Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Jezus spreekt met Nikodemus

Nikodemus komt naar Jezus toe

31Er was een farizeeër die Nikodemus heette. Hij was één van de Joodse leiders. 2Midden in de nacht kwam hij naar Jezus toe en zei: ‘Meester, wij weten dat God u gestuurd heeft om onze leraar te zijn. Want we zien dat God u helpt om al die wonderen te doen.’

3Jezus zei tegen Nikodemus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Je kunt alleen bij Gods nieuwe wereld horen als je op een nieuwe manier geboren wordt.’

4Toen zei Nikodemus: ‘Iemand die al oud is, kan toch niet opnieuw geboren worden? Hij kan toch niet teruggaan in de buik van zijn moeder en nog een keer geboren worden?’

5Jezus zei tegen hem: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Je kunt Gods nieuwe wereld alleen binnengaan als je op een nieuwe manier geboren wordt. En dat gebeurt als je gedoopt wordt met de heilige Geest.’

Jezus vertelt over de hemelse wereld

6Jezus zei: ‘Wie op een gewone, menselijke manier geboren wordt, zal een keer sterven. Maar wie geboren wordt door de Geest, zal eeuwig leven. 7Wees dus niet verbaasd als ik zeg: Jullie moeten op een nieuwe manier geboren worden.

8Denk aan de wind: Die waait waarheen hij wil. Je hoort hem, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat. Zo is het ook met de Geest: Je weet niet waar hij vandaan komt en hoe hij werkt. Want hij hoort bij de hemelse wereld. En iedereen die door de Geest geboren wordt, hoort ook bij de hemelse wereld.’

9Nikodemus vroeg: ‘Maar hoe kan dat?’ 10Jezus zei: ‘Begrijp je dat niet? Jij bent toch een leraar van het volk van Israël? 11Luister heel goed naar mijn woorden: Ik vertel jullie over de hemelse wereld, die ik ken en zelf gezien heb. Maar jullie geloven mij niet. 12Jullie geloven me niet eens als ik vertel over de aardse wereld. Dan zullen jullie me zeker niet geloven als ik vertel over de hemelse wereld!’

13Nog nooit is er iemand van de aarde omhooggegaan naar de hemel. Alleen de Mensenzoon, die eerst vanuit de hemel naar de aarde kwam.

Jezus komt om de mensen te redden

14Mozes zette in de woestijn een koperen slang hoog op een paal. Net zo moet de Mensenzoon een hoge plaats krijgen, eerst aan het kruis en daarna in de hemel. 15En daardoor krijgt iedereen die in hem gelooft, het eeuwige leven. 16Want Gods liefde voor de mensen was zo groot, dat hij zijn enige Zoon gegeven heeft. Iedereen die in hem gelooft, zal niet sterven, maar voor altijd leven.

17God heeft zijn Zoon naar de wereld gestuurd om de mensen te redden. Niet om hen te veroordelen. 18Want wie in de Zoon gelooft, zal niet veroordeeld worden. Maar de mensen die niet in hem willen geloven, die zijn al veroordeeld. Zij zullen gestraft worden, omdat ze niet willen geloven in de enige Zoon van God.

19Zo zijn die mensen veroordeeld: de Zoon kwam naar de wereld als het ware licht voor alle mensen, maar de mensen kozen voor het donker. Dat zie je aan hun slechte daden.

20Iemand die slecht leeft, heeft een hekel aan het licht. Hij vlucht weg van het licht, want hij wil zijn slechte daden verborgen houden. 21Maar iemand die goed leeft en trouw is, zoekt het licht juist op. Dan wordt duidelijk dat hij dicht bij God leeft.

Uitleg over Jezus

Johannes spreekt over Jezus

22Daarna ging Jezus met zijn leerlingen naar een plaats in Judea. Ze bleven daar een tijd, en Jezus doopte er mensen. 23Ook Johannes doopte in dat gebied, in de plaats Enon, dicht bij Salim. Want er was in dat gebied veel water. Er kwamen daar veel mensen om zich te laten dopen. 24Het was voordat Johannes gevangen werd genomen.

25De leerlingen van Johannes kregen een discussie met één van de Joden. Het ging over de vraag hoe iemand rein wordt door water. 26Daarna gingen de leerlingen naar Johannes en zeiden: ‘Meester, weet u nog dat we aan de overkant van de Jordaan waren? Toen was er een man bij u, en u zei over hem: ‘Dat is de Zoon van God.’ Die man is nu hier om mensen te dopen. Iedereen gaat naar hem toe!’

27Johannes zei: ‘Ieder mens krijgt wat God hem wil geven. 28Jullie waren erbij toen ik zei: ‘Ik ben niet de messias, maar ik ben gestuurd om voor hem uit te gaan.’

29Luister, wie heeft op een bruiloft de bruid in zijn armen? Dat is de bruidegom. En wie is er blij? De vriend van de bruidegom. Want de vriend is blij als hij de stem van de bruidegom hoort. En ik ben net zo blij als die vriend, omdat Jezus veel volgelingen krijgt. 30Jezus moet steeds belangrijker worden. En ik moet juist minder belangrijk worden.’

Jezus heeft de macht van God

31Iemand die ontstaan is uit de aarde, hoort bij de aarde, en spreekt over aardse zaken. Maar Jezus Christus is van boven gekomen, uit de hemel. Hij is belangrijker dan iedereen. 32Hij komt vertellen wat hij in de hemel gezien en gehoord heeft. Maar niemand wil hem geloven.

33-34Jezus is door God gestuurd. Hij spreekt Gods woorden, want Gods Geest is in hem. Iemand die de hemelse boodschap van Jezus gelooft, zegt dus eigenlijk: ‘Wat God zegt, is waar.’

35De Vader houdt van de Zoon. Hij heeft hem alle macht gegeven. 36Mensen die geloven in de Zoon, krijgen het eeuwige leven. Maar mensen die niet in hem willen geloven, krijgen dat eeuwige leven niet. Nee, zij worden voor altijd door God gestraft.

4

Jezus en de Samaritaanse vrouw

Jezus reist door Samaria

41-3De farizeeën hoorden dat Jezus steeds meer volgelingen kreeg, en meer mensen doopte dan Johannes. (Jezus doopte trouwens niet zelf, dat deden zijn leerlingen.)

Toen Jezus ontdekte dat de farizeeën dat gehoord hadden, ging hij weg uit Judea, terug naar Galilea.

4Hij moest door Samaria reizen, 5en kwam bij de stad Sichar. Die stad lag dicht bij het stuk land dat Jakob ooit aan zijn zoon Jozef gegeven had. 6Bij Sichar was de Jakobsput. Jezus ging bij die put zitten, want hij was moe van de reis. Het was ongeveer twaalf uur ’s middags.

Jezus vraagt een vrouw om water

7Toen kwam er een Samaritaanse vrouw aan. Ze kwam water halen uit de put. Jezus zei tegen haar: ‘Geef me alsjeblieft iets te drinken.’ 8De leerlingen van Jezus waren op dat moment in Sichar om eten te kopen.

9De vrouw zei tegen hem: ‘Dat kunt u mij toch niet vragen! Want u bent een Jood en ik ben een Samaritaanse vrouw.’ Joden mogen namelijk niet omgaan met Samaritanen.

10Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb jou om water gevraagd. Maar jij weet niet wie ik ben. Je weet niet wat God aan de mensen wil geven. Want als je dat wel geweten had, dan had je mij om water gevraagd! En dan had ik je water gegeven dat eeuwig leven geeft.’

11De vrouw zei: ‘Maar meneer, u hebt geen emmer, en de put is diep! Waar wilt u dat water vandaan halen? 12Kunt u soms meer dan onze voorvader Jakob? Jakob heeft ons deze put gegeven. Hij heeft er zelf water uit gedronken. En ook zijn zonen en zijn dieren hebben uit deze put gedronken.’

Het water dat eeuwig leven geeft

13Jezus zei: ‘Iedereen die water uit deze put drinkt, zal weer dorst krijgen. 14Maar als je drinkt van het water dat ik geef, krijg je nooit meer dorst. Want het water dat ik geef, blijft altijd in je. Het geeft je het eeuwige leven.’

15De vrouw zei: ‘Meneer, geef mij dat water! Dan zal ik nooit meer dorst krijgen. En dan hoef ik nooit meer naar de put om water te halen!’

16Jezus zei tegen haar: ‘Ga eerst je man halen, en kom dan terug.’ 17De vrouw zei tegen Jezus: ‘Ik heb geen man.’ Jezus zei: ‘Precies. 18Je hebt vijf mannen gehad. En nu leef je samen met iemand die jouw man niet is. Dus wat je zegt, is waar.’

Jezus vertelt hoe je God moet vereren

19De vrouw zei: ‘Nu begrijp ik dat u een profeet bent! Daarom wil ik u iets vragen. 20Onze voorouders vereerden God op de berg Gerizim. Maar de Joden zeggen dat je God alleen in de tempel van Jeruzalem mag vereren. Wie heeft er gelijk?’

21-22Jezus zei tegen haar: ‘De Samaritanen vereren God zonder hem te kennen. De Joden vereren God en kennen hem. Want de redder van de wereld komt uit het Joodse volk.

Geloof me, er komt een nieuwe tijd. Dan wordt God niet meer vereerd op de berg Gerizim of in de tempel van Jeruzalem. 23In die tijd, die nu al begonnen is, vereren de ware gelovigen God niet meer op één speciale plaats. Want dankzij de heilige Geest kennen zij God, de Vader, echt. Daardoor kunnen zij de Vader vereren op een nieuwe manier, zoals hij het wil.

24God hoort bij de hemelse wereld. Alleen door de heilige Geest kun je God echt leren kennen. En alleen dan kun je hem op de juiste manier vereren.’

25De vrouw zei: ‘Ik weet dat de messias, die Christus genoemd wordt, zal komen. Hij zal ons alles over God vertellen.’ 26Jezus zei tegen haar: ‘De messias spreekt met je. Ik ben het.’

De vrouw gaat terug naar de stad

27Op dat moment kwamen de leerlingen terug. Ze waren verbaasd dat Jezus met een vrouw aan het praten was. Maar toch vroegen ze niet: ‘Waarom praat u met haar? Wat wilt u?’

28De vrouw liet haar waterkruik staan, en ging terug naar de stad. Daar zei ze tegen de mensen: 29‘Kom mee! Er is iemand die alles van mij weet. Dat moet de messias zijn!’ 30De mensen liepen de stad uit en gingen naar Jezus toe.

De tijd van de oogst is gekomen

31Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Meester, eet toch iets.’ 32Maar Jezus zei: ‘Ik leef van iets dat jullie niet kennen.’ 33De leerlingen zeiden tegen elkaar: ‘Hoe kan dat? Heeft iemand hem soms eten gebracht?’ 34Maar Jezus zei: ‘Ik leef van gehoorzaamheid aan God. Ik werk namens hem, en dat werk zal ik afmaken.

35De mensen zeggen: ‘Na het zaaien moet je vier maanden wachten tot je kunt oogsten.’ Maar luister naar mijn woorden: Kijk om je heen, de velden zijn al klaar voor de oogst. 36-38De mannen die maaien, krijgen hun loon al. Ze vieren feest, samen met de mannen die gezaaid hebben. Want het spreekwoord is: ‘De één zaait, de ander maait.’’

Jezus zei verder tegen zijn leerlingen: ‘Jullie hoeven in Samaria niet te zaaien, dat hebben anderen al gedaan. Maar ik stuur jullie nu wel om de oogst binnen te halen. En dit is de oogst: alle mensen die in mij geloven. Zij krijgen het eeuwige leven.’

Veel Samaritanen gaan in Jezus geloven

39Veel Samaritanen uit Sichar gingen in Jezus geloven. Dat was omdat de vrouw over Jezus gezegd had: ‘Hij weet alles van mij!’ 40Ze gingen naar Jezus toe, en ze vroegen hem om bij hen te blijven.

Toen bleef Jezus nog twee dagen bij hen. 41En door alles wat hij vertelde, gingen nog veel meer mensen uit de stad geloven. 42Ze zeiden tegen de vrouw: ‘Eerst geloofden we in Jezus door wat jij ons vertelde. Maar nu hebben we hem zelf gehoord. En nu weten we zeker dat Jezus de redder van de wereld is.’

Jezus in Galilea

Jezus wordt hartelijk ontvangen

43Na twee dagen ging Jezus verder, hij ging naar Galilea. 44Hij had zelf ooit gezegd dat een profeet in zijn eigen land niet met respect behandeld wordt. 45Maar toen hij in Galilea kwam, werd hij hartelijk ontvangen. Want de inwoners van Galilea hadden gezien wat Jezus op het Paasfeest in Jeruzalem gedaan had. Ze waren daar zelf bij geweest.

Jezus maakt een jongen beter

46In Galilea ging Jezus weer naar Kana. Dat was de plaats waar hij van water wijn gemaakt had.

Er was daar een man uit Kafarnaüm die in dienst was van de koning. Zijn zoon was erg ziek. 47De man hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was. Hij ging naar hem toe en zei: ‘Ga alstublieft mee naar Kafarnaüm om mijn zoon beter te maken. Anders zal hij sterven!’

48Maar Jezus zei: ‘Wat is dat toch met jullie? Jullie geloven alleen als je wonderen ziet!’ 49De man zei: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn zoon sterft!’ 50Jezus zei tegen hem: ‘Ga naar huis, je zoon leeft!’ De man geloofde wat Jezus zei, en ging naar huis.

51Onderweg kwamen zijn dienaren hem tegemoet. Ze zeiden: ‘Uw zoon leeft!’ 52De man vroeg: ‘Op welk moment is hij beter geworden?’ Ze zeiden: ‘Gistermiddag om één uur. Toen was de koorts opeens weg.’ 53Dat was precies het moment waarop Jezus tegen de man gezegd had: ‘Je zoon leeft!’ De man begreep wat er gebeurd was en ging in Jezus geloven, samen met zijn familie en zijn dienaren.

54Dat was het tweede wonder dat Jezus in Galilea deed. Het gebeurde nadat hij uit Judea teruggekomen was.

5

Jezus en de Joodse leiders

Jezus maakt een man beter

51Kort daarna ging Jezus weer naar Jeruzalem omdat er een Joods feest was. 2Bij de Schaapspoort van Jeruzalem was een badhuis met vijf overdekte gangen. Het badhuis heette in het Hebreeuws Betzata.

3De gangen van het badhuis waren vol met zieke mensen. Er waren blinde mensen, mensen die niet konden lopen, en mensen met vergroeide armen of benen. [Alle zieken lagen te wachten tot het water bewoog. 4Want af en toe kwam er een engel van God die het water liet bewegen. Degene die dan als eerste het water in ging, werd beter.]

5Er was daar ook een man die al 38 jaar ziek was. 6Jezus zag hem liggen, en wist dat hij al heel lang ziek was. Jezus vroeg aan hem: ‘Wil je beter worden?’ 7De man antwoordde: ‘Heer, ik heb geen enkele kans, want er is niemand die mij helpt. Als het water gaat bewegen, is er niemand om mij erheen te dragen. Daarom kom ik altijd te laat. Dan is er al een ander in het water, en die wordt dan genezen.’

8Jezus zei tegen de man: ‘Sta op, pak je draagbed op, en loop!’ 9Meteen was de man beter. Hij pakte zijn draagbed op, en hij liep.

De leiders hebben kritiek op Jezus

Het was die dag sabbat. 10De Joodse leiders zeiden tegen de man die beter geworden was: ‘Het is vandaag sabbat, dan mag je geen bed dragen!’ 11Maar hij zei: ‘De man die mij beter maakte, zei: ‘Pak je draagbed op, en loop.’’ 12Ze vroegen hem: ‘Wie was dat?’ 13Dat wist de man niet. Want Jezus was al meteen in de drukte verdwenen.

14Later zag Jezus de man in de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Je bent beter geworden. Doe nu geen verkeerde dingen meer. Anders loopt het slecht met je af.’

15De man ging weg. Hij vertelde aan de Joodse leiders dat Jezus hem beter gemaakt had. 16Toen wilden de Joodse leiders Jezus aanklagen, omdat hij op sabbat iemand beter gemaakt had. 17Maar Jezus zei tegen hen: ‘Mijn Vader werkt altijd, en ik doe dat ook.’

18Vanaf dat moment wilden de Joodse leiders Jezus doden. Want hij had niet alleen iemand beter gemaakt op sabbat, maar ook noemde hij God zijn eigen Vader. En daarmee maakte hij zichzelf gelijk aan God.

Jezus doet hetzelfde als zijn Vader

19-20Toen zei Jezus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: De Vader houdt van zijn Zoon, hij laat zijn Zoon alles zien wat hij doet. Uit zichzelf kan de Zoon niets doen. Maar hij ziet wat de Vader doet, en hij doet dan precies hetzelfde. Hij zal nog grotere wonderen doen dan hij tot nu toe gedaan heeft. Jullie zullen verbaasd zijn!

21Want de Vader laat mensen opstaan uit de dood en hij maakt hen weer levend. En net zo maakt de Zoon mensen weer levend als hij dat wil.

22De Vader zal niet zelf rechtspreken over de mensen, maar hij laat de Zoon rechtspreken. 23Dan zullen alle mensen de Zoon eren, net zoals ze de Vader eren. Als je de Zoon niet eert, eer je ook de Vader niet. Want de Zoon is gestuurd door de Vader.’

Jezus kan eeuwig leven geven

24Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Iemand die mijn boodschap aanneemt en gelooft dat God mij gestuurd heeft, die krijgt het eeuwige leven. Hij zal niet veroordeeld worden. Hij is niet meer in de macht van de dood, maar hij zal voor altijd leven.

25Luister heel goed naar mijn woorden: Er komt een nieuwe tijd, en die is nu al begonnen. Mensen die in de macht van de dood zijn, horen de stem van Gods Zoon. En als ze naar hem luisteren, zullen ze voor altijd leven.

26Want net zoals de Vader leven geeft, zo kan ook de Zoon leven geven. Die macht heeft de Vader aan zijn Zoon gegeven. 27De Zoon is rechter over alle mensen. Hij beslist over dood en leven. Want hij is de Mensenzoon.

28Wees niet verbaasd over wat ik zeg: Er komt een moment dat alle doden de stem van de Mensenzoon horen. 29Dan zullen ze uit hun graf tevoorschijn komen. De mensen die goed geleefd hebben, zullen opstaan en eeuwig leven. Maar de mensen die slecht geleefd hebben, zullen opstaan en veroordeeld worden.

30Uit mijzelf heb ik geen macht. Het oordeel dat ik geef, is het oordeel van de Vader. Ik spreek eerlijk recht. Want ik volg niet mijn eigen wil, maar de wil van de Vader die mij gestuurd heeft.’

Jezus is door God gestuurd

31Jezus zei: ‘Ik zeg dat de Vader mij gestuurd heeft. Als ik dat alleen zelf zou zeggen, zou het nog geen bewijs zijn. 32Maar er is nog iemand anders die dat over mij zegt. En ik weet dat hij de waarheid spreekt.

33Een tijd geleden stuurden jullie een paar mensen naar Johannes de Doper. Johannes heeft hun over mij verteld, en wat hij vertelde, is waar. 34Voor mijzelf is dat geen belangrijk bewijs. Maar ik noem het, omdat ik hoop dat jullie het geloven. Want dan zullen jullie gered worden. 35Johannes sprak helder en duidelijk over de redder die komen zou. En een hele tijd luisterden jullie graag naar zijn woorden.

36Maar ik heb een bewijs dat belangrijker is dan de woorden van Johannes: mijn werk op aarde. Want de Vader heeft mij gestuurd om dat werk te doen en helemaal af te maken. Mijn werk laat zien dat de Vader mij gestuurd heeft.

37En de Vader zelf heeft gezegd wie ik ben. Maar jullie hebben zijn stem nog nooit gehoord, en jullie hebben hem nog nooit gezien. 38En jullie dragen zijn woorden niet in je hart. Anders zouden jullie wel in mij geloven, want ik ben door hem gestuurd.

39Jullie lezen veel in de heilige boeken, om het eeuwige leven te vinden. Maar de heilige boeken vertellen juist over mij! 40Toch willen jullie niet bij mij komen om het eeuwige leven te krijgen.

Waarschuwing tegen ongeloof

41-43Dat jullie mij niet eren, vind ik niet erg. Maar het is wel erg dat jullie geen liefde voor God hebben. Want ik ben gekomen namens mijn Vader, maar jullie willen niet naar mij luisteren. Jullie luisteren alleen naar mensen die hun eigen boodschap vertellen.

44Het gaat jullie niet om de eer van God. Jullie vinden alleen de eer van mensen belangrijk. Hoe kunnen jullie dan ooit echt gaan geloven?

45Denk niet dat ik jullie zal aanklagen bij de Vader. Dat zal Mozes doen. En jullie dachten juist dat die jullie zou redden! 46Als jullie Mozes zouden geloven, dan zouden jullie ook mij geloven. Want Mozes heeft over mij geschreven. 47Maar als jullie niet geloven wat Mozes geschreven heeft, dan geloven jullie ook niet wat ik zeg!’