Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Jezus doet een wonder in Kana

Jezus is op een bruiloft in Kana

21Twee dagen later was er een bruiloft in Kana, een plaats in Galilea. De moeder van Jezus was op het feest, 2en ook Jezus en zijn leerlingen waren uitgenodigd.

3Toen de wijn opraakte, zei de moeder van Jezus: ‘Ze hebben geen wijn meer!’ 4Jezus zei tegen haar: ‘Bemoei u niet met wat ik moet doen. Het juiste moment voor mij is nog niet gekomen.’ 5Toen zei de moeder van Jezus tegen de dienaren op het feest: ‘Doe precies wat hij zegt.’

Jezus maakt van water wijn

6Er stonden daar zes stenen waterbakken. In elke bak kon ongeveer 100 liter water. Met dat water konden mensen zich wassen volgens de regels van de Joodse godsdienst. 7Jezus zei tegen de dienaren: ‘Vul die bakken met water.’ De dienaren vulden de bakken tot de rand.

8Toen zei Jezus: ‘Haal er nu wat uit en breng dat naar de leider van het feest.’ De dienaren deden wat Jezus zei. 9De leider van het feest proefde van het water. Het was wijn geworden! De dienaren die het water gebracht hadden, wisten waar het vandaan kwam. Maar de leider van het feest wist dat niet. Hij riep de bruidegom 10en zei: ‘Iedereen geeft zijn gasten eerst de beste wijn. De minder goede wijn geeft hij daarna, als de gasten al dronken zijn. Maar jij hebt de beste wijn voor het laatst bewaard!’

11Dit wonder in Kana, in Galilea, was het eerste wonder dat Jezus deed. Zo liet hij zijn hemelse macht zien. En zijn leerlingen geloofden in hem.

12Daarna ging Jezus naar de stad Kafarnaüm, samen met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen. Daar bleven ze een paar dagen.

Jezus in Jeruzalem

Jezus jaagt handelaars de tempel uit

13Vlak voor het Joodse Paasfeest ging Jezus naar Jeruzalem. 14In de tempel zag hij handelaars die geld wisselden en mensen die koeien, schapen en duiven verkochten.

15Toen maakte Jezus van een stuk touw een zweep, en daarmee begon hij iedereen weg te jagen. Alle koeien en schapen jaagde hij de tempel uit. Hij gooide de tafels van de handelaars omver, zodat al het geld op de grond viel. 16En hij riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg met die duiven! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’

17De leerlingen herinnerden zich wat er in de heilige boeken staat: «Mijn liefde voor uw tempel is groot, ik kan aan niets anders denken.» Ze begrepen dat die woorden over Jezus gingen.

Een vraag om bewijs

18Toen zeiden de Joodse leiders tegen Jezus: ‘Kunt u met een teken bewijzen dat u dit soort dingen mag doen?’ 19Jezus antwoordde: ‘Breek deze tempel maar af. Dan zal ik hem binnen drie dagen weer opbouwen.’ 20De leiders zeiden: ‘De bouw van deze tempel heeft 46 jaar geduurd! En u denkt dat u hem binnen drie dagen kunt opbouwen?’

21Maar met de tempel bedoelde Jezus zijn eigen lichaam. 22Later, toen Jezus was opgestaan uit de dood, herinnerden de leerlingen zich wat Jezus gezegd had. En ze geloofden zijn woorden, en wat de heilige boeken over hem zeggen.

23Jezus bleef in Jeruzalem om het Joodse Paasfeest te vieren. Veel mensen gingen in hem geloven toen ze zijn wonderen zagen. 24Maar Jezus had geen vertrouwen in hen, omdat hij hen allemaal kende. 25Niemand hoefde hem iets over hen te vertellen. Want hij wist precies hoe mensen van binnen zijn.

3

Jezus spreekt met Nikodemus

Nikodemus komt naar Jezus toe

31Er was een farizeeër die Nikodemus heette. Hij was één van de Joodse leiders. 2Midden in de nacht kwam hij naar Jezus toe en zei: ‘Meester, wij weten dat God u gestuurd heeft om onze leraar te zijn. Want we zien dat God u helpt om al die wonderen te doen.’

3Jezus zei tegen Nikodemus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Je kunt alleen bij Gods nieuwe wereld horen als je op een nieuwe manier geboren wordt.’

4Toen zei Nikodemus: ‘Iemand die al oud is, kan toch niet opnieuw geboren worden? Hij kan toch niet teruggaan in de buik van zijn moeder en nog een keer geboren worden?’

5Jezus zei tegen hem: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Je kunt Gods nieuwe wereld alleen binnengaan als je op een nieuwe manier geboren wordt. En dat gebeurt als je gedoopt wordt met de heilige Geest.’

Jezus vertelt over de hemelse wereld

6Jezus zei: ‘Wie op een gewone, menselijke manier geboren wordt, zal een keer sterven. Maar wie geboren wordt door de Geest, zal eeuwig leven. 7Wees dus niet verbaasd als ik zeg: Jullie moeten op een nieuwe manier geboren worden.

8Denk aan de wind: Die waait waarheen hij wil. Je hoort hem, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat. Zo is het ook met de Geest: Je weet niet waar hij vandaan komt en hoe hij werkt. Want hij hoort bij de hemelse wereld. En iedereen die door de Geest geboren wordt, hoort ook bij de hemelse wereld.’

9Nikodemus vroeg: ‘Maar hoe kan dat?’ 10Jezus zei: ‘Begrijp je dat niet? Jij bent toch een leraar van het volk van Israël? 11Luister heel goed naar mijn woorden: Ik vertel jullie over de hemelse wereld, die ik ken en zelf gezien heb. Maar jullie geloven mij niet. 12Jullie geloven me niet eens als ik vertel over de aardse wereld. Dan zullen jullie me zeker niet geloven als ik vertel over de hemelse wereld!’

13Nog nooit is er iemand van de aarde omhooggegaan naar de hemel. Alleen de Mensenzoon, die eerst vanuit de hemel naar de aarde kwam.

Jezus komt om de mensen te redden

14Mozes zette in de woestijn een koperen slang hoog op een paal. Net zo moet de Mensenzoon een hoge plaats krijgen, eerst aan het kruis en daarna in de hemel. 15En daardoor krijgt iedereen die in hem gelooft, het eeuwige leven. 16Want Gods liefde voor de mensen was zo groot, dat hij zijn enige Zoon gegeven heeft. Iedereen die in hem gelooft, zal niet sterven, maar voor altijd leven.

17God heeft zijn Zoon naar de wereld gestuurd om de mensen te redden. Niet om hen te veroordelen. 18Want wie in de Zoon gelooft, zal niet veroordeeld worden. Maar de mensen die niet in hem willen geloven, die zijn al veroordeeld. Zij zullen gestraft worden, omdat ze niet willen geloven in de enige Zoon van God.

19Zo zijn die mensen veroordeeld: de Zoon kwam naar de wereld als het ware licht voor alle mensen, maar de mensen kozen voor het donker. Dat zie je aan hun slechte daden.

20Iemand die slecht leeft, heeft een hekel aan het licht. Hij vlucht weg van het licht, want hij wil zijn slechte daden verborgen houden. 21Maar iemand die goed leeft en trouw is, zoekt het licht juist op. Dan wordt duidelijk dat hij dicht bij God leeft.

Uitleg over Jezus

Johannes spreekt over Jezus

22Daarna ging Jezus met zijn leerlingen naar een plaats in Judea. Ze bleven daar een tijd, en Jezus doopte er mensen. 23Ook Johannes doopte in dat gebied, in de plaats Enon, dicht bij Salim. Want er was in dat gebied veel water. Er kwamen daar veel mensen om zich te laten dopen. 24Het was voordat Johannes gevangen werd genomen.

25De leerlingen van Johannes kregen een discussie met één van de Joden. Het ging over de vraag hoe iemand rein wordt door water. 26Daarna gingen de leerlingen naar Johannes en zeiden: ‘Meester, weet u nog dat we aan de overkant van de Jordaan waren? Toen was er een man bij u, en u zei over hem: ‘Dat is de Zoon van God.’ Die man is nu hier om mensen te dopen. Iedereen gaat naar hem toe!’

27Johannes zei: ‘Ieder mens krijgt wat God hem wil geven. 28Jullie waren erbij toen ik zei: ‘Ik ben niet de messias, maar ik ben gestuurd om voor hem uit te gaan.’

29Luister, wie heeft op een bruiloft de bruid in zijn armen? Dat is de bruidegom. En wie is er blij? De vriend van de bruidegom. Want de vriend is blij als hij de stem van de bruidegom hoort. En ik ben net zo blij als die vriend, omdat Jezus veel volgelingen krijgt. 30Jezus moet steeds belangrijker worden. En ik moet juist minder belangrijk worden.’

Jezus heeft de macht van God

31Iemand die ontstaan is uit de aarde, hoort bij de aarde, en spreekt over aardse zaken. Maar Jezus Christus is van boven gekomen, uit de hemel. Hij is belangrijker dan iedereen. 32Hij komt vertellen wat hij in de hemel gezien en gehoord heeft. Maar niemand wil hem geloven.

33-34Jezus is door God gestuurd. Hij spreekt Gods woorden, want Gods Geest is in hem. Iemand die de hemelse boodschap van Jezus gelooft, zegt dus eigenlijk: ‘Wat God zegt, is waar.’

35De Vader houdt van de Zoon. Hij heeft hem alle macht gegeven. 36Mensen die geloven in de Zoon, krijgen het eeuwige leven. Maar mensen die niet in hem willen geloven, krijgen dat eeuwige leven niet. Nee, zij worden voor altijd door God gestraft.

4

Jezus en de Samaritaanse vrouw

Jezus reist door Samaria

41-3De farizeeën hoorden dat Jezus steeds meer volgelingen kreeg, en meer mensen doopte dan Johannes. (Jezus doopte trouwens niet zelf, dat deden zijn leerlingen.)

Toen Jezus ontdekte dat de farizeeën dat gehoord hadden, ging hij weg uit Judea, terug naar Galilea.

4Hij moest door Samaria reizen, 5en kwam bij de stad Sichar. Die stad lag dicht bij het stuk land dat Jakob ooit aan zijn zoon Jozef gegeven had. 6Bij Sichar was de Jakobsput. Jezus ging bij die put zitten, want hij was moe van de reis. Het was ongeveer twaalf uur ’s middags.

Jezus vraagt een vrouw om water

7Toen kwam er een Samaritaanse vrouw aan. Ze kwam water halen uit de put. Jezus zei tegen haar: ‘Geef me alsjeblieft iets te drinken.’ 8De leerlingen van Jezus waren op dat moment in Sichar om eten te kopen.

9De vrouw zei tegen hem: ‘Dat kunt u mij toch niet vragen! Want u bent een Jood en ik ben een Samaritaanse vrouw.’ Joden mogen namelijk niet omgaan met Samaritanen.

10Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb jou om water gevraagd. Maar jij weet niet wie ik ben. Je weet niet wat God aan de mensen wil geven. Want als je dat wel geweten had, dan had je mij om water gevraagd! En dan had ik je water gegeven dat eeuwig leven geeft.’

11De vrouw zei: ‘Maar meneer, u hebt geen emmer, en de put is diep! Waar wilt u dat water vandaan halen? 12Kunt u soms meer dan onze voorvader Jakob? Jakob heeft ons deze put gegeven. Hij heeft er zelf water uit gedronken. En ook zijn zonen en zijn dieren hebben uit deze put gedronken.’

Het water dat eeuwig leven geeft

13Jezus zei: ‘Iedereen die water uit deze put drinkt, zal weer dorst krijgen. 14Maar als je drinkt van het water dat ik geef, krijg je nooit meer dorst. Want het water dat ik geef, blijft altijd in je. Het geeft je het eeuwige leven.’

15De vrouw zei: ‘Meneer, geef mij dat water! Dan zal ik nooit meer dorst krijgen. En dan hoef ik nooit meer naar de put om water te halen!’

16Jezus zei tegen haar: ‘Ga eerst je man halen, en kom dan terug.’ 17De vrouw zei tegen Jezus: ‘Ik heb geen man.’ Jezus zei: ‘Precies. 18Je hebt vijf mannen gehad. En nu leef je samen met iemand die jouw man niet is. Dus wat je zegt, is waar.’

Jezus vertelt hoe je God moet vereren

19De vrouw zei: ‘Nu begrijp ik dat u een profeet bent! Daarom wil ik u iets vragen. 20Onze voorouders vereerden God op de berg Gerizim. Maar de Joden zeggen dat je God alleen in de tempel van Jeruzalem mag vereren. Wie heeft er gelijk?’

21-22Jezus zei tegen haar: ‘De Samaritanen vereren God zonder hem te kennen. De Joden vereren God en kennen hem. Want de redder van de wereld komt uit het Joodse volk.

Geloof me, er komt een nieuwe tijd. Dan wordt God niet meer vereerd op de berg Gerizim of in de tempel van Jeruzalem. 23In die tijd, die nu al begonnen is, vereren de ware gelovigen God niet meer op één speciale plaats. Want dankzij de heilige Geest kennen zij God, de Vader, echt. Daardoor kunnen zij de Vader vereren op een nieuwe manier, zoals hij het wil.

24God hoort bij de hemelse wereld. Alleen door de heilige Geest kun je God echt leren kennen. En alleen dan kun je hem op de juiste manier vereren.’

25De vrouw zei: ‘Ik weet dat de messias, die Christus genoemd wordt, zal komen. Hij zal ons alles over God vertellen.’ 26Jezus zei tegen haar: ‘De messias spreekt met je. Ik ben het.’

De vrouw gaat terug naar de stad

27Op dat moment kwamen de leerlingen terug. Ze waren verbaasd dat Jezus met een vrouw aan het praten was. Maar toch vroegen ze niet: ‘Waarom praat u met haar? Wat wilt u?’

28De vrouw liet haar waterkruik staan, en ging terug naar de stad. Daar zei ze tegen de mensen: 29‘Kom mee! Er is iemand die alles van mij weet. Dat moet de messias zijn!’ 30De mensen liepen de stad uit en gingen naar Jezus toe.

De tijd van de oogst is gekomen

31Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Meester, eet toch iets.’ 32Maar Jezus zei: ‘Ik leef van iets dat jullie niet kennen.’ 33De leerlingen zeiden tegen elkaar: ‘Hoe kan dat? Heeft iemand hem soms eten gebracht?’ 34Maar Jezus zei: ‘Ik leef van gehoorzaamheid aan God. Ik werk namens hem, en dat werk zal ik afmaken.

35De mensen zeggen: ‘Na het zaaien moet je vier maanden wachten tot je kunt oogsten.’ Maar luister naar mijn woorden: Kijk om je heen, de velden zijn al klaar voor de oogst. 36-38De mannen die maaien, krijgen hun loon al. Ze vieren feest, samen met de mannen die gezaaid hebben. Want het spreekwoord is: ‘De één zaait, de ander maait.’’

Jezus zei verder tegen zijn leerlingen: ‘Jullie hoeven in Samaria niet te zaaien, dat hebben anderen al gedaan. Maar ik stuur jullie nu wel om de oogst binnen te halen. En dit is de oogst: alle mensen die in mij geloven. Zij krijgen het eeuwige leven.’

Veel Samaritanen gaan in Jezus geloven

39Veel Samaritanen uit Sichar gingen in Jezus geloven. Dat was omdat de vrouw over Jezus gezegd had: ‘Hij weet alles van mij!’ 40Ze gingen naar Jezus toe, en ze vroegen hem om bij hen te blijven.

Toen bleef Jezus nog twee dagen bij hen. 41En door alles wat hij vertelde, gingen nog veel meer mensen uit de stad geloven. 42Ze zeiden tegen de vrouw: ‘Eerst geloofden we in Jezus door wat jij ons vertelde. Maar nu hebben we hem zelf gehoord. En nu weten we zeker dat Jezus de redder van de wereld is.’

Jezus in Galilea

Jezus wordt hartelijk ontvangen

43Na twee dagen ging Jezus verder, hij ging naar Galilea. 44Hij had zelf ooit gezegd dat een profeet in zijn eigen land niet met respect behandeld wordt. 45Maar toen hij in Galilea kwam, werd hij hartelijk ontvangen. Want de inwoners van Galilea hadden gezien wat Jezus op het Paasfeest in Jeruzalem gedaan had. Ze waren daar zelf bij geweest.

Jezus maakt een jongen beter

46In Galilea ging Jezus weer naar Kana. Dat was de plaats waar hij van water wijn gemaakt had.

Er was daar een man uit Kafarnaüm die in dienst was van de koning. Zijn zoon was erg ziek. 47De man hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was. Hij ging naar hem toe en zei: ‘Ga alstublieft mee naar Kafarnaüm om mijn zoon beter te maken. Anders zal hij sterven!’

48Maar Jezus zei: ‘Wat is dat toch met jullie? Jullie geloven alleen als je wonderen ziet!’ 49De man zei: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn zoon sterft!’ 50Jezus zei tegen hem: ‘Ga naar huis, je zoon leeft!’ De man geloofde wat Jezus zei, en ging naar huis.

51Onderweg kwamen zijn dienaren hem tegemoet. Ze zeiden: ‘Uw zoon leeft!’ 52De man vroeg: ‘Op welk moment is hij beter geworden?’ Ze zeiden: ‘Gistermiddag om één uur. Toen was de koorts opeens weg.’ 53Dat was precies het moment waarop Jezus tegen de man gezegd had: ‘Je zoon leeft!’ De man begreep wat er gebeurd was en ging in Jezus geloven, samen met zijn familie en zijn dienaren.

54Dat was het tweede wonder dat Jezus in Galilea deed. Het gebeurde nadat hij uit Judea teruggekomen was.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]