Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Het wonder van het brood

Veel mensen gaan Jezus achterna

61Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea, dat ook wel het Meer van Tiberias genoemd wordt. 2Een grote groep mensen ging Jezus achterna. Want ze hadden gezien dat hij met zijn wonderen zieke mensen beter maakte.

3Toen ging Jezus een berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen. 4Het was vlak voor het Joodse Paasfeest.

5Jezus keek om zich heen. Toen hij zag dat er een grote groep mensen aan kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we eten kopen voor al deze mensen?’ 6Jezus vroeg dat omdat hij wilde zien hoe Filippus zou reageren. Hij wist zelf al wat hij zou gaan doen.

7Filippus zei tegen Jezus: ‘Dat kan echt niet! We hebben veel te weinig geld om voor al deze mensen eten te kopen!’ 8Er kwam een andere leerling bij. Het was Andreas, de broer van Simon Petrus. Andreas zei: 9‘Er is hier een jongen met vijf broden en twee vissen. Maar daar hebben we niets aan voor zo veel mensen.’

Jezus geeft iedereen te eten

10Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Laat alle mensen gaan zitten.’ Er was veel gras op die plaats. Iedereen ging zitten, het waren meer dan vijfduizend mensen.

11Jezus pakte het brood dat de jongen bij zich had, en dankte God voor het voedsel. Daarna begon hij het brood uit te delen. Met de vis deed hij hetzelfde. En de mensen konden zo veel eten als ze wilden.

12Toen iedereen genoeg gegeten had, zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Haal het eten op dat over is. Er mag niets achterblijven.’ 13De leerlingen haalden alles op wat over was van de vijf broden. Het waren twaalf manden vol met brood.

14De mensen zagen dat Jezus een wonder gedaan had, en ze zeiden: ‘Ja, hij is de profeet die naar de wereld zou komen!’ 15Ze wilden hem meenemen om hem koning te maken. Jezus wist dat, en daarom liep hij weg. Hij ging de berg weer op, alleen.

Jezus loopt over het water

16-17Toen het avond werd, was Jezus nog niet terug. De leerlingen gingen naar het meer. Daar stapten ze in een boot om over te steken naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden.

18Het begon hard te waaien, er kwamen hoge golven op het meer. 19Toen ze ongeveer 5 kilometer geroeid hadden, zagen ze opeens Jezus over het water lopen. Hij was vlak bij de boot. De leerlingen werden bang, 20maar Jezus zei tegen hen: ‘Ik ben het, wees niet bang!’

21De leerlingen wilden hem aan boord halen. Maar ze waren al aan land, precies op de plaats waar ze naartoe wilden.

De mensen zoeken Jezus

22-24De volgende dag waren de mensen nog aan de andere kant van het meer. Dat was op de plaats waar ze gegeten hadden, nadat Jezus God gedankt had voor het voedsel. Ze dachten dat Jezus daar nog steeds was. Want ze hadden gezien dat er maar één boot was, en dat Jezus niet in die boot gegaan was. De leerlingen waren zonder hem vertrokken.

Toen de mensen merkten dat Jezus daar toch niet meer was, gingen ze weg. Ze stapten in boten die net uit Tiberias aangekomen waren. En ze staken het meer over om Jezus te gaan zoeken in Kafarnaüm.

Brood dat eeuwig leven geeft

Jezus vertelt over het hemelse brood

25Toen de mensen aan de overkant van het meer gekomen waren, vonden ze Jezus. Ze vroegen: ‘Meester, wanneer bent u hier gekomen?’

26Jezus antwoordde: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie zoeken mij alleen omdat jullie zo veel te eten gekregen hebben, niet omdat jullie begrijpen wat ik doe.

27Luister! Gewoon brood verdwijnt als je het opeet. Maar het hemelse brood geeft eeuwig leven. Doe je uiterste best om dat brood te krijgen. De Mensenzoon kan het je geven. Want God, de Vader, heeft hem die macht gegeven.’

Jezus is het hemelse brood

28De mensen vroegen: ‘Wat moeten we doen? Wat vraagt God van ons?’ 29Jezus zei tegen hen: ‘God vraagt maar één ding, namelijk dat jullie in mij geloven. Want God heeft mij gestuurd.’

30De mensen zeiden: ‘Kunt u dat met een teken bewijzen? Dan zullen we in u geloven. 31Mozes gaf ook een teken, hij gaf onze voorouders in de woestijn manna te eten. In de heilige boeken staat: «Hij gaf het volk brood uit de hemel te eten.»’

32Maar Jezus zei tegen hen: ‘Het was niet Mozes, maar mijn Vader die dat brood gaf. Luister heel goed naar mijn woorden: Mijn Vader geeft jullie het ware hemelse brood. 33Het brood dat God geeft, komt uit de hemel en geeft eeuwig leven aan de mensen.’

34De mensen zeiden: ‘Heer, geef ons elke dag dat brood!’ 35Jezus zei: ‘Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. Als je bij mij komt, zul je nooit meer honger hebben. Als je in mij gelooft, zul je nooit meer dorst hebben. 36Maar ik heb al eerder gezegd: Jullie zien wel wat ik doe, maar toch geloven jullie niet in mij.’

Jezus vertelt over zijn opdracht

37Jezus zei verder: ‘De Vader brengt de mensen die bij mij horen, naar mij toe. Ze komen bij mij, en ik zal hen niet wegsturen. 38Ik ben uit de hemel gekomen, God heeft mij gestuurd. Ik ben dus niet gekomen om te doen wat ik zelf wil, maar om te doen wat God wil.

39God wil dat alle mensen die bij mij horen, gered worden. Als het einde van de wereld komt, zullen ze opstaan uit de dood. 40Dat is wat mijn Vader wil. Alle mensen die de Zoon zien en in hem geloven, krijgen het eeuwige leven. En als het einde van de wereld komt, laat ik hen opstaan uit de dood.’

Jezus komt bij de Vader vandaan

41De Joden begonnen te protesteren, omdat Jezus over zichzelf zei: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel gekomen is.’ 42Ze zeiden tegen elkaar: ‘Hij is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten precies wie zijn vader en moeder zijn. Hoe kan hij dan beweren dat hij uit de hemel gekomen is?’

43Jezus zei tegen hen: ‘Houd op met protesteren! 44De Vader heeft mij gestuurd. Alleen de mensen die hij naar mij toe brengt, kunnen bij mij komen. Als het einde van de wereld komt, zal ik hen laten opstaan uit de dood.

45Dit staat in de heilige boeken: «God zal hun allemaal leren hoe ze moeten leven.» Iedereen die dat van de Vader wil leren, komt bij mij. 46Want niemand heeft ooit de Vader gezien, behalve de Zoon. Hij komt bij God vandaan.’

Het brood dat eeuwig leven geeft

47Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Wie in mij gelooft, krijgt het eeuwige leven.

48Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. 49Jullie voorouders aten in de woestijn manna, brood dat uit de hemel kwam. Toch zijn ze allemaal gestorven. 50Maar het ware hemelse brood is anders: wie daarvan eet, zal niet sterven. 51Ik ben het hemelse brood dat leven geeft. Iedereen die van dat brood eet, zal eeuwig leven!

Het brood dat ik zal uitdelen, is mijn eigen lichaam. Ik zal sterven om de mensen het leven te geven.’

De dood van Jezus brengt redding

52De Joden begonnen een felle discussie met elkaar. Ze riepen: ‘Hoe kan hij nu zijn lichaam aan ons te eten geven!’

53Toen zei Jezus tegen hen: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie moeten mijn lichaam eten en mijn bloed drinken. Anders kunnen jullie het eeuwige leven niet krijgen. 54Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, die krijgt het eeuwige leven. Als het einde van de wereld komt, zal ik hem laten opstaan uit de dood.

55Mijn lichaam en mijn bloed geven het eeuwige leven. 56Mijn dood brengt redding. Als je dat gelooft, dan is het alsof je mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt. Dan ben ik in je, en dan hoor je voor altijd bij mij. 57Ik leef dankzij de Vader, de levende God, die mij gestuurd heeft. En iedereen die bij mij hoort, leeft dankzij mij.

58Ik ben het ware hemelse brood. Jullie voorouders aten manna, brood uit de hemel, maar zij zijn toch gestorven. Maar wie het ware hemelse brood eet, zal eeuwig leven.’

59Jezus zei al die dingen in de synagoge in Kafarnaüm. Daar gaf hij de mensen uitleg over God.

Veel mensen geloven niet in Jezus

60Veel volgelingen van Jezus die dat hoorden, zeiden: ‘Dit gaat te ver! Hier kunnen we niet naar luisteren!’ 61Jezus wist dat ze protesteerden, en hij zei tegen hen: ‘Jullie ergeren je aan mijn woorden. 62Maar stel dat jullie de Mensenzoon omhoog zien gaan naar de plaats waar hij vandaan gekomen is. Zullen jullie mij dan geloven?

63Het aardse bestaan kan jullie niet redden. Alleen de heilige Geest geeft het eeuwige leven. Als je mijn woorden gelooft, zul je de heilige Geest krijgen, en zul je leven. 64Maar sommigen van jullie geloven mijn woorden niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet in hem zouden geloven. En hij wist ook wie hem zou uitleveren aan zijn vijanden.

65Toen zei Jezus: ‘Ik heb jullie al gezegd: De Vader brengt de mensen die bij mij horen, naar mij toe. Alleen zij kunnen bij mij komen.’

De twaalf leerlingen gaan niet weg

66Toen liepen veel volgelingen van Jezus weg. Ze gingen niet langer met hem mee. 67En Jezus vroeg aan de twaalf leerlingen: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’

68Simon Petrus antwoordde: ‘Heer, naar wie zouden wij toe moeten gaan? U spreekt woorden die eeuwig leven geven! 69Wij geloven in u. Wij weten dat u door God zelf gestuurd bent.’

70Jezus zei tegen de twaalf leerlingen: ‘Ik heb jullie alle twaalf zelf uitgekozen. Maar toch is één van jullie een duivel.’ 71Hij zei dat over Judas, de zoon van Simon Iskariot, één van de twaalf leerlingen. Want Judas was de man die hem zou uitleveren aan zijn vijanden.

7

Jezus op het Loofhuttenfeest

Jezus wil niet naar Jeruzalem gaan

71-2Het was vlak voor het Joodse Loofhuttenfeest. Jezus reisde rond in Galilea. Hij wilde niet naar Judea gaan, want hij wist dat de Joodse leiders hem wilden doden.

3De broers van Jezus zeiden tegen hem: ‘Blijf niet hier, maar ga naar Judea. Dan kunnen ook je volgelingen in Judea zien wat voor bijzondere dingen je doet. 4Je wilt toch bekend worden? Dan moet je niet in het geheim werken. Laat aan alle mensen zien wat je doet!’ 5De broers van Jezus zeiden dat omdat ze niet echt in hem geloofden.

6Jezus zei tegen hen: ‘Het juiste moment is voor mij nog niet gekomen. Voor jullie is elk moment geschikt. 7Want jullie worden niet gehaat door de mensen. Maar mij haten ze wel, omdat ik overal vertel hoe slecht hun daden zijn. 8Gaan jullie maar naar het feest! Ik ga er niet heen, want het juiste moment is voor mij nog niet gekomen.’

9Dat was het antwoord van Jezus, en hij bleef in Galilea.

Jezus gaat toch naar Jeruzalem

10De broers van Jezus gingen naar Jeruzalem voor het feest. Toen ze weg waren, ging Jezus zelf ook naar Jeruzalem. Maar niemand wist dat, hij ging in het geheim.

11De Joodse leiders waren op zoek naar Jezus. Ze vroegen: ‘Waar is hij?’ 12De mensen spraken over Jezus. Sommigen zeiden: ‘Hij is een goed mens.’ Anderen zeiden: ‘Nee, hij bedriegt het volk.’ 13Maar niemand durfde in het openbaar over Jezus te spreken. Iedereen was bang voor de Joodse leiders.

Jezus geeft uitleg in de tempel

14Toen het feest al op de helft was, ging Jezus naar de tempel. Daar gaf hij de mensen uitleg over God. 15De Joden waren verbaasd. Ze zeiden: ‘Hoe kan hij zo veel weten? Dat heeft hij toch nergens geleerd?’

16Jezus zei tegen hen: ‘Wat ik aan de mensen leer, heb ik niet van mijzelf. Het is de boodschap van God, hij heeft mij gestuurd. 17Luister naar God en doe wat hij wil! Dan zul je ontdekken dat ik zijn boodschap vertel, en dat ik niet namens mijzelf spreek. 18Iemand die namens zichzelf spreekt, wil zelf geëerd worden. Maar ik wil dat degene die mij gestuurd heeft, geëerd wordt. Daarom kun je mij vertrouwen. Ik bedrieg de mensen niet.’

19Jezus zei verder: ‘Mozes heeft jullie de wet gegeven, maar niemand van jullie houdt zich eraan! Want jullie willen mij doden.’

20De mensen zeiden tegen hem: ‘Heeft een kwade geest u gek gemaakt? Er is niemand die u wil doden!’

Jezus waarschuwt de mensen

21Jezus zei: ‘Ik heb één wonder gedaan in Jeruzalem, en jullie zijn daar verbaasd over. 22-23Jullie zijn zelfs kwaad op mij, omdat ik iemand op sabbat genezen heb. Toch doen jullie zelf net zoiets! Want jullie besnijden kinderen op sabbat, als de achtste dag na hun geboorte een sabbat is. Jullie zeggen: ‘Zo houden we ons aan de wet van Mozes.’ Maar als je iemand op sabbat mag besnijden, dan mag je zeker iemand op sabbat genezen! En trouwens, de besnijdenis komt niet van Mozes, maar begon al bij Abraham.

24Geef geen oordeel over wat je ziet, maar probeer te begrijpen wat het echt betekent.’

De mensen reageren verschillend

25Sommige mensen uit Jeruzalem zeiden: ‘Kijk nou! Dat is toch de man die ze willen doden? 26Hij staat hier gewoon in het openbaar te praten, en niemand zegt er iets van! Zouden onze leiders soms zelf in hem zijn gaan geloven? Zouden ze misschien geloven dat hij echt de messias is? 27Maar dat kan toch niet? Want als de messias komt, weet niemand waar hij vandaan komt. En wij weten toch allemaal waar Jezus vandaan komt?’

28Jezus gaf hun in de tempel uitleg, en zei met nadruk: ‘Jullie kennen mij, en jullie weten waar ik vandaan kom. Maar ik ben hier niet namens mijzelf. Ik ben gestuurd door iemand die betrouwbaar is. Jullie kennen hem niet, 29maar ik ken hem wel. Want ik kom bij hem vandaan en hij heeft mij gestuurd.’

30Toen wilde een aantal mensen Jezus gevangennemen. Maar ze konden hem niet grijpen, want het juiste moment was nog niet gekomen.

31Veel andere mensen gingen in Jezus geloven. Ze zeiden: ‘Als iemand zo veel wonderen doet, dan moet hij toch wel de messias zijn!’

32De farizeeën hoorden wat de mensen over Jezus zeiden. Toen stuurden de farizeeën en de priesters een groep dienaren op Jezus af om hem gevangen te nemen.

Jezus vertelt dat hij weggaat

33Jezus zei: ‘Ik zal nog maar een korte tijd bij jullie zijn. Daarna ga ik terug naar degene die mij gestuurd heeft. 34Dan zullen jullie mij zoeken, maar jullie zullen me niet vinden. Want dan ben ik op een plaats waar jullie niet kunnen komen.’

35De Joden bespraken dat met elkaar. Ze zeiden: ‘Waar gaat hij heen? Waar zouden wij hem niet kunnen vinden? Is hij misschien van plan om naar het buitenland te gaan? Wil hij zijn boodschap gaan vertellen aan andere volken?’ 36Ze begrepen niet wat Jezus bedoelde met: ‘Dan zullen jullie mij zoeken, maar jullie zullen mij niet vinden. Want dan ben ik op een plaats waar jullie niet kunnen komen.’

Jezus vertelt over het levende water

37Op de laatste, belangrijkste dag van het feest was Jezus in de tempel. Hij riep tegen de mensen: ‘Als je dorst hebt, kom dan bij mij om te drinken! 38Want dit zeggen de heilige boeken over mensen die in mij geloven: «Ze zullen altijd vol levend water zijn.»’

39Met dat levende water bedoelde Jezus de heilige Geest. Want iedereen die in Jezus gelooft, zou de heilige Geest in zich krijgen. Maar op dat moment was de heilige Geest nog niet gekomen. Want Jezus was nog niet naar de hemel gegaan.

De mensen zijn het oneens over Jezus

40Toen de mensen de woorden van Jezus hoorden, zeiden sommigen: ‘Deze man is de profeet die zou komen!’ 41Anderen zeiden: ‘Hij is de messias!’ Weer anderen zeiden: ‘Maar de messias komt toch niet uit Galilea? 42In de heilige boeken staat dat de messias een nakomeling van David is, en uit Betlehem komt! Want dat is de stad waar David woonde.’

43De mensen waren het totaal oneens over Jezus. 44Sommigen wilden hem gevangennemen, maar ze konden hem niet grijpen.

De farizeeën zijn kwaad

45De dienaren van de farizeeën en de priesters kwamen terug. Ze hadden Jezus niet gevangengenomen. De farizeeën en de priesters vroegen: ‘Waarom hebben jullie hem niet meegenomen?’ 46De dienaren zeiden: ‘Geen mens spreekt zo overtuigend als hij!’

47De farizeeën zeiden: ‘Heeft hij jullie nu ook al bedrogen? 48Niemand van de leiders en niemand van de farizeeën gelooft in hem. 49Alleen dat vervloekte volk, dat de wet niet kent!’

50Maar Nikodemus, een farizeeër die al eens bij Jezus geweest was, zei: 51‘Volgens onze wet mogen we iemand niet zomaar veroordelen! We moeten eerst zelf horen wat hij zegt, en onderzoeken wat hij gedaan heeft.’ 52Maar de anderen zeiden tegen hem: ‘Kom jij soms ook uit Galilea, net als Jezus? Uit Galilea kan geen profeet komen. Kijk dat maar na in de heilige boeken.’

Jezus spreekt in de tempel

Er wordt een vrouw bij Jezus gebracht

[53Toen gingen alle mensen terug naar huis,

8

81en Jezus ging naar de Olijfberg. 2De volgende ochtend vroeg ging Jezus weer naar de tempel. Het hele volk kwam naar hem toe. Jezus ging zitten, en gaf uitleg over God. 3Toen brachten de wetsleraren en de farizeeën een vrouw bij Jezus. Ze had met een andere man geslapen, en dat was ontdekt. De wetsleraren en de farizeeën zetten de vrouw in het midden neer. 4Ze zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw heeft met een andere man geslapen, en dat is ontdekt. 5Volgens de wet van Mozes moet zo’n vrouw gedood worden. Wat is uw oordeel?’

6De wetsleraren en de farizeeën hoopten dat Jezus iets strafbaars zou zeggen. Want dan konden ze hem aanklagen. Maar Jezus boog zich voorover en schreef met zijn vinger in het zand.

7De wetsleraren en de farizeeën bleven hun vraag herhalen. Toen keek Jezus op en zei: ‘Wie van jullie heeft nooit iets verkeerds gedaan? Die moet als eerste een steen naar de vrouw gooien.’ 8Daarna boog Jezus zich opnieuw voorover en schreef weer met zijn vinger in het zand.

9Toen liepen de mensen één voor één weg, de leiders van het volk het eerst. Jezus bleef alleen achter met de vrouw die bij hem gebracht was. 10Hij kwam overeind en zei tegen haar: ‘Waar is iedereen gebleven? Heeft niemand je veroordeeld?’ 11De vrouw zei: ‘Nee, Heer, niemand.’ Toen zei Jezus: ‘Ik veroordeel je ook niet. Ga naar huis, en doe vanaf nu geen verkeerde dingen meer.’]

Jezus vertelt over zichzelf

12Later sprak Jezus opnieuw tegen de mensen. Hij zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Als je mij volgt, leef je niet meer in het donker. Dan hoor je bij het licht dat leven geeft.’

13De farizeeën zeiden tegen hem: ‘U zegt dat over uzelf. Maar waarom zou dat waar zijn?’ 14Jezus antwoordde: ‘Ik zeg dat inderdaad over mijzelf. En toch is het waar. Want ik weet waar ik vandaan kom en waar ik naartoe zal gaan. Maar jullie weten dat niet. 15Jullie veroordelen mij, omdat jullie denken als aardse mensen. Maar ik veroordeel niemand. 16En als ik oordeel, is mijn oordeel juist. Want ik oordeel samen met de Vader die mij gestuurd heeft. 17In jullie eigen wet staat dat een verklaring van twee getuigen geldig is. 18Dus wat ik zeg, is waar. Want ik zeg het, en de Vader die mij gestuurd heeft, zegt het ook.’

19De farizeeën vroegen: ‘Waar is uw vader dan?’ Jezus zei: ‘Jullie kennen mij niet en jullie kennen mijn Vader niet. Want als jullie mij zouden kennen, dan zouden jullie ook mijn Vader kennen.’

20Jezus zei dat toen hij de mensen uitleg gaf bij de geldkist in de tempel. Hij werd niet gevangengenomen, want het juiste moment was voor hem nog niet gekomen.

Jezus vertelt waar hij naartoe gaat

21Jezus zei verder tegen de mensen: ‘Ik ga weg. Jullie zullen mij zoeken, maar niet vinden. Want waar ik naartoe ga, daar kunnen jullie niet komen. En jullie zullen sterven als slechte mensen.’

22De Joden zeiden tegen elkaar: ‘Waarom kunnen wij niet komen waar hij naartoe gaat? Wat bedoelt hij daarmee? Wil hij soms zelfmoord plegen?’

23Jezus zei tegen hen: ‘Jullie plaats is hier op aarde, maar mijn plaats is daarboven. Jullie horen bij deze wereld, maar ik niet. 24Ik zei al: ‘Jullie zullen sterven als slechte mensen.’ Dat zal inderdaad gebeuren als jullie niet in mij geloven. Want ik ben degene die komen zou.’

25Ze vroegen: ‘Wie bent u dan?’ En Jezus zei: ‘Dat vertel ik jullie al de hele tijd! 26Ik zou veel slechte dingen over jullie kunnen zeggen en jullie kunnen veroordelen. Maar ik ben voor iets anders naar de wereld gekomen. Ik ben gestuurd door iemand die betrouwbaar is. Ik moet zijn boodschap bekendmaken.’ 27De mensen begrepen niet dat Jezus het over de Vader had.

28Toen zei Jezus tegen hen: ‘Pas als jullie mij aan het kruis gehangen hebben, zullen jullie begrijpen dat ik de Mensenzoon ben. En dat ik niets uit mezelf gedaan heb. Want ik vertel jullie wat de Vader mij geleerd heeft. 29De Vader die mij gestuurd heeft, is bij me. Hij laat me nooit alleen, omdat ik altijd doe wat hij wil.’

30Toen Jezus dat zei, gingen veel mensen in hem geloven.

Jezus bevrijdt mensen

31Jezus zei tegen de Joden die in hem geloofden: ‘Mijn boodschap moet in jullie hart zijn. Alleen dan zijn jullie echt mijn leerlingen. 32Dan zullen jullie de waarheid kennen, en daardoor zullen jullie bevrijd worden.’

33Maar de Joden zeiden tegen hem: ‘Wij zijn nakomelingen van Abraham. Hoe kunt u zeggen dat we bevrijd zullen worden? Wij zijn nooit iemands slaaf geweest!’

34Toen zei Jezus tegen hen: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Iedereen die verkeerde dingen doet, is een slaaf van de zonde. 35-36Zo iemand heeft geen plaats bij God. Maar de Zoon van God kan je bevrijden. En als je bevrijd bent, heb je voor altijd een plaats bij God.’

Discussie met de Joden

37Jezus zei verder: ‘Ik weet natuurlijk wel dat jullie nakomelingen van Abraham zijn. Maar jullie laten mijn boodschap niet toe in je hart. Daarom willen jullie mij doden. 38Ik vertel jullie wat ik gezien heb toen ik bij mijn Vader was. En jullie doen wat jullie vader je gezegd heeft.’

39De Joden zeiden: ‘Abraham is onze vader!’ Maar Jezus zei tegen hen: ‘Als Abraham jullie vader was, zouden jullie goed leven, net als hij. 40Maar jullie doen iets wat Abraham nooit zou doen! Want jullie willen mij doden, terwijl ik jullie de waarheid vertel die ik van God zelf gehoord heb! 41Jullie doen net zulke slechte dingen als die vader van jullie!’

De Joden zeiden: ‘Die vader van jullie? Wij weten echt wel van wie we afstammen! Trouwens, we hebben maar één Vader, en dat is God.’

Over waarheid en leugen

42Jezus zei: ‘Als God jullie Vader was, dan zouden jullie mij liefhebben. Want ik kom bij hem vandaan. Ik ben niet uit mezelf gekomen, maar God heeft mij gestuurd. 43Toch begrijpen jullie niets van wat ik zeg. Het lukt jullie niet om naar mij te luisteren. 44Dat komt doordat de duivel jullie vader is. En jullie doen graag slechte dingen, net als hij.

De duivel wilde vanaf het begin de mensen doden. Hij is niet te vertrouwen, want er is geen waarheid in hem. Hij kan niet anders dan liegen. En hij zorgt er ook voor dat mensen liegen. 45Ik spreek de waarheid, maar jullie geloven mij niet.

46Niemand van jullie durft mij te beschuldigen. Ik spreek de waarheid. Waarom geloven jullie mij dan niet? 47Iemand die bij God hoort, luistert naar Gods woorden. Maar jullie luisteren niet, en dus horen jullie niet bij God.’

Kritiek op Jezus

48Toen zeiden de Joden: ‘We zeiden toch dat u een kwade geest in u hebt! U hoort niet bij ons volk!’ 49Jezus zei: ‘Nee, ik heb geen kwade geest in me. Ik doe alles om mijn Vader te eren, maar jullie beledigen mij. 50Ik zoek niet mijn eigen eer. Maar er is iemand die ervoor zorgt dat ik die eer zal krijgen. Hij is degene die oordeelt over alle mensen.

51Luister heel goed naar mijn woorden: Iedereen die mijn boodschap in zijn hart bewaart, die zal nooit sterven.’

52De Joden zeiden: ‘Nu weten we zeker dat u een kwade geest in u hebt. Want u zegt: ‘Iedereen die mijn boodschap in zijn hart bewaart, zal nooit sterven.’ Maar zelfs onze voorvader Abraham en de profeten zijn gestorven! 53U hebt toch niet meer macht dan zij? Wie denkt u wel dat u bent?’

Jezus kent God van dichtbij

54Jezus zei tegen de Joden: ‘Als ik mezelf de hoogste eer zou geven, zou dat geen betekenis hebben. Maar het is mijn Vader die mij de hoogste eer geeft. Jullie zeggen dat hij jullie God is, 55maar jullie kennen hem niet. Jullie liegen als je zegt dat je God kent. Maar ik zou liegen als ik zei dat ik hem niet kende. Want ik ken hem wel, en ik geef zijn boodschap door.

56Abraham verheugde zich op mijn komst. Toen hij mij zag, was hij blij.’ 57De Joden zeiden tegen Jezus: ‘Hoe kunt u Abraham ooit gezien hebben? U bent nog geen vijftig jaar oud!’ 58Toen zei Jezus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Ik ben er, en ik was er al voordat Abraham er was.’

59Toen pakten de Joden stenen van de grond om naar hem te gooien. Maar Jezus ging weg uit de tempel en verdween.