Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De dag van de Heer is verschrikkelijk

21Luister allemaal goed! De dag dat de Heer komt, is dichtbij! Iedereen moet bang zijn voor die dag. Waarschuw daarom voor het gevaar, blaas op de trompet op de heilige berg Sion. 2Want die dag is een heel donkere dag. Het is een dag met dikke, dreigende wolken.

De sprinkhanen vallen de stad aan

Er komen nog veel meer sprinkhanen. Ze lijken op een heel groot leger. Als ze dichterbij komen, zie je pas hoe veel het er zijn. Nog nooit zijn er zo veel sprinkhanen geweest, en er zullen ook nooit meer zo veel sprinkhanen komen. 3Voordat ze er zijn, is het land net zo mooi als de tuin van Eden. En als ze weer weg zijn, is alles net zo dood als in de woestijn. Dan kan er niets en niemand meer leven.

4De sprinkhanen lijken op paarden. Ze rennen hard en zijn klaar voor de strijd. 5Je hoort ze aankomen! In de verte klinkt het als het lawaai van paarden en wagens. Maar als ze dichtbij zijn, klinkt het als droge takken die knetteren in een vuur.

De sprinkhanen lijken op sterke soldaten, die klaar zijn voor de strijd. 6Als ze komen, is iedereen bang. Iedereen wordt wit van schrik.

7De sprinkhanen zijn niet bang. Ze rennen naar voren en klimmen als soldaten over de stadsmuur. Ze lopen naast elkaar, en niet één verlaat zijn plek. 8Niet één duwt een ander opzij, allemaal hebben ze hun eigen plaats. Het helpt niet om er een paar te doden, want hun leger blijft altijd even sterk.

9De sprinkhanen vallen de stad aan. Ze klimmen over de muren en gaan de huizen binnen. Ze klimmen als dieven door de ramen.

De Heer komt met zijn leger

10-11De Heer zal komen met zijn leger. Zijn leger is groot en machtig, en het doet alles wat hij wil. Dan zullen de aarde en de hemel beven. Dan geven de zon en de maan geen licht meer, en ook de sterren verliezen hun glans. Als de Heer komt, klinkt het alsof het onweert.

De dag dat de Heer komt, zal verschrikkelijk zijn. Niemand zal dan in leven blijven.

Het volk moet luisteren naar de Heer

12De Heer zegt: ‘Ik wil dat jullie mij weer gehoorzamen. Ga vasten, en laat je verdriet en je tranen aan mij zien. 13-14Jullie moeten naar mij luisteren. Dat moeten jullie niet alleen beloven, maar ook echt doen. Misschien krijg ik medelijden, en zal ik mijn plan veranderen. Dan zal ik weer iets op het land laten groeien, en dan hebben jullie weer graan en wijn om te offeren.

Want ik ben een goede God. Ik ben vol liefde en geduld. Ik ben trouw, en ik houd er niet van om mensen te straffen.’

Iedereen moet bidden

15Blaas op de trompet in Jeruzalem. Kies een dag uit waarop iedereen naar de tempel moet komen. Iedereen moet die dag vasten. 16Roep alle mensen bij elkaar, ook de oude mensen en alle kleine kinderen. Roep zelfs mensen weg van hun bruiloft! Zorg dat iedereen klaar is om naar de tempel te gaan.

17Priesters, ga naar de tempel en bid bij het altaar: ‘Heer, red ons, want wij zijn uw eigen volk. Andere mensen lachen ons uit en vragen waarom u niets doet.’

De Heer redt zijn volk

De Heer krijgt medelijden

18De Heer zal medelijden krijgen met de mensen van zijn volk, en hij zal hen redden.

19Dit zegt de Heer tegen zijn volk: ‘Ik zal jullie weer brood, wijn en olijven geven. Er zal meer dan genoeg te eten zijn, en niemand zal jullie meer uitlachen. 20Jullie vijanden dachten dat ze sterk waren, maar ik zal ze wegjagen. Ik jaag ze naar het westen en naar het oosten. Ik jaag ze naar de woestijn, en ik laat ze verdwijnen in de zee. Overal zullen jullie de geur van hun dode lichamen ruiken.’

De Heer doet bijzondere dingen

21De velden zullen niet langer leeg zijn. Er gaat weer van alles groeien, want de Heer heeft bijzondere dingen gedaan. 22De dieren hoeven niet meer bang te zijn, want de woestijn wordt weer groen. Ook daar gaat weer van alles groeien. De bomen zullen weer vruchten hebben.

23De inwoners van Jeruzalem kunnen weer vrolijk zijn en juichen. Want de Heer, jullie God, geeft regen om alles te laten groeien. Hij laat het in ieder seizoen regenen op het goede moment. 24Daarom is er weer graan, zelfs meer dan jullie nodig hebben. En ook de bakken met druiven en olijven zijn weer helemaal vol.

De Heer maakt alles weer goed

25Dit zegt de Heer: ‘Ik had een groot leger van sprinkhanen op jullie afgestuurd. Ze hebben alle bladeren opgegeten, en ze hebben alle planten kapotgemaakt. Ze aten alles op, totdat er niets meer overbleef. Maar nu zal ik alles weer goedmaken.

26-27Jullie zullen weer te eten hebben, meer dan genoeg. Jullie zullen mij weer danken, want ik heb bijzondere dingen voor jullie gedaan. Ik ben de Heer, jullie God. Jullie zullen nooit meer uitgelachen worden. En jullie zullen weten dat ik altijd bij jullie ben. Alleen ik ben de Heer, de God van Israël!’

3

De Heer zorgt voor een veilige plek

31-2De Heer zegt: ‘Daarna zal ik aan alle mensen mijn geest geven. Aan mannen en vrouwen, aan oude en jonge mensen, en zelfs aan slaven en slavinnen. Aan alle mensen zal ik mijn geest geven. Dan zullen ze dromen krijgen en als profeten spreken.

3Ik zal wonderen doen in de hemel en op de aarde. Jullie zullen bloed zien, en vuur en rookwolken. 4Want de verschrikkelijke dag dat ik kom, is dichtbij. De zon zal zwart worden, en de maan zo rood als bloed.

5Maar iedereen die mij om hulp vraagt, zal kunnen vluchten. Want er zal een veilige plaats zijn op de berg Sion, in Jeruzalem. Dat beloof ik. Iedereen die ik uitkies, zal in leven blijven.’

4

De Heer vernietigt de andere volken

De andere volken deden slechte dingen

41De Heer zegt: ‘Ik zal de inwoners van Juda en Jeruzalem weer gelukkig maken. 2Maar ik zal de andere volken straffen. Ik zal ze bij elkaar brengen in het Oordeelsdal.

Die volken hebben veel slechte dingen gedaan. Want ze hebben mijn volk Israël weggejaagd naar verre landen. Mijn land hebben ze in stukken verdeeld, 3en mijn volk hebben ze verkocht. Ze verkochten jongens om zelf een nacht met een hoer te kunnen slapen. En ze ruilden meisjes tegen wijn om dronken te kunnen worden.’

De Heer zal de andere volken straffen

4De Heer zegt: ‘Wat denken de inwoners van Tyrus en Sidon eigenlijk? Wat denken de Filistijnen? Denken ze dat ze iets kunnen doen tegen mij? Als ze dat proberen, zullen ze meteen gestraft worden!

5Ze hebben het goud en het zilver uit mijn land gestolen. En de mooiste spullen hebben ze in hun eigen paleizen gezet. 6Ze hebben de inwoners van Juda en Jeruzalem uit hun land gehaald en aan de Grieken verkocht. 7Maar ik zal mijn volk terughalen!

Daarna zal ik de andere volken straffen. 8Dan zullen zij zelf verkocht worden door de inwoners van Juda. En ze zullen in het land Saba terechtkomen, hier ver vandaan.’

Het Oordeelsdal

9De Heer zegt: ‘Luister goed, volken! En maak je klaar om tegen mij te vechten. Roep de legerleiders bij elkaar en laat alle soldaten komen. 10Zelfs zwakke mannen moeten meedoen aan de oorlog. Laat het gereedschap waarmee jullie op het land werken, smelten in het vuur. En maak er wapens van.

11Iedereen moet nu naar het Oordeelsdal komen. Dan stuur ik mijn leger op jullie af. 12Kom hierheen, volken. Kom naar het Oordeelsdal. Daar ben ik om jullie allemaal te straffen!

13Ik zal jullie doden. Ik zal jullie als rijpe druiven kapottrappen. Want jullie hebben veel slechte dingen gedaan. Ja, jullie hebben te veel slechte dingen gedaan. 14Er zullen heel veel mensen in het Oordeelsdal zijn. Daar zal ik beslissen wie ik zal straffen. Want de dag dat ik kom, is dichtbij.’

De Heer beschermt zijn volk

Israël is veilig bij de Heer

15-16In Jeruzalem, op de berg Sion, spreekt de Heer. Zijn stem klinkt als het brullen van een leeuw. Als hij spreekt, beven de hemel en de aarde. De zon en de maan geven geen licht meer, en ook de sterren verliezen hun glans.

Maar het volk van Israël kan vluchten naar de Heer. Want bij hem zijn ze veilig. 17Ze zullen weten dat de Heer hun God is. Hij woont op de heilige berg Sion. En Jeruzalem zal weer een heilige stad zijn. Andere volken zullen daar niet meer komen.

De Heer maakt alles weer goed

18Dan zullen er op de bergen weer wijngaarden vol met druiven zijn. Het vee zal meer dan genoeg melk geven. En in de rivieren van Juda zal weer water stromen. Vanuit de tempel van de Heer zal een rivier gaan stromen, die zelfs het droogste dal weer groen zal maken.

19Maar Egypte zal verwoest worden, en Edom zal een droge woestijn worden. Want hun inwoners hebben Juda aangevallen en onschuldige mensen gedood. 20-21De Heer zal de daders straffen. Hij zal ze zeker straffen!

Maar in Juda zullen altijd mensen wonen, en Jeruzalem zal altijd blijven bestaan. Want de Heer zal daar wonen op de berg Sion.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]