Bijbel in Gewone Taal (BGT)
58

Zorg goed voor elkaar

Jesaja moet het volk toespreken

581De Heer zei tegen mij: ‘Jesaja, je moet heel hard roepen. Houd jezelf niet in, maar schreeuw zo hard mogelijk. Laat je stem zo luid klinken als een trompet! Vertel de Israëlieten wat ze allemaal verkeerd doen.’

Vasten alleen is niet genoeg

Volk van Israël, de Heer zegt tegen jullie: 2‘Jullie denken dat jullie goed leven en trouw aan mij zijn. Net zo trouw als andere volken aan hun goden zijn.

Jullie zeggen dat jullie mij elke dag vragen wat ik wil. Jullie zeggen dat jullie mijn regels willen volgen. Jullie zeggen dat jullie graag dicht bij mij willen zijn! 3En jullie zeggen ook: ‘Waarom ziet u niet dat we vasten? Waarom merkt u het niet als we ophouden met eten en drinken?’

Maar wat doen jullie op de dagen dat jullie vasten? Jullie gaan gewoon door met jullie eigen handel. Jullie dwingen de arbeiders om hard te werken, 4en jullie maken ruzie. Jullie gebruiken zelfs geweld en jullie vechten met elkaar!

Als jullie je zo blijven gedragen, luister ik niet naar jullie. Want dat is niet de goede manier om te vasten. 5En ik wil ook niet dat jullie jezelf pijn doen, en alleen maar huilen en rouwen. Dat is niet de goede manier om mij te dienen.

De mensen moeten voor elkaar zorgen

6Nee, ik wil dat het heel anders gaat! Jullie moeten niet alleen vasten, jullie moeten meer doen. Bevrijd mensen die gevangen zitten, maak hun boeien los. Laat alle slaven vrij. Zorg dat niemand meer onderdrukt wordt. 7Deel je brood met mensen die honger hebben. Geef arme mensen een plek in je huis. Geef kleren aan mensen die naakt zijn. Zorg goed voor de mensen om je heen!

8Als je dat doet, dan zul je echt gelukkig zijn. Je zult lijken op de zon die stralend opkomt in de ochtend. Volk van Israël, als jullie zo leven, zal het snel beter met jullie gaan. En met mijn macht zal ik jullie overal beschermen. 9Als jullie mij roepen, zal ik antwoord geven. Als jullie mij om hulp vragen, dan kom ik jullie helpen.

Help andere mensen

Zorg dat niemand meer onderdrukt wordt. Beschuldig mensen niet te snel, vertel geen slechte dingen over een ander. 10Als iemand honger heeft, geef hem dan te eten. Geef hem net zo veel als je zelf eet. En geef aan de armen alles wat ze nodig hebben.

Als jullie dat doen, dan zullen jullie gelukkig zijn. Jullie zullen lijken op licht dat in het donker schijnt. Overal waar het donker is, zorgen jullie voor stralend licht.

De Heer maakt zijn volk weer sterk

11Ik zal jullie leiden. Als je dorst hebt, zal ik je te drinken geven. Ik zal jullie sterk en krachtig maken. Jullie zullen lijken op een tuin waar altijd water doorheen stroomt. Jullie zullen lijken op een bron waar altijd water uit komt.

12Jullie zullen de steden die lang geleden verwoest werden, zelf weer opbouwen. Jullie zullen de oude muren die lang geleden gebouwd zijn, weer sterk maken. En dan worden jullie genoemd ‘Volk dat muren weer opbouwt en weer wegen aanlegt’.

Op sabbat moet je uitrusten

13De sabbat is een heilige dag. Op die dag moet je uitrusten, je mag dan geen zaken doen. De sabbat is een vrolijke dag, het is een dag om mij te vereren. Op die dag mag je niet bezig zijn met van alles. Je mag geen spullen kopen of verkopen, en je moet geen belangrijke zaken willen bespreken.

14Als jullie op die dag uitrusten, zal ik jullie vreugde geven. Jullie zullen het land dat ik aan jullie voorvader Jakob gegeven heb, weer in bezit nemen. En jullie zullen genieten van alles wat op dat land groeit. Dat beloof ik.’

59

Het volk hoopt op bevrijding

Waarom het volk niet bevrijd wordt

591Volk van Israël, jullie worden maar niet bevrijd, en jullie denken dat het komt door de Heer. Jullie denken dat hij niet machtig genoeg is, jullie denken dat hij doof is en niet goed luistert. 2-3Maar daar komt het niet door. Het komt door jullie zelf! Want jullie handen zitten vol bloed, jullie hebben mensen vermoord. En jullie bedriegen elkaar, uit jullie mond komen alleen maar leugens.

Daarom is er zo’n grote afstand tussen jullie en jullie God. Daarom verbergt hij zich en luistert hij niet naar jullie.

De mensen gedragen zich slecht

4Er wordt niet meer eerlijk rechtgesproken. Niemand krijgt een eerlijk proces. De mensen vertrouwen op valse bewijzen, en ze vertellen leugens aan de rechter. Ze kunnen alleen maar liegen en bedriegen.

En ze bedenken steeds slechte plannen. 5Dan lijken ze op slangen die hun eieren uitbroeden. Als je zo’n ei opeet, ga je dood. En als je erop trapt, komt er een giftige slang uit. De plannen van die mensen zijn net zo gevaarlijk als zulke eieren. 6Met hun plannen proberen ze andere mensen in hun macht te krijgen. Net zoals spinnen die vliegen vangen in hun web. Maar hun plannen hebben verder geen doel. Ze zijn gevaarlijk, maar ook zinloos.

De mensen doen alleen maar slechte dingen. Ze gebruiken graag geweld. 7Ze willen steeds meer kwaad doen, ze vermoorden iedereen die ze tegenkomen. Ze bedenken alleen maar slechte plannen. Overal waar ze komen, gebeuren vreselijke rampen.

8Ze weten niet wat vrede is. Ze kennen geen eerlijk recht. Ze liegen en bedriegen, steeds maar weer. De mensen willen geen vrede.

Het volk blijft hopen op bevrijding

9Volk van Israël, jullie zeggen: ‘Wij weten wel waarom God ons niet bevrijdt. We weten wel waarom er onrecht is in het land. Toch hopen we op bevrijding, we hopen dat het licht wordt. Ook al weten we dat we gevangen zitten en dat het donker blijft.

10We lijken wel blind. Het is alsof we dicht langs een muur moeten lopen om de weg te vinden. De zon schijnt, maar het lijkt wel nacht. We leven, maar we lijken wel dood.

11We grommen als beren die weten dat ze gaan sterven. We klagen als duiven, zo droevig zijn we. We hopen op eerlijke rechtspraak, maar die komt er niet. We hopen dat God ons bevrijdt, maar dat gebeurt niet. 12Want met ons slechte gedrag hebben wij ons steeds tegen de Heer verzet.

We weten heel goed wat we fout gedaan hebben, we weten hoe slecht we zijn. 13We verzetten ons tegen de Heer, we bedriegen hem, we laten hem in de steek. We dreigen met geweld, we liegen en bedriegen. En we spreken nooit de waarheid. 14Daarom is er geen eerlijke rechtspraak in het land. Overal worden leugens verteld, niemand is eerlijk tegen een ander.

15De waarheid is nergens meer te vinden. En wie niet mee wil doen met het kwaad, die wordt door anderen gestraft.’

De Heer heeft zijn volk bevrijd

De Heer heeft alles gezien. Toen hij zag dat er in het land geen eerlijke rechters meer waren, werd hij kwaad. 16Hij was verbaasd dat niemand iets deed. Hij vond het verschrikkelijk dat er niemand in actie kwam.

Hij bevrijdde zijn volk, hij deed het op eigen kracht. Hij wilde zijn volk redden! 17Hij vocht voor zijn volk als een dappere held. Hij strafte de vijanden en redde zijn volk. Zo zorgde hij ervoor dat zijn volk bevrijd werd.

De Heer zal komen met kracht

18De Heer zal zijn vijanden verslaan, hij straft al zijn tegenstanders. Hij straft zijn vijanden, waar ze ook wonen.

19Overal op de wereld zullen de mensen eerbied hebben voor de machtige Heer. Want hij zal komen met kracht. Hij komt met de kracht van water in een rivier. Zijn adem is als een storm die het water steeds sneller laat stromen.

20De Heer zal naar Jeruzalem komen om zijn volk te bevrijden. Dan redt hij de Israëlieten die zich niet langer tegen hem verzetten. Dat heeft hij beloofd.

De Heer zal zijn volk beschermen

21De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik beloof dat ik jullie altijd zal beschermen. Ik heb jullie mijn geest gegeven. En jullie moeten beloven dat jullie mijn woorden steeds zullen doorvertellen. Jullie zelf moeten dat doen, en ook jullie kinderen en kleinkinderen. Blijf mijn woorden steeds doorvertellen.’

60

Gods licht schijnt over Jeruzalem

Jeruzalem wordt de stad van het licht

601Jeruzalem, wees niet langer bedroefd. Laat het licht over je schijnen, het licht van de Heer. Hij komt naar je toe als een stralende zon. 2Alle volken leven in het donker, de hele aarde is zo donker als de nacht. Maar over jou schijnt het licht van de Heer.

Iedereen ziet dat stralende licht. 3De volken en hun koningen, ze komen allemaal naar je toe, Jeruzalem. Ze volgen allemaal dat stralende licht, ze willen allemaal naar die schitterende stad.

De inwoners van Jeruzalem komen terug

4Doe je ogen maar open, Jeruzalem, en kijk om je heen. Daar komen je inwoners aan! Ze komen allemaal naar je toe, vanuit verre landen. Andere volken brengen hen veilig thuis. Ze dragen je inwoners alsof het hun eigen kinderen zijn.

5Jeruzalem, kijk! Je ogen zullen stralen van blijdschap, en je hart zal bonzen van vreugde.

De andere volken brengen geschenken

Die volken brengen ook geschenken voor je mee. Ze nemen hun rijkdommen mee uit verre landen. 6Ze brengen veel kamelen mee, jonge kamelen uit Midjan en Efa. En de mensen uit Seba komen met veel wierook en goud. Zij vertellen allemaal hoe machtig de Heer is.

7De schapen en geiten uit Kedar zijn allemaal voor jou, Jeruzalem. En ook de rammen uit Nebajot mag je hebben. De Heer zegt: ‘Je mag die dieren op mijn altaar offeren, ik zal ze graag van je aannemen. En ik zal de tempel weer opbouwen, mijn tempel zal prachtig zijn!’

De volken komen uit verre landen

8Jeruzalem, wat komt daar aan? Zijn het wolken die over het water zweven? Of zijn het duiven die terugvliegen naar huis? 9Nee, het zijn schepen uit verre landen. Ze zijn onderweg naar de Heer. Voorop varen de schepen uit Tarsis. Zij brengen je inwoners mee, en ze hebben zilver en goud bij zich.

Ja, zelfs vanuit de verste landen komen ze naar je toe, Jeruzalem. Al die volken komen naar je toe om de Heer te vereren. Ze komen voor de heilige God van Israël. Want hij heeft van jou weer een schitterende stad gemaakt.

De volken zullen Jeruzalem opbouwen

10De Heer zegt: ‘Jeruzalem, die volken zullen je muren weer opbouwen. En hun koningen zullen jou dienen. Ik ben kwaad op je geweest en ik heb je geslagen. Maar ik zal weer goed voor je zijn, ik zal weer voor je zorgen.

11Je poorten zullen nooit meer gesloten worden. Ze zullen altijd openstaan, dag en nacht. Dan kunnen de volken binnenkomen, met al hun rijkdommen. Ook hun koningen zullen door jouw poorten naar binnen gaan.

12Maar de volken en koninkrijken die jou niet willen dienen, zullen verdwijnen. Zij zullen volledig vernietigd worden.

13Mijn tempel zal weer opgebouwd worden. Hij zal versierd worden met het allermooiste hout uit de Libanon-bergen. De tempel waarin ik woon, zal prachtig zijn.

Jeruzalem wordt een stad van vrede

14Jeruzalem, vroeger werd je onderdrukt, maar nu niet meer. Nee, je vijanden zullen juist voor je knielen. Zij zullen je Stad van de Heer noemen, en Stad van de Heilige God van Israël.

15Vroeger was je alleen en verlaten. Iedereen had een hekel aan je, niemand wilde je bezoeken. Maar ik maak van jou weer een prachtige stad, voor altijd. De mensen zullen steeds blijven komen om van jou te genieten.

16De andere volken en hun koningen zullen als een moeder voor je zorgen. Ze zullen je alles geven wat je nodig hebt. En dan zul je weten dat ik, de Heer, jou bevrijd. En dat ik, de machtige God van Jakob, jou bescherm.

17Je zult een rijke stad zijn. Want ik geef je goud in plaats van koper. Ik geef je zilver in plaats van ijzer, ik geef je koper in plaats van hout, en ijzer in plaats van stenen.

Binnen jouw muren zal er altijd vrede zijn. Je leiders zullen rechtvaardig zijn. 18In jouw land zal geen geweld meer zijn. Er wordt niets meer verwoest, er zijn geen grote rampen meer. Je zult beschermd worden door je muren, en iedereen zal onder de indruk zijn van je poorten.’

In Jeruzalem is het altijd licht

19-20Jeruzalem, de Heer zal je voor altijd licht geven. Overdag heb je de zon niet meer nodig, ’s nachts ben je niet meer afhankelijk van het licht van de maan.

Het licht van de zon verdwijnt als de zon ondergaat. En het licht van de maan verdwijnt als de maan kleiner wordt. Maar het licht van de Heer zal nooit verdwijnen! Hij zal je altijd licht geven, het zal nooit meer donker zijn. De dagen dat je verdriet had en rouwde, zijn voorgoed voorbij.

21De Heer zegt: ‘Mijn volk zal alleen nog bestaan uit goede en eerlijke mensen. Het land zal voor altijd van hen zijn. Ik heb hen gemaakt, ze zijn een teken van mijn macht.

22Mijn volk wordt machtig en groot. Zelfs de kleinste families zal ik heel groot maken. En ik zal ervoor zorgen dat het snel gebeurt, op de juiste tijd.’