. 39Er komt steeds een kwade geest in hem. Elke keer als dat gebeurt, begint mijn zoon plotseling te schreeuwen. Dan schudt hij heen en weer, en dan krijgt hij schuim op zijn mond. De geest wil niet uit hem weggaan en doet hem heel veel pijn. 40Ik heb uw leerlingen gesmeekt om de geest weg te jagen. Maar zij konden het niet.’

41Toen zei Jezus: ‘Wat zijn jullie toch ongelovig! Jullie doen het helemaal verkeerd. Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe houd ik dat vol? Breng die jongen hier!’

42Toen de jongen aan kwam lopen, gooide de kwade geest hem op de grond. Hij schudde de jongen heen en weer. Maar Jezus sprak streng tegen de kwade geest. Hij maakte de jongen weer beter, en bracht hem naar zijn vader.

43Iedereen was diep onder de indruk van Gods grote macht.

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

De mensen dachten nog vol verbazing na over alles wat Jezus deed. Intussen vertelde Jezus aan zijn leerlingen wat er zou gaan gebeuren. Hij zei: 44‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden. Dat moeten jullie goed onthouden.’

45De leerlingen wisten niet wat Jezus daarmee bedoelde. Ze konden het op dat moment nog niet begrijpen. En ze durfden het ook niet aan Jezus te vragen.

Jezus vertelt wie echt belangrijk is

46De leerlingen hadden een discussie over wie de belangrijkste leerling was. 47Jezus wist dat ze zich daar druk om maakten. Hij haalde er een kind bij en zette het naast zich. 48Toen zei hij: ‘Als je bij mij hoort, dan moet je juist voor de minst belangrijke mensen aandacht hebben. Zoals voor zo’n kind. Want wat je voor de minst belangrijke mensen doet, dat doe je voor mij. En wat je voor mij doet, dat doe je ook voor God, die mij gestuurd heeft. Weet je wie van jullie echt belangrijk is? Dat is degene die zichzelf het minst belangrijk vindt.’

Jezus legt uit wie bij hem hoort

49Johannes zei tegen Jezus: ‘Meester, wij zagen een man die uw naam gebruikt om kwade geesten weg te jagen. We zeiden dat hij daarmee moest ophouden. Want hij hoort niet bij ons.’ 50Maar Jezus zei: ‘Laat die man zijn gang gaan. Als hij geen vijand van jullie is, dan is hij een vriend.’

Jezus is niet welkom in Samaria

51Jezus zou niet lang meer op aarde blijven. Daarom nam hij het besluit om naar Jeruzalem te gaan. 52Onderweg stuurde hij een paar leerlingen vooruit. Zij kwamen in een dorp in Samaria. Daar wilden ze een slaapplaats voor Jezus regelen. 53Maar Jezus was daar niet welkom, omdat hij op weg was naar Jeruzalem.

54Toen Jakobus en Johannes merkten dat Jezus niet welkom was, zeiden ze: ‘Heer, wilt u dat wij vuur uit de hemel laten komen om de mensen hier te doden?’ 55Maar Jezus draaide zich om en verbood ze om zo te praten. 56Daarna gingen ze verder naar een ander dorp.

Het is moeilijk om Jezus te volgen

57Onderweg zei iemand tegen Jezus: ‘Ik wil met u meegaan. Het maakt niet uit waar u naartoe gaat!’ 58Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben een hol en vogels hebben een nest. Maar de Mensenzoon heeft geen plek om uit te rusten.’

59En Jezus zei tegen een ander: ‘Ga met me mee!’ De man antwoordde: ‘Heer, vindt u het goed als ik eerst mijn vader ga begraven?’ 60Maar Jezus zei: ‘Laat de doden maar voor elkaar zorgen. Jij moet de mensen gaan vertellen over Gods nieuwe wereld!’

61Iemand anders zei tegen Jezus: ‘Ik wil met u meegaan, Heer! Maar mag ik eerst afscheid nemen van mijn familie?’ 62Jezus zei tegen hem: ‘Mensen die achteromkijken in plaats van vooruit, zijn niet geschikt voor Gods nieuwe wereld.’

10

De leerlingen gaan op reis

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

101De Heer koos 72 leerlingen uit. Hij stuurde hen twee aan twee op weg, naar alle plaatsen waar hij zelf ook heen wilde gaan.

2Hij zei tegen de leerlingen: ‘Het goede nieuws moet overal verteld worden. Maar er zijn te weinig mensen om dat te doen. Vraag daarom aan God of hij meer mensen stuurt. Dan kan het goede nieuws overal verteld worden.

3Ga nu op weg! Maar let op, want het zal gevaarlijk zijn voor jullie. Net zo gevaarlijk als het voor lammetjes is om tussen wolven te lopen. 4Neem geen geld mee, en ook geen tas of schoenen. En groet niemand onderweg.’

Wat de leerlingen onderweg moeten doen

5Jezus zei verder: ‘Als je een huis binnengaat, zeg dan eerst: ‘Ik wens dit huis vrede.’ 6Als daar iemand woont die vrede wil, dan komt daar ook vrede. Maar als daar niet zo iemand woont, dan komt daar geen vrede. 7En ga niet steeds naar een volgend huis, maar blijf in het huis waar je ontvangen wordt. Eet en drink wat de mensen je geven. Daar hebben jullie recht op, want jullie werken hard.

8Als je in een stad komt waar je welkom bent, kun je eten wat de mensen je geven. 9Maak daar de zieke mensen beter en zeg tegen hen: ‘Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

10Maar soms ben je niet welkom in een stad. Dan moet je de straat op gaan en zeggen: 11‘We vegen het stof van jullie stad van onze voeten. Want jullie hebben de verkeerde keus gemaakt. Maar denk erom: Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

12Luister naar mijn woorden: Als God rechtspreekt over de wereld, zal hij zo’n stad zwaar straffen. Nog zwaarder dan Sodom.’

Wie niet luistert, wordt gestraft

13Jezus zei ook: ‘Jullie daar, inwoners van Chorazin en Betsaïda! Jullie zullen gestraft worden. Jullie hebben veel wonderen gezien, maar jullie hebben niet geluisterd. Stel dat de mensen in Tyrus en Sidon al die wonderen meegemaakt hadden. Dan hadden ze allang laten zien dat ze spijt hadden van hun fouten. En dan hadden ze hun leven veranderd! 14Luister! Als God rechtspreekt over de wereld, zal hij jullie zwaar straffen. Nog zwaarder dan Tyrus en Sidon.

15En jullie daar in Kafarnaüm. Denk je dat jullie welkom zijn in de hemel? Nee, jullie komen in de hel terecht!’

16Tegen zijn leerlingen zei Jezus: ‘Iedereen die naar jullie luistert, die luistert naar mij. En iedereen die nee tegen jullie zegt, die zegt nee tegen mij. En niet alleen tegen mij, maar ook tegen God, die mij gestuurd heeft.’

De leerlingen komen terug van hun reis

17De 72 leerlingen kwamen terug van hun reis. Ze waren blij en zeiden: ‘Heer, zelfs de kwade geesten gehoorzaamden ons toen we uw naam noemden.’

18-19Jezus zei tegen hen: ‘Luister! Jullie kunnen zonder gevaar op slangen en giftige spinnen gaan staan. Zo sterk heb ik jullie gemaakt. Niets kan jullie nog kwaad doen. Want ik heb gezien dat Satan uit de hemel gevallen is en zijn macht is kwijtgeraakt.

20Maar jullie moeten niet blij zijn omdat de geesten jullie gehoorzamen. Nee, jullie moeten blij zijn omdat het eeuwige leven voor jullie bestemd is.’

Jezus kent God en vertelt over hem

21Op dat moment liet de heilige Geest Jezus juichen van vreugde. Jezus riep: ‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u! Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen. Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen. Ja, Vader, zo wilde u het.’

22Daarna zei Jezus: ‘Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven. Alleen de Vader kent de Zoon. En alleen de Zoon kent de Vader. En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’

23Daarna draaide Jezus zich om naar zijn leerlingen. En alleen tegen hen zei hij: ‘Het echte geluk is voor jullie. Want jullie zien alle bijzondere dingen die ik doe. 24Luister naar mijn woorden: Veel profeten en koningen hadden graag gezien en gehoord wat jullie nu meemaken. Zij hebben het niet gezien of gehoord, maar jullie wel.’

Een Samaritaan helpt

Een wetsleraar stelt Jezus een vraag

25Er kwam een wetsleraar naar Jezus toe. Hij wilde Jezus iets verkeerds laten zeggen. Hij vroeg: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ 26Jezus zei tegen hem: ‘Wat staat er in de wet? Wat lees je daar?’

27De man antwoordde: ‘Houd van de Heer, je God, met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht. En houd evenveel van je medemensen als van jezelf.’ 28Toen zei Jezus: ‘Dat is het goede antwoord. Als je dat doet, zul je eeuwig leven.’

Jezus vertelt over een man op reis

29De wetsleraar wilde laten zien dat hij de wet beter kende dan Jezus. Daarom vroeg hij: ‘Wie is mijn medemens dan?’

30Toen vertelde Jezus een verhaal. Hij zei: ‘Een man reisde van Jeruzalem naar Jericho. Maar onderweg werd hij door rovers overvallen. Ze pakten alles van hem af, ook zijn kleren. Ze sloegen hem halfdood, en lieten hem liggen.

31Toevallig kwam er een priester langs. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg. 32Toen er even later een hulppriester langskwam, gebeurde hetzelfde. Hij zag de man wel liggen, maar hij liep hem voorbij aan de overkant van de weg.

Een Samaritaan helpt de man

33Toen kwam er een vreemdeling langs, een Samaritaan. Hij zag de man liggen en kreeg medelijden. 34Daarom ging hij naar hem toe. Hij verzorgde de wonden van de man met olie en wijn. En hij deed er verband om. Toen zette hij de man op zijn eigen ezel en bracht hem naar een herberg. Daar zorgde hij voor hem. 35De volgende dag gaf de Samaritaan geld aan de eigenaar van de herberg en zei: ‘Zorg goed voor de man. Als het je meer geld kost, krijg je dat van me op mijn terugreis.’’

36Toen vroeg Jezus: ‘Wat denk je? Wie was de medemens van de man die overvallen werd? De priester, de hulppriester of de Samaritaan?’ 37De wetsleraar antwoordde: ‘De Samaritaan, want die was goed voor de gewonde man.’ Toen zei Jezus: ‘Doe dan voortaan net zoals de Samaritaan.’

Jezus geeft uitleg

Marta zorgt voor Jezus

38Jezus en zijn leerlingen gingen verder, en kwamen bij een dorp. Daar woonde een vrouw die Jezus uitnodigde om bij haar thuis te komen. Ze heette Marta, 39en haar zus heette Maria.

Maria ging bij de Heer zitten en luisterde aandachtig naar zijn woorden. 40Maar Marta was druk bezig met de zorg voor het eten en drinken. Ze vroeg aan Jezus: ‘Heer, mijn zus laat mij alles alleen doen. Dat kan toch niet? Zeg tegen haar dat ze mij moet komen helpen.’

41Toen zei de Heer tegen haar: ‘Marta, Marta, maak je toch niet altijd zo veel zorgen! 42Er is maar één ding echt belangrijk: dat je luistert naar mijn woorden. Maria heeft dus de goede keuze gemaakt. Mijn woorden zullen altijd bij haar blijven.’

11

Jezus legt uit hoe je moet bidden

111Op een keer was Jezus aan het bidden. Toen hij klaar was, zei één van zijn leerlingen tegen hem: ‘Heer, leer ons hoe we moeten bidden. Want ook Johannes heeft zijn leerlingen leren bidden.’ 2En Jezus zei: ‘Zo moeten jullie bidden:

Vader,

laat iedereen u eren.

Laat uw nieuwe wereld komen.

3Geef ons elke dag het eten dat we nodig hebben.

4En vergeef ons wat we fout gedaan hebben,

want wij vergeven ook andere mensen hun fouten.

Help ons om nooit tegen u te kiezen.’

Een vraag in de nacht

5Daarna zei Jezus: ‘Stel dat je midden in de nacht naar het huis van een vriend gaat en roept: ‘Kan ik drie broden van je lenen? 6Want ik heb plotseling bezoek gekregen. Het is een vriend van me, die op reis is. Maar ik heb geen eten voor hem in huis.’

7Wat denk je dat er dan gebeurt? Zal je vriend binnenblijven en roepen: ‘Laat me met rust! De deur is allang op slot, de kinderen en ik liggen al in bed. Ik kan nu niet opstaan om je iets te geven’? 8Nee! Luister naar mijn woorden: Je vriend zal opstaan en je alles geven wat je nodig hebt. Niet alleen omdat hij je vriend is. Maar vooral omdat jij zo onbeleefd was om het te vragen.

Als je iets vraagt, zul je het krijgen

9Luister daarom naar mijn woorden: Als je iets vraagt, zul je het krijgen. Als je iets zoekt, zul je het vinden. Als je op de deur klopt, wordt er voor je opengedaan. 10Want iedereen die om iets vraagt, zal het krijgen. En iedereen die iets zoekt, zal het vinden. En voor iedereen die klopt, wordt de deur opengedaan.

11Niemand geeft zijn kind een slang als het om een vis vraagt. 12Of een giftige spin als het om een ei vraagt. 13Jullie zorgen goed voor je kinderen, ook al zijn jullie slechte mensen. Dan zal jullie hemelse Vader zeker goed voor jullie zorgen. Hij geeft de heilige Geest aan mensen die daarom vragen.’

Verbazing en ongeloof

14Jezus jaagde een kwade geest weg uit een man die niet kon praten. Toen de geest weg was, kon de man praten. De mensen waren verbaasd.

15Maar sommigen zeiden: ‘Jezus kan kwade geesten wegjagen omdat Satan hem helpt. Want Satan is de leider van de kwade geesten.’ 16En anderen zeiden tegen Jezus: ‘Bewijs maar eens met een teken dat u door God gestuurd bent.’ Ze wilden laten zien dat Jezus dat niet kon.

Jezus krijgt geen hulp van Satan

17Jezus wist wat de mensen dachten. Hij zei: ‘Een land dat oorlog voert tegen zichzelf, wordt leeg en verlaten. Daar storten alle huizen in.

18-19Met Satan is het net zo. Want als ik kwade geesten wegjaag met hulp van Satan, dan vecht Satan tegen zichzelf. En dan vernietigt hij zijn eigen macht.

Jullie beweren dat ik kwade geesten wegjaag met hulp van Satan. Maar jullie eigen mensen jagen ook kwade geesten weg. Dat doen ze toch ook niet met hulp van Satan? Zij zijn dus het bewijs dat jullie ongelijk hebben.

20Ik jaag de kwade geesten weg met de macht van God. Daaraan kunnen jullie zien dat Gods nieuwe wereld gekomen is.

21Het huis van een sterke, gewapende man kun je niet zomaar leegroven. De man bewaakt zijn huis goed, zijn bezittingen zijn veilig. 22Totdat er iemand komt die nog sterker is dan die man, en hem verslaat. Dan verliest die man alles. Al zijn spullen worden meegenomen, ook de wapens waarop hij vertrouwde.

23Iedereen die niet voor mij kiest, is mijn vijand. Als je mij niet helpt, dan help je Satan. Ik breng mensen bij God, maar Satan houdt mensen juist bij God weg.’

Een verhaal over een kwade geest

24Jezus zei: ‘Stel je eens voor: Een kwade geest woont in een man. Op een dag gaat die kwade geest uit hem weg. De geest zwerft door de woestijn. Hij zoekt een plek om te rusten, maar vindt die niet. Dan denkt hij: Ik ga terug naar huis, naar de man in wie ik eerst woonde.

25De kwade geest komt terug en ziet dat zijn huis schoon is. Het is klaar om in te wonen. 26Dan roept hij er zeven andere geesten bij, die nog erger zijn dan hijzelf. En allemaal gaan ze in die man wonen. Dan gaat het met hem nog slechter dan daarvoor.’

Jezus zegt voor wie het echte geluk is

27Terwijl Jezus nog aan het praten was, riep een vrouw: ‘Een vrouw die een zoon krijgt zoals u, heeft geluk!’ 28Maar Jezus zei: ‘Het echte geluk is voor mensen die luisteren naar God, en doen wat hij wil.’

Jezus geeft het voorbeeld van Jona

29Er kwamen steeds meer mensen naar Jezus toe. Jezus zei tegen hen: ‘Jullie zijn slechte mensen. Jullie vragen om een teken. Maar het enige teken dat jullie krijgen, is het voorbeeld van de profeet Jona. 30Jona was een teken voor de inwoners van de stad Nineve. Net zo zal de Mensenzoon een teken zijn voor jullie.’

31En Jezus zei verder: ‘Op een dag zal God rechtspreken over de wereld. Dan zullen jullie voor hem staan, samen met de koningin van het Zuiden. God zal jullie straffen, maar haar niet. Want zij kwam uit een ver land om te luisteren naar de wijsheid van koning Salomo. Nu staat hier iemand die belangrijker is dan Salomo. Maar jullie luisteren niet.

32Op een dag zal God rechtspreken over de wereld. Dan zullen jullie voor hem staan, samen met de inwoners van de stad Nineve. God zal jullie straffen, maar hen niet. Want toen de profeet Jona hen waarschuwde, hebben zij hun leven veranderd. Nu staat hier iemand die belangrijker is dan Jona. Maar jullie luisteren niet.

Je moet doen wat God wil

33Niemand zet een brandende lamp onder in een kast. Je zet een lamp juist hoog. Dan kan iedereen die binnenkomt, het licht goed zien.

34Elk mens kan licht uitstralen. Als je doet wat God wil, dan straal je licht uit. Maar als je niet doet wat God wil, dan straal je geen licht uit. 35Zorg dus dat je doet wat God wil. 36Als je dat altijd doet, dan straal je overal om je heen licht uit. Dan ben je net als een lamp.’

Kritiek op farizeeën en wetsleraren

Jezus heeft kritiek op de farizeeën

37Toen Jezus uitgesproken was, kwam er een farizeeër naar hem toe. Die nodigde hem uit om bij hem thuis te komen eten. Jezus ging mee, en hij ging meteen aan tafel. 38De farizeeër was verbaasd dat Jezus zich niet eerst waste voor het eten.

39Toen zei de Heer tegen hem: ‘Jullie farizeeën vinden het belangrijk om dingen aan de buitenkant schoon te maken. Maar het is veel belangrijker hoe je van binnen bent. En van binnen zitten jullie vol met slechte dingen! 40Jullie begrijpen er niets van. God heeft niet alleen de buitenkant gemaakt, maar ook de binnenkant. 41Je moet goed zijn voor arme mensen. Dan ben je van binnen goed, en dat is voor God het belangrijkste.’

De farizeeën zijn van binnen slecht

42Jezus zei ook tegen de farizeeën: ‘Jullie houden je aan de kleinste regeltjes. Jullie betalen zelfs belasting over alle kruiden in je tuin. Maar dat is niet genoeg. Je moet andere mensen goed behandelen, en God liefhebben. Maar dat doen jullie niet. Daarom zullen jullie gestraft worden.

43Jullie willen de beste plaatsen hebben in de synagoge. En jullie willen beleefd gegroet worden op straat. Daarom zullen jullie gestraft worden.

44De mensen weten niet dat jullie van binnen slecht zijn. En doordat ze naar jullie luisteren, worden ze zelf ook slecht. Daarom zullen jullie gestraft worden.’

Jezus heeft kritiek op de wetsleraren

45Eén van de wetsleraren zei tegen Jezus: ‘Meester, u zegt dat tegen de farizeeën. Maar daarmee beledigt u ons ook.’ 46Jezus antwoordde: ‘Wetsleraren, ook jullie zullen gestraft worden. Want jullie geven de mensen moeilijke regels. Maar zelf houden jullie je aan geen enkele regel.’

Straf voor de mensen die nu leven

47Jezus zei tegen de wetsleraren: ‘Jullie maken prachtige monumenten voor de profeten van vroeger. Maar jullie eigen voorouders hebben hen gedood! 48Zij hebben de profeten gedood, en nu maken jullie monumenten voor de dode profeten. Daarmee laten jullie zien dat je het eens bent met je voorouders. En daarom zullen jullie gestraft worden.

49-50Nu volgt het wijze plan van God. God zegt: ‘Ik zal profeten en apostelen sturen naar de mensen die nu leven. Zij zullen sommige profeten vermoorden, en andere mishandelen. En dan zal ik de mensen die nu leven, straffen voor hun slechtheid. Ik ga hen straffen voor alle profeten die vermoord zijn, vanaf het begin van de wereld tot nu. 51Van de moord op Abel tot de moord op Zecharja, die werd vermoord bij het altaar in de tempel. Ja, luister naar mijn woorden: De mensen die nu leven, zullen voor al die moorden gestraft worden.’’

Nog meer kritiek op de wetsleraren

52Jezus zei ook tegen de wetsleraren: ‘Jullie weten hoe je goed moet leven, maar jullie doen het niet. En jullie houden de mensen tegen die wel proberen om goed te leven. Daarom zullen jullie gestraft worden.’ 53-54Toen ging Jezus weg.

De wetsleraren en de farizeeën waren woedend op Jezus. Vanaf toen gingen ze hem allerlei vragen stellen. Ze hoopten dat hij iets strafbaars zou zeggen. Want dan konden ze hem gevangen laten nemen.