Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Het wonder van het brood

Veel mensen gaan Jezus achterna

61Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea, dat ook wel het Meer van Tiberias genoemd wordt. 2Een grote groep mensen ging Jezus achterna. Want ze hadden gezien dat hij met zijn wonderen zieke mensen beter maakte.

3Toen ging Jezus een berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen. 4Het was vlak voor het Joodse Paasfeest.

5Jezus keek om zich heen. Toen hij zag dat er een grote groep mensen aan kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we eten kopen voor al deze mensen?’ 6Jezus vroeg dat omdat hij wilde zien hoe Filippus zou reageren. Hij wist zelf al wat hij zou gaan doen.

7Filippus zei tegen Jezus: ‘Dat kan echt niet! We hebben veel te weinig geld om voor al deze mensen eten te kopen!’ 8Er kwam een andere leerling bij. Het was Andreas, de broer van Simon Petrus. Andreas zei: 9‘Er is hier een jongen met vijf broden en twee vissen. Maar daar hebben we niets aan voor zo veel mensen.’

Jezus geeft iedereen te eten

10Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Laat alle mensen gaan zitten.’ Er was veel gras op die plaats. Iedereen ging zitten, het waren meer dan vijfduizend mensen.

11Jezus pakte het brood dat de jongen bij zich had, en dankte God voor het voedsel. Daarna begon hij het brood uit te delen. Met de vis deed hij hetzelfde. En de mensen konden zo veel eten als ze wilden.

12Toen iedereen genoeg gegeten had, zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Haal het eten op dat over is. Er mag niets achterblijven.’ 13De leerlingen haalden alles op wat over was van de vijf broden. Het waren twaalf manden vol met brood.

14De mensen zagen dat Jezus een wonder gedaan had, en ze zeiden: ‘Ja, hij is de profeet die naar de wereld zou komen!’ 15Ze wilden hem meenemen om hem koning te maken. Jezus wist dat, en daarom liep hij weg. Hij ging de berg weer op, alleen.

Jezus loopt over het water

16-17Toen het avond werd, was Jezus nog niet terug. De leerlingen gingen naar het meer. Daar stapten ze in een boot om over te steken naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden.

18Het begon hard te waaien, er kwamen hoge golven op het meer. 19Toen ze ongeveer 5 kilometer geroeid hadden, zagen ze opeens Jezus over het water lopen. Hij was vlak bij de boot. De leerlingen werden bang, 20maar Jezus zei tegen hen: ‘Ik ben het, wees niet bang!’

21De leerlingen wilden hem aan boord halen. Maar ze waren al aan land, precies op de plaats waar ze naartoe wilden.

De mensen zoeken Jezus

22-24De volgende dag waren de mensen nog aan de andere kant van het meer. Dat was op de plaats waar ze gegeten hadden, nadat Jezus God gedankt had voor het voedsel. Ze dachten dat Jezus daar nog steeds was. Want ze hadden gezien dat er maar één boot was, en dat Jezus niet in die boot gegaan was. De leerlingen waren zonder hem vertrokken.

Toen de mensen merkten dat Jezus daar toch niet meer was, gingen ze weg. Ze stapten in boten die net uit Tiberias aangekomen waren. En ze staken het meer over om Jezus te gaan zoeken in Kafarnaüm.

Brood dat eeuwig leven geeft

Jezus vertelt over het hemelse brood

25Toen de mensen aan de overkant van het meer gekomen waren, vonden ze Jezus. Ze vroegen: ‘Meester, wanneer bent u hier gekomen?’

26Jezus antwoordde: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie zoeken mij alleen omdat jullie zo veel te eten gekregen hebben, niet omdat jullie begrijpen wat ik doe.

27Luister! Gewoon brood verdwijnt als je het opeet. Maar het hemelse brood geeft eeuwig leven. Doe je uiterste best om dat brood te krijgen. De Mensenzoon kan het je geven. Want God, de Vader, heeft hem die macht gegeven.’

Jezus is het hemelse brood

28De mensen vroegen: ‘Wat moeten we doen? Wat vraagt God van ons?’ 29Jezus zei tegen hen: ‘God vraagt maar één ding, namelijk dat jullie in mij geloven. Want God heeft mij gestuurd.’

30De mensen zeiden: ‘Kunt u dat met een teken bewijzen? Dan zullen we in u geloven. 31Mozes gaf ook een teken, hij gaf onze voorouders in de woestijn manna te eten. In de heilige boeken staat: «Hij gaf het volk brood uit de hemel te eten.»’

32Maar Jezus zei tegen hen: ‘Het was niet Mozes, maar mijn Vader die dat brood gaf. Luister heel goed naar mijn woorden: Mijn Vader geeft jullie het ware hemelse brood. 33Het brood dat God geeft, komt uit de hemel en geeft eeuwig leven aan de mensen.’

34De mensen zeiden: ‘Heer, geef ons elke dag dat brood!’ 35Jezus zei: ‘Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. Als je bij mij komt, zul je nooit meer honger hebben. Als je in mij gelooft, zul je nooit meer dorst hebben. 36Maar ik heb al eerder gezegd: Jullie zien wel wat ik doe, maar toch geloven jullie niet in mij.’

Jezus vertelt over zijn opdracht

37Jezus zei verder: ‘De Vader brengt de mensen die bij mij horen, naar mij toe. Ze komen bij mij, en ik zal hen niet wegsturen. 38Ik ben uit de hemel gekomen, God heeft mij gestuurd. Ik ben dus niet gekomen om te doen wat ik zelf wil, maar om te doen wat God wil.

39God wil dat alle mensen die bij mij horen, gered worden. Als het einde van de wereld komt, zullen ze opstaan uit de dood. 40Dat is wat mijn Vader wil. Alle mensen die de Zoon zien en in hem geloven, krijgen het eeuwige leven. En als het einde van de wereld komt, laat ik hen opstaan uit de dood.’

Jezus komt bij de Vader vandaan

41De Joden begonnen te protesteren, omdat Jezus over zichzelf zei: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel gekomen is.’ 42Ze zeiden tegen elkaar: ‘Hij is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten precies wie zijn vader en moeder zijn. Hoe kan hij dan beweren dat hij uit de hemel gekomen is?’

43Jezus zei tegen hen: ‘Houd op met protesteren! 44De Vader heeft mij gestuurd. Alleen de mensen die hij naar mij toe brengt, kunnen bij mij komen. Als het einde van de wereld komt, zal ik hen laten opstaan uit de dood.

45Dit staat in de heilige boeken: «God zal hun allemaal leren hoe ze moeten leven.» Iedereen die dat van de Vader wil leren, komt bij mij. 46Want niemand heeft ooit de Vader gezien, behalve de Zoon. Hij komt bij God vandaan.’

Het brood dat eeuwig leven geeft

47Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Wie in mij gelooft, krijgt het eeuwige leven.

48Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. 49Jullie voorouders aten in de woestijn manna, brood dat uit de hemel kwam. Toch zijn ze allemaal gestorven. 50Maar het ware hemelse brood is anders: wie daarvan eet, zal niet sterven. 51Ik ben het hemelse brood dat leven geeft. Iedereen die van dat brood eet, zal eeuwig leven!

Het brood dat ik zal uitdelen, is mijn eigen lichaam. Ik zal sterven om de mensen het leven te geven.’

De dood van Jezus brengt redding

52De Joden begonnen een felle discussie met elkaar. Ze riepen: ‘Hoe kan hij nu zijn lichaam aan ons te eten geven!’

53Toen zei Jezus tegen hen: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie moeten mijn lichaam eten en mijn bloed drinken. Anders kunnen jullie het eeuwige leven niet krijgen. 54Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, die krijgt het eeuwige leven. Als het einde van de wereld komt, zal ik hem laten opstaan uit de dood.

55Mijn lichaam en mijn bloed geven het eeuwige leven. 56Mijn dood brengt redding. Als je dat gelooft, dan is het alsof je mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt. Dan ben ik in je, en dan hoor je voor altijd bij mij. 57Ik leef dankzij de Vader, de levende God, die mij gestuurd heeft. En iedereen die bij mij hoort, leeft dankzij mij.

58Ik ben het ware hemelse brood. Jullie voorouders aten manna, brood uit de hemel, maar zij zijn toch gestorven. Maar wie het ware hemelse brood eet, zal eeuwig leven.’

59Jezus zei al die dingen in de synagoge in Kafarnaüm. Daar gaf hij de mensen uitleg over God.

Veel mensen geloven niet in Jezus

60Veel volgelingen van Jezus die dat hoorden, zeiden: ‘Dit gaat te ver! Hier kunnen we niet naar luisteren!’ 61Jezus wist dat ze protesteerden, en hij zei tegen hen: ‘Jullie ergeren je aan mijn woorden. 62Maar stel dat jullie de Mensenzoon omhoog zien gaan naar de plaats waar hij vandaan gekomen is. Zullen jullie mij dan geloven?

63Het aardse bestaan kan jullie niet redden. Alleen de heilige Geest geeft het eeuwige leven. Als je mijn woorden gelooft, zul je de heilige Geest krijgen, en zul je leven. 64Maar sommigen van jullie geloven mijn woorden niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet in hem zouden geloven. En hij wist ook wie hem zou uitleveren aan zijn vijanden.

65Toen zei Jezus: ‘Ik heb jullie al gezegd: De Vader brengt de mensen die bij mij horen, naar mij toe. Alleen zij kunnen bij mij komen.’

De twaalf leerlingen gaan niet weg

66Toen liepen veel volgelingen van Jezus weg. Ze gingen niet langer met hem mee. 67En Jezus vroeg aan de twaalf leerlingen: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’

68Simon Petrus antwoordde: ‘Heer, naar wie zouden wij toe moeten gaan? U spreekt woorden die eeuwig leven geven! 69Wij geloven in u. Wij weten dat u door God zelf gestuurd bent.’

70Jezus zei tegen de twaalf leerlingen: ‘Ik heb jullie alle twaalf zelf uitgekozen. Maar toch is één van jullie een duivel.’ 71Hij zei dat over Judas, de zoon van Simon Iskariot, één van de twaalf leerlingen. Want Judas was de man die hem zou uitleveren aan zijn vijanden.