Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Amos was een profeet. Hij kwam uit Tekoa, en hij was een boer met veel schapen. Hij zag in een droom wat er met het land Israël zou gebeuren. Dat was in de tijd dat Uzzia koning van Juda was. Jerobeam, de zoon van Joas, was toen koning van Israël. Het was twee jaar voor de grote aardbeving.

Nu volgt wat Amos gezegd heeft.

De Heer waarschuwt Israëls vijanden

De Heer spreekt dreigende woorden

2De Heer spreekt in Jeruzalem, hij spreekt op de berg Sion. Zijn stem klinkt als het brullen van een leeuw. Als de Heer spreekt, verdroogt het veld van de herders. En het gras op de berg Karmel gaat dood.

Tegen de Arameeërs

3Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Damascus! Ze hebben Gilead totaal verwoest.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 4Het paleis van koning Hazaël en de paleizen van koning Benhadad zullen afbranden. 5De poorten van de stad Damascus zal ik openbreken. De koning van Bikat-Awen en de koning van Bet-Eden zal ik doden. Het volk van Aram laat ik wegbrengen naar een ver land.’ Dat is wat de Heer zegt.

Tegen de Filistijnen

6Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Gaza! Ze hebben mijn volk uit Israël weggehaald. Ze hebben hen als slaven verkocht aan de Edomieten.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 7De muren van de stad Gaza en ook de paleizen zullen afbranden. 8De koning van de stad Asdod en de koning van de stad Askelon zal ik doden. En de stad Ekron zal ik verwoesten. De Filistijnen zullen allemaal sterven, niemand blijft in leven.’ Dat is wat God, de Heer, zegt.

Tegen de stad Tyrus

9Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Tyrus! Ze hebben mijn volk uit Israël weggehaald. En ze hebben hen als slaven verkocht aan de Edomieten. Ze hebben zich niet gehouden aan de afspraken met hun eigen vrienden.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 10De muren van Tyrus en de paleizen in de stad zullen afbranden.’

Tegen de Edomieten

11Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Edom! Ze hebben de Israëlieten, hun eigen vrienden, achtervolgd en gedood. Ze hadden geen medelijden. Ze bleven maar doorgaan, aan hun woede kwam geen einde.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 12De stad Teman en de paleizen van de stad Bosra zullen afbranden.’

Tegen de Ammonieten

13Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Ammon! Toen ze een nieuw gebied wilden veroveren, hebben ze in Gilead zelfs zwangere vrouwen gedood.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 14De muren van de stad Rabba en de paleizen in de stad zullen afbranden. Er zullen felle gevechten zijn. Het geschreeuw van de vijanden zal klinken als het lawaai van een storm. 15De koning en de leiders van Ammon worden meegenomen naar een ver land.’ Dat is wat de Heer zegt.

2

Tegen de Moabieten

21Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Moab! Ze hebben de botten van de koning van Edom volledig verbrand.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 2Moab en de paleizen van de stad Keriot zullen afbranden. De Moabieten zullen sterven in de strijd, terwijl overal lawaai klinkt van trompetten, en geschreeuw van vechtende soldaten. 3Ik zal de koning en de leiders van het land doden.’ Dat is wat de Heer zegt.

Tegen Juda

4Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Juda! Ze hebben zich niet gehouden aan mijn regels en wetten. Ze geloofden in afgoden, net als hun voorouders.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 5Juda zal in brand staan en de paleizen in Jeruzalem zullen afbranden.’

De Heer waarschuwt Israël

Tegen Israël

6Dit zegt de Heer: ‘Maar ook jullie zijn misdadigers, Israëlieten. Mijn besluit staat vast: ik zal jullie straffen. Jullie verkopen onschuldige mensen voor een beetje geld, en arme mensen voor een paar schoenen. 7Jullie geven zwakke mensen nog een trap als ze al op de grond liggen. Jullie duwen mensen die om hulp vragen, opzij. En een zoon en een vader gaan naar bed met hetzelfde meisje! Zo beledigen jullie mij.

8Jullie lopen in de tempel rond met mooie kleren aan. Maar die kleren hebben jullie gestolen! Jullie drinken wijn in de tempel, maar die wijn hebben jullie gekocht met gestolen geld.’

De Heer heeft veel voor Israël gedaan

9-10Dit zegt de Heer: ‘Ik heb zo veel voor jullie gedaan. Ik heb jullie weggehaald uit Egypte. Ik heb jullie door de woestijn geleid, veertig jaar lang. Ik heb de Amorieten gedood. Ze waren zo groot en sterk als bomen, maar ik heb ze allemaal vernietigd. En toen konden jullie het land van de Amorieten in bezit nemen.

11Ik koos sommigen van jullie uit om profeet te worden. Anderen koos ik uit om mijn dienaar te worden. Die dienaren beloofden om nooit wijn te drinken. Zo is het toch, Israëlieten? 12Maar weet je wat jullie gedaan hebben? Jullie hebben tegen die mensen gezegd dat ze toch wijn moesten drinken! En jullie hebben de profeten verboden om als profeet te spreken!’

Niemand zal ontsnappen

13Dit zegt de Heer: ‘Op een dag zal ik de aarde laten beven, de grond zal schudden onder jullie voeten. Zoals een wagen schudt die te vol geladen is.

14Dan kan niemand meer vluchten. Niemand is snel genoeg, niemand is sterk genoeg. Zelfs iemand die heel dapper is, zal sterven. 15Ook wie een pijl en boog heeft, kan de strijd niet volhouden. Wie heel snel loopt, kan toch niet wegkomen. En wie op een paard rijdt, kan toch niet ontsnappen. 16Ook de dapperste held laat alles achter om te vluchten. Zo zal het gaan als die dag komt!’ Dat zegt de Heer.