Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

De Heer vernietigt de andere volken

De andere volken deden slechte dingen

41De Heer zegt: ‘Ik zal de inwoners van Juda en Jeruzalem weer gelukkig maken. 2Maar ik zal de andere volken straffen. Ik zal ze bij elkaar brengen in het Oordeelsdal.

Die volken hebben veel slechte dingen gedaan. Want ze hebben mijn volk Israël weggejaagd naar verre landen. Mijn land hebben ze in stukken verdeeld, 3en mijn volk hebben ze verkocht. Ze verkochten jongens om zelf een nacht met een hoer te kunnen slapen. En ze ruilden meisjes tegen wijn om dronken te kunnen worden.’

De Heer zal de andere volken straffen

4De Heer zegt: ‘Wat denken de inwoners van Tyrus en Sidon eigenlijk? Wat denken de Filistijnen? Denken ze dat ze iets kunnen doen tegen mij? Als ze dat proberen, zullen ze meteen gestraft worden!

5Ze hebben het goud en het zilver uit mijn land gestolen. En de mooiste spullen hebben ze in hun eigen paleizen gezet. 6Ze hebben de inwoners van Juda en Jeruzalem uit hun land gehaald en aan de Grieken verkocht. 7Maar ik zal mijn volk terughalen!

Daarna zal ik de andere volken straffen. 8Dan zullen zij zelf verkocht worden door de inwoners van Juda. En ze zullen in het land Saba terechtkomen, hier ver vandaan.’

Het Oordeelsdal

9De Heer zegt: ‘Luister goed, volken! En maak je klaar om tegen mij te vechten. Roep de legerleiders bij elkaar en laat alle soldaten komen. 10Zelfs zwakke mannen moeten meedoen aan de oorlog. Laat het gereedschap waarmee jullie op het land werken, smelten in het vuur. En maak er wapens van.

11Iedereen moet nu naar het Oordeelsdal komen. Dan stuur ik mijn leger op jullie af. 12Kom hierheen, volken. Kom naar het Oordeelsdal. Daar ben ik om jullie allemaal te straffen!

13Ik zal jullie doden. Ik zal jullie als rijpe druiven kapottrappen. Want jullie hebben veel slechte dingen gedaan. Ja, jullie hebben te veel slechte dingen gedaan. 14Er zullen heel veel mensen in het Oordeelsdal zijn. Daar zal ik beslissen wie ik zal straffen. Want de dag dat ik kom, is dichtbij.’

De Heer beschermt zijn volk

Israël is veilig bij de Heer

15-16In Jeruzalem, op de berg Sion, spreekt de Heer. Zijn stem klinkt als het brullen van een leeuw. Als hij spreekt, beven de hemel en de aarde. De zon en de maan geven geen licht meer, en ook de sterren verliezen hun glans.

Maar het volk van Israël kan vluchten naar de Heer. Want bij hem zijn ze veilig. 17Ze zullen weten dat de Heer hun God is. Hij woont op de heilige berg Sion. En Jeruzalem zal weer een heilige stad zijn. Andere volken zullen daar niet meer komen.

De Heer maakt alles weer goed

18Dan zullen er op de bergen weer wijngaarden vol met druiven zijn. Het vee zal meer dan genoeg melk geven. En in de rivieren van Juda zal weer water stromen. Vanuit de tempel van de Heer zal een rivier gaan stromen, die zelfs het droogste dal weer groen zal maken.

19Maar Egypte zal verwoest worden, en Edom zal een droge woestijn worden. Want hun inwoners hebben Juda aangevallen en onschuldige mensen gedood. 20-21De Heer zal de daders straffen. Hij zal ze zeker straffen!

Maar in Juda zullen altijd mensen wonen, en Jeruzalem zal altijd blijven bestaan. Want de Heer zal daar wonen op de berg Sion.