Bijbel in Gewone Taal (BGT)
59

Het volk hoopt op bevrijding

Waarom het volk niet bevrijd wordt

591Volk van Israël, jullie worden maar niet bevrijd, en jullie denken dat het komt door de Heer. Jullie denken dat hij niet machtig genoeg is, jullie denken dat hij doof is en niet goed luistert. 2-3Maar daar komt het niet door. Het komt door jullie zelf! Want jullie handen zitten vol bloed, jullie hebben mensen vermoord. En jullie bedriegen elkaar, uit jullie mond komen alleen maar leugens.

Daarom is er zo’n grote afstand tussen jullie en jullie God. Daarom verbergt hij zich en luistert hij niet naar jullie.

De mensen gedragen zich slecht

4Er wordt niet meer eerlijk rechtgesproken. Niemand krijgt een eerlijk proces. De mensen vertrouwen op valse bewijzen, en ze vertellen leugens aan de rechter. Ze kunnen alleen maar liegen en bedriegen.

En ze bedenken steeds slechte plannen. 5Dan lijken ze op slangen die hun eieren uitbroeden. Als je zo’n ei opeet, ga je dood. En als je erop trapt, komt er een giftige slang uit. De plannen van die mensen zijn net zo gevaarlijk als zulke eieren. 6Met hun plannen proberen ze andere mensen in hun macht te krijgen. Net zoals spinnen die vliegen vangen in hun web. Maar hun plannen hebben verder geen doel. Ze zijn gevaarlijk, maar ook zinloos.

De mensen doen alleen maar slechte dingen. Ze gebruiken graag geweld. 7Ze willen steeds meer kwaad doen, ze vermoorden iedereen die ze tegenkomen. Ze bedenken alleen maar slechte plannen. Overal waar ze komen, gebeuren vreselijke rampen.

8Ze weten niet wat vrede is. Ze kennen geen eerlijk recht. Ze liegen en bedriegen, steeds maar weer. De mensen willen geen vrede.

Het volk blijft hopen op bevrijding

9Volk van Israël, jullie zeggen: ‘Wij weten wel waarom God ons niet bevrijdt. We weten wel waarom er onrecht is in het land. Toch hopen we op bevrijding, we hopen dat het licht wordt. Ook al weten we dat we gevangen zitten en dat het donker blijft.

10We lijken wel blind. Het is alsof we dicht langs een muur moeten lopen om de weg te vinden. De zon schijnt, maar het lijkt wel nacht. We leven, maar we lijken wel dood.

11We grommen als beren die weten dat ze gaan sterven. We klagen als duiven, zo droevig zijn we. We hopen op eerlijke rechtspraak, maar die komt er niet. We hopen dat God ons bevrijdt, maar dat gebeurt niet. 12Want met ons slechte gedrag hebben wij ons steeds tegen de Heer verzet.

We weten heel goed wat we fout gedaan hebben, we weten hoe slecht we zijn. 13We verzetten ons tegen de Heer, we bedriegen hem, we laten hem in de steek. We dreigen met geweld, we liegen en bedriegen. En we spreken nooit de waarheid. 14Daarom is er geen eerlijke rechtspraak in het land. Overal worden leugens verteld, niemand is eerlijk tegen een ander.

15De waarheid is nergens meer te vinden. En wie niet mee wil doen met het kwaad, die wordt door anderen gestraft.’

De Heer heeft zijn volk bevrijd

De Heer heeft alles gezien. Toen hij zag dat er in het land geen eerlijke rechters meer waren, werd hij kwaad. 16Hij was verbaasd dat niemand iets deed. Hij vond het verschrikkelijk dat er niemand in actie kwam.

Hij bevrijdde zijn volk, hij deed het op eigen kracht. Hij wilde zijn volk redden! 17Hij vocht voor zijn volk als een dappere held. Hij strafte de vijanden en redde zijn volk. Zo zorgde hij ervoor dat zijn volk bevrijd werd.

De Heer zal komen met kracht

18De Heer zal zijn vijanden verslaan, hij straft al zijn tegenstanders. Hij straft zijn vijanden, waar ze ook wonen.

19Overal op de wereld zullen de mensen eerbied hebben voor de machtige Heer. Want hij zal komen met kracht. Hij komt met de kracht van water in een rivier. Zijn adem is als een storm die het water steeds sneller laat stromen.

20De Heer zal naar Jeruzalem komen om zijn volk te bevrijden. Dan redt hij de Israëlieten die zich niet langer tegen hem verzetten. Dat heeft hij beloofd.

De Heer zal zijn volk beschermen

21De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik beloof dat ik jullie altijd zal beschermen. Ik heb jullie mijn geest gegeven. En jullie moeten beloven dat jullie mijn woorden steeds zullen doorvertellen. Jullie zelf moeten dat doen, en ook jullie kinderen en kleinkinderen. Blijf mijn woorden steeds doorvertellen.’

60

Gods licht schijnt over Jeruzalem

Jeruzalem wordt de stad van het licht

601Jeruzalem, wees niet langer bedroefd. Laat het licht over je schijnen, het licht van de Heer. Hij komt naar je toe als een stralende zon. 2Alle volken leven in het donker, de hele aarde is zo donker als de nacht. Maar over jou schijnt het licht van de Heer.

Iedereen ziet dat stralende licht. 3De volken en hun koningen, ze komen allemaal naar je toe, Jeruzalem. Ze volgen allemaal dat stralende licht, ze willen allemaal naar die schitterende stad.

De inwoners van Jeruzalem komen terug

4Doe je ogen maar open, Jeruzalem, en kijk om je heen. Daar komen je inwoners aan! Ze komen allemaal naar je toe, vanuit verre landen. Andere volken brengen hen veilig thuis. Ze dragen je inwoners alsof het hun eigen kinderen zijn.

5Jeruzalem, kijk! Je ogen zullen stralen van blijdschap, en je hart zal bonzen van vreugde.

De andere volken brengen geschenken

Die volken brengen ook geschenken voor je mee. Ze nemen hun rijkdommen mee uit verre landen. 6Ze brengen veel kamelen mee, jonge kamelen uit Midjan en Efa. En de mensen uit Seba komen met veel wierook en goud. Zij vertellen allemaal hoe machtig de Heer is.

7De schapen en geiten uit Kedar zijn allemaal voor jou, Jeruzalem. En ook de rammen uit Nebajot mag je hebben. De Heer zegt: ‘Je mag die dieren op mijn altaar offeren, ik zal ze graag van je aannemen. En ik zal de tempel weer opbouwen, mijn tempel zal prachtig zijn!’

De volken komen uit verre landen

8Jeruzalem, wat komt daar aan? Zijn het wolken die over het water zweven? Of zijn het duiven die terugvliegen naar huis? 9Nee, het zijn schepen uit verre landen. Ze zijn onderweg naar de Heer. Voorop varen de schepen uit Tarsis. Zij brengen je inwoners mee, en ze hebben zilver en goud bij zich.

Ja, zelfs vanuit de verste landen komen ze naar je toe, Jeruzalem. Al die volken komen naar je toe om de Heer te vereren. Ze komen voor de heilige God van Israël. Want hij heeft van jou weer een schitterende stad gemaakt.

De volken zullen Jeruzalem opbouwen

10De Heer zegt: ‘Jeruzalem, die volken zullen je muren weer opbouwen. En hun koningen zullen jou dienen. Ik ben kwaad op je geweest en ik heb je geslagen. Maar ik zal weer goed voor je zijn, ik zal weer voor je zorgen.

11Je poorten zullen nooit meer gesloten worden. Ze zullen altijd openstaan, dag en nacht. Dan kunnen de volken binnenkomen, met al hun rijkdommen. Ook hun koningen zullen door jouw poorten naar binnen gaan.

12Maar de volken en koninkrijken die jou niet willen dienen, zullen verdwijnen. Zij zullen volledig vernietigd worden.

13Mijn tempel zal weer opgebouwd worden. Hij zal versierd worden met het allermooiste hout uit de Libanon-bergen. De tempel waarin ik woon, zal prachtig zijn.

Jeruzalem wordt een stad van vrede

14Jeruzalem, vroeger werd je onderdrukt, maar nu niet meer. Nee, je vijanden zullen juist voor je knielen. Zij zullen je Stad van de Heer noemen, en Stad van de Heilige God van Israël.

15Vroeger was je alleen en verlaten. Iedereen had een hekel aan je, niemand wilde je bezoeken. Maar ik maak van jou weer een prachtige stad, voor altijd. De mensen zullen steeds blijven komen om van jou te genieten.

16De andere volken en hun koningen zullen als een moeder voor je zorgen. Ze zullen je alles geven wat je nodig hebt. En dan zul je weten dat ik, de Heer, jou bevrijd. En dat ik, de machtige God van Jakob, jou bescherm.

17Je zult een rijke stad zijn. Want ik geef je goud in plaats van koper. Ik geef je zilver in plaats van ijzer, ik geef je koper in plaats van hout, en ijzer in plaats van stenen.

Binnen jouw muren zal er altijd vrede zijn. Je leiders zullen rechtvaardig zijn. 18In jouw land zal geen geweld meer zijn. Er wordt niets meer verwoest, er zijn geen grote rampen meer. Je zult beschermd worden door je muren, en iedereen zal onder de indruk zijn van je poorten.’

In Jeruzalem is het altijd licht

19-20Jeruzalem, de Heer zal je voor altijd licht geven. Overdag heb je de zon niet meer nodig, ’s nachts ben je niet meer afhankelijk van het licht van de maan.

Het licht van de zon verdwijnt als de zon ondergaat. En het licht van de maan verdwijnt als de maan kleiner wordt. Maar het licht van de Heer zal nooit verdwijnen! Hij zal je altijd licht geven, het zal nooit meer donker zijn. De dagen dat je verdriet had en rouwde, zijn voorgoed voorbij.

21De Heer zegt: ‘Mijn volk zal alleen nog bestaan uit goede en eerlijke mensen. Het land zal voor altijd van hen zijn. Ik heb hen gemaakt, ze zijn een teken van mijn macht.

22Mijn volk wordt machtig en groot. Zelfs de kleinste families zal ik heel groot maken. En ik zal ervoor zorgen dat het snel gebeurt, op de juiste tijd.’

61

Goed nieuws voor Jeruzalem

Gods dienaar brengt het goede nieuws

611Gods dienaar zegt: ‘God, de Heer, heeft mij uitgekozen. Hij heeft mij zijn geest gegeven.

Hij heeft mij gestuurd om aan arme mensen het goede nieuws te brengen. En om aan mensen die lijden, weer hoop te geven. Hij heeft me gestuurd om tegen gevangenen te zeggen: ‘Jullie zijn vrij!’

2Hij heeft me gestuurd om aan de mensen te vertellen: ‘Er komt een jaar waarin de Heer jullie vergeeft. Er komt een tijd dat God jullie vijanden zal straffen.’

De Heer heeft me gestuurd om mensen die verdriet hebben, te troosten. 3Hij heeft me naar Jeruzalem gestuurd om de mensen daar weer vreugde te geven. Om tegen hen te zeggen: ‘Jullie moeten geen rouwkleren dragen, maar feestkleren. Jullie moeten niet bedroefd op de grond zitten, maar dansen en vrolijk zijn!’

Dan zullen de inwoners van Jeruzalem weer een sterk volk zijn. Dan zullen ze lijken op bomen die de Heer zelf geplant heeft, als teken van zijn macht.

Alles zal weer opgebouwd worden

4Volk van Israël, jullie zullen het hele land weer opbouwen. Alles wat verwoest is, alle verlaten steden die in puin liggen. Dan kunnen jullie daar weer wonen.

5Andere volken zullen jullie helpen. Zij zullen zorgen voor jullie schapen. En ze zullen voor jullie werken op de akkers en in de wijngaarden.

6Volk van Israël, jullie zullen priesters van de Heer genoemd worden. Iedereen zal zeggen: ‘Dat zijn de dienaren van onze God.’ Jullie zullen genieten van de rijkdom van andere volken. En met die rijkdom kunnen jullie een prachtige stad bouwen.

7Jullie werden onderdrukt door andere volken, zij behandelden jullie als vuil. De Heer zal dat weer goedmaken door jullie twee keer zo veel land te geven. Jullie zullen voor altijd gelukkig zijn.’

De Heer zal zijn volk belonen

8De Heer zegt: ‘Ik wil dat er eerlijk rechtgesproken wordt in het land. Ik haat geweld en ik wil niet dat er gestolen wordt.

Ik zal mijn volk zeker belonen. Ik beloof dat ik voor altijd hun God zal zijn. 9De nakomelingen van mijn volk zullen beroemd zijn. De hele wereld zal hen kennen. Iedereen die hen ziet, zal zeggen: ‘Dat is het volk van de Heer. Hij heeft hen rijk en gelukkig gemaakt.’’

Jeruzalem zal juichen voor de Heer

10De inwoners van Jeruzalem zullen zeggen: ‘Wij zingen van vreugde, we juichen voor de Heer. Want hij leerde ons om eerlijk en goed te leven, en hij maakte van Jeruzalem een veilige en prachtige stad! Onze stad is zo mooi als de kroon van een koning, zo mooi als de sieraden van een bruid.

11Alle volken zullen zien hoe machtig onze God is. Zoals er overal op aarde bomen en planten groeien, zo zorgt de Heer overal op aarde voor recht en vrede.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]