Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Het volk hoopt op bevrijding

Waarom het volk niet bevrijd wordt

591Volk van Israël, jullie worden maar niet bevrijd, en jullie denken dat het komt door de Heer. Jullie denken dat hij niet machtig genoeg is, jullie denken dat hij doof is en niet goed luistert. 2-3Maar daar komt het niet door. Het komt door jullie zelf! Want jullie handen zitten vol bloed, jullie hebben mensen vermoord. En jullie bedriegen elkaar, uit jullie mond komen alleen maar leugens.

Daarom is er zo’n grote afstand tussen jullie en jullie God. Daarom verbergt hij zich en luistert hij niet naar jullie.

De mensen gedragen zich slecht

4Er wordt niet meer eerlijk rechtgesproken. Niemand krijgt een eerlijk proces. De mensen vertrouwen op valse bewijzen, en ze vertellen leugens aan de rechter. Ze kunnen alleen maar liegen en bedriegen.

En ze bedenken steeds slechte plannen. 5Dan lijken ze op slangen die hun eieren uitbroeden. Als je zo’n ei opeet, ga je dood. En als je erop trapt, komt er een giftige slang uit. De plannen van die mensen zijn net zo gevaarlijk als zulke eieren. 6Met hun plannen proberen ze andere mensen in hun macht te krijgen. Net zoals spinnen die vliegen vangen in hun web. Maar hun plannen hebben verder geen doel. Ze zijn gevaarlijk, maar ook zinloos.

De mensen doen alleen maar slechte dingen. Ze gebruiken graag geweld. 7Ze willen steeds meer kwaad doen, ze vermoorden iedereen die ze tegenkomen. Ze bedenken alleen maar slechte plannen. Overal waar ze komen, gebeuren vreselijke rampen.

8Ze weten niet wat vrede is. Ze kennen geen eerlijk recht. Ze liegen en bedriegen, steeds maar weer. De mensen willen geen vrede.

Het volk blijft hopen op bevrijding

9Volk van Israël, jullie zeggen: ‘Wij weten wel waarom God ons niet bevrijdt. We weten wel waarom er onrecht is in het land. Toch hopen we op bevrijding, we hopen dat het licht wordt. Ook al weten we dat we gevangen zitten en dat het donker blijft.

10We lijken wel blind. Het is alsof we dicht langs een muur moeten lopen om de weg te vinden. De zon schijnt, maar het lijkt wel nacht. We leven, maar we lijken wel dood.

11We grommen als beren die weten dat ze gaan sterven. We klagen als duiven, zo droevig zijn we. We hopen op eerlijke rechtspraak, maar die komt er niet. We hopen dat God ons bevrijdt, maar dat gebeurt niet. 12Want met ons slechte gedrag hebben wij ons steeds tegen de Heer verzet.

We weten heel goed wat we fout gedaan hebben, we weten hoe slecht we zijn. 13We verzetten ons tegen de Heer, we bedriegen hem, we laten hem in de steek. We dreigen met geweld, we liegen en bedriegen. En we spreken nooit de waarheid. 14Daarom is er geen eerlijke rechtspraak in het land. Overal worden leugens verteld, niemand is eerlijk tegen een ander.

15De waarheid is nergens meer te vinden. En wie niet mee wil doen met het kwaad, die wordt door anderen gestraft.’

De Heer heeft zijn volk bevrijd

De Heer heeft alles gezien. Toen hij zag dat er in het land geen eerlijke rechters meer waren, werd hij kwaad. 16Hij was verbaasd dat niemand iets deed. Hij vond het verschrikkelijk dat er niemand in actie kwam.

Hij bevrijdde zijn volk, hij deed het op eigen kracht. Hij wilde zijn volk redden! 17Hij vocht voor zijn volk als een dappere held. Hij strafte de vijanden en redde zijn volk. Zo zorgde hij ervoor dat zijn volk bevrijd werd.

De Heer zal komen met kracht

18De Heer zal zijn vijanden verslaan, hij straft al zijn tegenstanders. Hij straft zijn vijanden, waar ze ook wonen.

19Overal op de wereld zullen de mensen eerbied hebben voor de machtige Heer. Want hij zal komen met kracht. Hij komt met de kracht van water in een rivier. Zijn adem is als een storm die het water steeds sneller laat stromen.

20De Heer zal naar Jeruzalem komen om zijn volk te bevrijden. Dan redt hij de Israëlieten die zich niet langer tegen hem verzetten. Dat heeft hij beloofd.

De Heer zal zijn volk beschermen

21De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik beloof dat ik jullie altijd zal beschermen. Ik heb jullie mijn geest gegeven. En jullie moeten beloven dat jullie mijn woorden steeds zullen doorvertellen. Jullie zelf moeten dat doen, en ook jullie kinderen en kleinkinderen. Blijf mijn woorden steeds doorvertellen.’