Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Jezus en de Joodse leiders

Jezus maakt een man beter

51Kort daarna ging Jezus weer naar Jeruzalem omdat er een Joods feest was. 2Bij de Schaapspoort van Jeruzalem was een badhuis met vijf overdekte gangen. Het badhuis heette in het Hebreeuws Betzata.

3De gangen van het badhuis waren vol met zieke mensen. Er waren blinde mensen, mensen die niet konden lopen, en mensen met vergroeide armen of benen. [Alle zieken lagen te wachten tot het water bewoog. 4Want af en toe kwam er een engel van God die het water liet bewegen. Degene die dan als eerste het water in ging, werd beter.]

5Er was daar ook een man die al 38 jaar ziek was. 6Jezus zag hem liggen, en wist dat hij al heel lang ziek was. Jezus vroeg aan hem: ‘Wil je beter worden?’ 7De man antwoordde: ‘Heer, ik heb geen enkele kans, want er is niemand die mij helpt. Als het water gaat bewegen, is er niemand om mij erheen te dragen. Daarom kom ik altijd te laat. Dan is er al een ander in het water, en die wordt dan genezen.’

8Jezus zei tegen de man: ‘Sta op, pak je draagbed op, en loop!’ 9Meteen was de man beter. Hij pakte zijn draagbed op, en hij liep.

De leiders hebben kritiek op Jezus

Het was die dag sabbat. 10De Joodse leiders zeiden tegen de man die beter geworden was: ‘Het is vandaag sabbat, dan mag je geen bed dragen!’ 11Maar hij zei: ‘De man die mij beter maakte, zei: ‘Pak je draagbed op, en loop.’’ 12Ze vroegen hem: ‘Wie was dat?’ 13Dat wist de man niet. Want Jezus was al meteen in de drukte verdwenen.

14Later zag Jezus de man in de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Je bent beter geworden. Doe nu geen verkeerde dingen meer. Anders loopt het slecht met je af.’

15De man ging weg. Hij vertelde aan de Joodse leiders dat Jezus hem beter gemaakt had. 16Toen wilden de Joodse leiders Jezus aanklagen, omdat hij op sabbat iemand beter gemaakt had. 17Maar Jezus zei tegen hen: ‘Mijn Vader werkt altijd, en ik doe dat ook.’

18Vanaf dat moment wilden de Joodse leiders Jezus doden. Want hij had niet alleen iemand beter gemaakt op sabbat, maar ook noemde hij God zijn eigen Vader. En daarmee maakte hij zichzelf gelijk aan God.

Jezus doet hetzelfde als zijn Vader

19-20Toen zei Jezus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: De Vader houdt van zijn Zoon, hij laat zijn Zoon alles zien wat hij doet. Uit zichzelf kan de Zoon niets doen. Maar hij ziet wat de Vader doet, en hij doet dan precies hetzelfde. Hij zal nog grotere wonderen doen dan hij tot nu toe gedaan heeft. Jullie zullen verbaasd zijn!

21Want de Vader laat mensen opstaan uit de dood en hij maakt hen weer levend. En net zo maakt de Zoon mensen weer levend als hij dat wil.

22De Vader zal niet zelf rechtspreken over de mensen, maar hij laat de Zoon rechtspreken. 23Dan zullen alle mensen de Zoon eren, net zoals ze de Vader eren. Als je de Zoon niet eert, eer je ook de Vader niet. Want de Zoon is gestuurd door de Vader.’

Jezus kan eeuwig leven geven

24Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Iemand die mijn boodschap aanneemt en gelooft dat God mij gestuurd heeft, die krijgt het eeuwige leven. Hij zal niet veroordeeld worden. Hij is niet meer in de macht van de dood, maar hij zal voor altijd leven.

25Luister heel goed naar mijn woorden: Er komt een nieuwe tijd, en die is nu al begonnen. Mensen die in de macht van de dood zijn, horen de stem van Gods Zoon. En als ze naar hem luisteren, zullen ze voor altijd leven.

26Want net zoals de Vader leven geeft, zo kan ook de Zoon leven geven. Die macht heeft de Vader aan zijn Zoon gegeven. 27De Zoon is rechter over alle mensen. Hij beslist over dood en leven. Want hij is de Mensenzoon.

28Wees niet verbaasd over wat ik zeg: Er komt een moment dat alle doden de stem van de Mensenzoon horen. 29Dan zullen ze uit hun graf tevoorschijn komen. De mensen die goed geleefd hebben, zullen opstaan en eeuwig leven. Maar de mensen die slecht geleefd hebben, zullen opstaan en veroordeeld worden.

30Uit mijzelf heb ik geen macht. Het oordeel dat ik geef, is het oordeel van de Vader. Ik spreek eerlijk recht. Want ik volg niet mijn eigen wil, maar de wil van de Vader die mij gestuurd heeft.’

Jezus is door God gestuurd

31Jezus zei: ‘Ik zeg dat de Vader mij gestuurd heeft. Als ik dat alleen zelf zou zeggen, zou het nog geen bewijs zijn. 32Maar er is nog iemand anders die dat over mij zegt. En ik weet dat hij de waarheid spreekt.

33Een tijd geleden stuurden jullie een paar mensen naar Johannes de Doper. Johannes heeft hun over mij verteld, en wat hij vertelde, is waar. 34Voor mijzelf is dat geen belangrijk bewijs. Maar ik noem het, omdat ik hoop dat jullie het geloven. Want dan zullen jullie gered worden. 35Johannes sprak helder en duidelijk over de redder die komen zou. En een hele tijd luisterden jullie graag naar zijn woorden.

36Maar ik heb een bewijs dat belangrijker is dan de woorden van Johannes: mijn werk op aarde. Want de Vader heeft mij gestuurd om dat werk te doen en helemaal af te maken. Mijn werk laat zien dat de Vader mij gestuurd heeft.

37En de Vader zelf heeft gezegd wie ik ben. Maar jullie hebben zijn stem nog nooit gehoord, en jullie hebben hem nog nooit gezien. 38En jullie dragen zijn woorden niet in je hart. Anders zouden jullie wel in mij geloven, want ik ben door hem gestuurd.

39Jullie lezen veel in de heilige boeken, om het eeuwige leven te vinden. Maar de heilige boeken vertellen juist over mij! 40Toch willen jullie niet bij mij komen om het eeuwige leven te krijgen.

Waarschuwing tegen ongeloof

41-43Dat jullie mij niet eren, vind ik niet erg. Maar het is wel erg dat jullie geen liefde voor God hebben. Want ik ben gekomen namens mijn Vader, maar jullie willen niet naar mij luisteren. Jullie luisteren alleen naar mensen die hun eigen boodschap vertellen.

44Het gaat jullie niet om de eer van God. Jullie vinden alleen de eer van mensen belangrijk. Hoe kunnen jullie dan ooit echt gaan geloven?

45Denk niet dat ik jullie zal aanklagen bij de Vader. Dat zal Mozes doen. En jullie dachten juist dat die jullie zou redden! 46Als jullie Mozes zouden geloven, dan zouden jullie ook mij geloven. Want Mozes heeft over mij geschreven. 47Maar als jullie niet geloven wat Mozes geschreven heeft, dan geloven jullie ook niet wat ik zeg!’