Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Behandel alle mensen goed

21Vrienden, jullie geloven in Jezus Christus, onze Heer, die redding brengt. Daarom moeten jullie alle mensen op dezelfde manier behandelen.

2Stel dat jullie als christenen bij elkaar zijn, en dat er dan twee mensen binnenkomen. De één is een rijke man, met een prachtige mantel aan en met gouden ringen aan zijn vingers. De ander is arm en draagt vieze, oude kleren. 3En stel dat jullie dan die rijke man met veel respect behandelen, en zeggen: ‘Kijk, hier is een heel mooie plaats voor u. Gaat u alstublieft zitten.’ Maar dat jullie tegen die arme man zeggen: ‘Blijf jij maar staan, of ga maar op de grond zitten.’

4Stel dat jullie zoiets doen, dan behandelen jullie de één beter dan de ander. Dan beoordelen jullie mensen op een heel verkeerde manier.

Behandel arme mensen met respect

5Vrienden, luister! Wie zijn er door God uitgekozen? Juist de mensen die in deze wereld arm genoemd worden. Zij zijn door hun geloof rijk geworden: Gods nieuwe wereld is voor hen! Want God heeft de nieuwe wereld beloofd aan de mensen die van hem houden.

6Jullie behandelen arme mensen zonder respect. Maar vertel eens, door wie worden jullie onderdrukt? En door wie worden jullie voor de rechter gebracht? Door de rijke mensen! 7Door wie wordt Jezus Christus beledigd? En door wie worden jullie als christenen belachelijk gemaakt? Door de rijke mensen!

Houd je aan de wet van God

8Doe wat God in zijn volmaakte wet van je vraagt. Zo staat het in de heilige boeken: «Houd evenveel van de mensen om je heen als van jezelf.» Als je dat doet, dan leef je goed.

9Maar als je sommige mensen beter behandelt dan andere mensen, doe je het verkeerd. Dan is het duidelijk dat je je niet aan Gods wet houdt. 10Want je moet alles doen wat er in de wet staat. Als je zondigt tegen één regel uit de wet, zondig je tegen de hele wet. 11God zegt in de heilige boeken: «Ga niet vreemd.» Maar hij zegt ook: «Vermoord niemand.» Als je je wel houdt aan de ene regel maar niet aan de andere, houd je je niet aan de wet.

12Spreek en leef dus zoals God het van jullie vraagt. Want hij zal jullie beoordelen. Hij zal kijken of je geleefd hebt volgens zijn wet, die vrijheid geeft. 13Als je niet goed bent voor anderen, zal God niet goed zijn voor jou. Wees dus goed voor anderen. Dan hoef je niet bang te zijn voor het oordeel van God.

Je moet geloven, maar ook doen

14Vrienden, stel dat iemand zegt dat hij gelooft, maar hij doet niet wat God van hem vraagt. Dan is zijn geloof zinloos, want hij zal niet gered worden.

15Stel dat een gelovige geen kleren heeft, en te weinig eten heeft. 16En stel dat jullie dan tegen hem zeggen: ‘Het beste ermee! Trek maar warme kleren aan, en ga maar lekker eten!’ Als je dat zegt zonder hem echt te helpen, zijn je woorden zinloos. Je moet zo iemand natuurlijk ook geven wat hij nodig heeft.

17Zo is het ook met het geloof. Als iemand gelooft, maar niet doet wat God van hem vraagt, is zijn geloof waardeloos.

Alleen geloven is niet genoeg

18Iemand zou kunnen zeggen: ‘Sommige christenen geloven alleen maar, en anderen doen ook nog goede dingen. Dat is allebei prima!’ Maar dan zeg ik: Nee! Iemand die geen goede dingen doet, heeft geen echt geloof. Alleen iemand die ook goede dingen doet, laat zien dat hij echt gelooft.

19Stel dat je gelooft dat onze God de enige God is. Dat is natuurlijk goed, maar dat is niet genoeg. Want dat geloven de kwade geesten ook! Daarom zijn ze zo vreselijk bang voor God.

Een volmaakt geloof

20Gebruik je verstand! Als je gelooft, maar geen goede dingen doet, dan is je geloof zinloos.

Luister! 21Onze voorvader Abraham deed wat God van hem vroeg. Hij stond klaar om zijn zoon Isaak te offeren. En daarom zag God hem als een goed mens. 22Abraham geloofde in God, en tegelijk deed hij ook wat God van hem vroeg. Zo werd Abrahams geloof volmaakt. 23Toen gebeurde er wat in de heilige boeken staat: «Abraham geloofde in God, en daarom zag God hem als een goed mens.» Ja, God noemde Abraham zelfs zijn vriend.

24Jullie begrijpen dus dat je niet alleen maar moet geloven. Je moet ook doen wat God van je vraagt. Alleen dan ziet God je als een goed mens.

25Ook de hoer Rachab deed wat God wilde. Zij liet de spionnen binnen in haar huis, en liet hen later langs een andere weg weer vertrekken. Door wat zij deed, zag God haar als een goed mens.

26Als je gelooft, maar geen goede dingen doet, dan is je geloof waardeloos. Het is dan net zo dood als een mens die niet meer ademt.