Bijbel in Gewone Taal (BGT)
57

Eerlijke mensen zullen rustig sterven

571Het gaat niet goed met het volk van Israël. Mensen die eerlijk leven, gaan dood. En niemand vindt dat erg. Mensen die trouw zijn aan God, sterven doordat er veel onrecht is. Maar er is niemand die dat ziet.

2En toch zullen de mensen die goed leven, rustig sterven. Zij zullen vrede vinden na hun dood.

De mensen doen graag slechte dingen

3De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Kom dichterbij, jullie! Jullie zijn nog slechter dan waarzeggers en hoeren.

4Jullie spotten met mij! Jullie zijn brutaal tegen mij, jullie steken je tong naar mij uit! Jullie zijn net zo slecht als je voorouders, jullie liegen en bedriegen. 5Jullie hebben overal seks met elkaar, op al jullie heilige plaatsen en onder elke groene boom. Jullie offeren je eigen kinderen, in het dal van de rivier en tussen de rotsen.

6Ik moet jullie dus wel straffen! Straks komen jullie daar zelf te liggen, tussen de gladde stenen in de rivier. Want daar hebben jullie offers gebracht aan afgoden. Ja, het zal slecht met jullie aflopen.’

Het volk van Israël lijkt op een hoer

7-8De Heer zegt: ‘Israël, je lijkt op een hoer die haar bed neergezet heeft op de berg Sion. Je hebt mij in de steek gelaten. Boven op de berg heb je offers gebracht aan afgoden. Achter de deuren van je tempel heb je afschuwelijke beeldjes neergezet.

Je lijkt op een hoer die naakt op haar bed ligt. Zo’n hoer die veel klanten ontvangt en een prijs met hen afspreekt. Je lijkt op een hoer die geniet van al haar mannen en die hun naakte lichamen bewondert.

9Israël, je vereerde de afgod Baäl alsof het één van je mannen was. Je verwende hem met parfum en geurige olie. Je stuurde boodschappers naar verre gebieden, om nog meer afgoden te zoeken. Zij kwamen zelfs in het land van de dood. 10Je werd moe van al dat zoeken, maar toch ging je door. Je had steeds plezier, en daarom kon je verdergaan.

11Waarom heb je mij zo vaak bedrogen? Je hebt alleen eerbied voor andere goden, en je bent bang voor hen. Maar aan mij denk je niet. Naar mij luister je niet meer. Misschien heb ik veel te lang gezwegen, en ben je daarom niet meer bang voor mij.

12Israël, ik zal aan de mensen vertellen welke slechte dingen je allemaal gedaan hebt. En dan kunnen al die goden die je verzameld hebt, jou niet helpen. 13Hoe hard je ook schreeuwt, ze zullen je niet redden. Bij een klein beetje wind worden die goden al weggeblazen.

Maar ik zal niet al je inwoners in de steek laten. De mensen die hulp zoeken bij mij, mogen in dit land blijven wonen. Zij krijgen een plek op mijn heilige berg.’

De Heer blijft niet altijd kwaad

14De Heer zegt: ‘Maak de weg vrij, maak de weg vrij voor mijn volk! Zorg dat niets mijn volk kan tegenhouden.’ 15Dat zegt de Heer, die groot is en machtig. De Heer die voor eeuwig regeert, en die heilig is. Hij zegt: ‘Ik zal wonen op een hoge en heilige plaats, samen met mensen die arm zijn en onderdrukt worden. Ik zal ze moed geven, zodat ze gelukkig worden.

16Ik blijf niet altijd kwaad op de Israëlieten, mijn woede gaat weer voorbij. Want ik wil niet dat ze door mijn woede sterven. Ik heb hun zelf het leven gegeven.

17Ik was kwaad omdat mijn volk alleen aan zichzelf dacht. Daarom heb ik de mensen gestraft, en daarom liet ik me niet meer zien. Maar zij hielden niet op, ze gingen maar door met hun slechte gedrag.’

De Heer zal de mensen troosten

18-19De Heer zegt: ‘Ik heb gezien wat de mensen allemaal verkeerd deden. Maar toch zal ik hen helpen. Ik zal mijn volk leiden. Ik zal de mensen troosten, want dat heb ik beloofd.

Mensen die verdriet hebben, zal ik troosten met deze woorden: Vrede zal er zijn, vrede voor iedereen, voor mensen ver weg en dichtbij. Ik zal alle mensen helpen.

20-21Maar mensen die slecht zijn, zal ik niet helpen. Voor hen zal er geen vrede zijn. Want zij zorgen steeds opnieuw voor ellende. Ze zijn altijd onrustig, net als de zee. Ze lijken op golven die vuil en modder achterlaten op het strand.’

58

Zorg goed voor elkaar

Jesaja moet het volk toespreken

581De Heer zei tegen mij: ‘Jesaja, je moet heel hard roepen. Houd jezelf niet in, maar schreeuw zo hard mogelijk. Laat je stem zo luid klinken als een trompet! Vertel de Israëlieten wat ze allemaal verkeerd doen.’

Vasten alleen is niet genoeg

Volk van Israël, de Heer zegt tegen jullie: 2‘Jullie denken dat jullie goed leven en trouw aan mij zijn. Net zo trouw als andere volken aan hun goden zijn.

Jullie zeggen dat jullie mij elke dag vragen wat ik wil. Jullie zeggen dat jullie mijn regels willen volgen. Jullie zeggen dat jullie graag dicht bij mij willen zijn! 3En jullie zeggen ook: ‘Waarom ziet u niet dat we vasten? Waarom merkt u het niet als we ophouden met eten en drinken?’

Maar wat doen jullie op de dagen dat jullie vasten? Jullie gaan gewoon door met jullie eigen handel. Jullie dwingen de arbeiders om hard te werken, 4en jullie maken ruzie. Jullie gebruiken zelfs geweld en jullie vechten met elkaar!

Als jullie je zo blijven gedragen, luister ik niet naar jullie. Want dat is niet de goede manier om te vasten. 5En ik wil ook niet dat jullie jezelf pijn doen, en alleen maar huilen en rouwen. Dat is niet de goede manier om mij te dienen.

De mensen moeten voor elkaar zorgen

6Nee, ik wil dat het heel anders gaat! Jullie moeten niet alleen vasten, jullie moeten meer doen. Bevrijd mensen die gevangen zitten, maak hun boeien los. Laat alle slaven vrij. Zorg dat niemand meer onderdrukt wordt. 7Deel je brood met mensen die honger hebben. Geef arme mensen een plek in je huis. Geef kleren aan mensen die naakt zijn. Zorg goed voor de mensen om je heen!

8Als je dat doet, dan zul je echt gelukkig zijn. Je zult lijken op de zon die stralend opkomt in de ochtend. Volk van Israël, als jullie zo leven, zal het snel beter met jullie gaan. En met mijn macht zal ik jullie overal beschermen. 9Als jullie mij roepen, zal ik antwoord geven. Als jullie mij om hulp vragen, dan kom ik jullie helpen.

Help andere mensen

Zorg dat niemand meer onderdrukt wordt. Beschuldig mensen niet te snel, vertel geen slechte dingen over een ander. 10Als iemand honger heeft, geef hem dan te eten. Geef hem net zo veel als je zelf eet. En geef aan de armen alles wat ze nodig hebben.

Als jullie dat doen, dan zullen jullie gelukkig zijn. Jullie zullen lijken op licht dat in het donker schijnt. Overal waar het donker is, zorgen jullie voor stralend licht.

De Heer maakt zijn volk weer sterk

11Ik zal jullie leiden. Als je dorst hebt, zal ik je te drinken geven. Ik zal jullie sterk en krachtig maken. Jullie zullen lijken op een tuin waar altijd water doorheen stroomt. Jullie zullen lijken op een bron waar altijd water uit komt.

12Jullie zullen de steden die lang geleden verwoest werden, zelf weer opbouwen. Jullie zullen de oude muren die lang geleden gebouwd zijn, weer sterk maken. En dan worden jullie genoemd ‘Volk dat muren weer opbouwt en weer wegen aanlegt’.

Op sabbat moet je uitrusten

13De sabbat is een heilige dag. Op die dag moet je uitrusten, je mag dan geen zaken doen. De sabbat is een vrolijke dag, het is een dag om mij te vereren. Op die dag mag je niet bezig zijn met van alles. Je mag geen spullen kopen of verkopen, en je moet geen belangrijke zaken willen bespreken.

14Als jullie op die dag uitrusten, zal ik jullie vreugde geven. Jullie zullen het land dat ik aan jullie voorvader Jakob gegeven heb, weer in bezit nemen. En jullie zullen genieten van alles wat op dat land groeit. Dat beloof ik.’

59

Het volk hoopt op bevrijding

Waarom het volk niet bevrijd wordt

591Volk van Israël, jullie worden maar niet bevrijd, en jullie denken dat het komt door de Heer. Jullie denken dat hij niet machtig genoeg is, jullie denken dat hij doof is en niet goed luistert. 2-3Maar daar komt het niet door. Het komt door jullie zelf! Want jullie handen zitten vol bloed, jullie hebben mensen vermoord. En jullie bedriegen elkaar, uit jullie mond komen alleen maar leugens.

Daarom is er zo’n grote afstand tussen jullie en jullie God. Daarom verbergt hij zich en luistert hij niet naar jullie.

De mensen gedragen zich slecht

4Er wordt niet meer eerlijk rechtgesproken. Niemand krijgt een eerlijk proces. De mensen vertrouwen op valse bewijzen, en ze vertellen leugens aan de rechter. Ze kunnen alleen maar liegen en bedriegen.

En ze bedenken steeds slechte plannen. 5Dan lijken ze op slangen die hun eieren uitbroeden. Als je zo’n ei opeet, ga je dood. En als je erop trapt, komt er een giftige slang uit. De plannen van die mensen zijn net zo gevaarlijk als zulke eieren. 6Met hun plannen proberen ze andere mensen in hun macht te krijgen. Net zoals spinnen die vliegen vangen in hun web. Maar hun plannen hebben verder geen doel. Ze zijn gevaarlijk, maar ook zinloos.

De mensen doen alleen maar slechte dingen. Ze gebruiken graag geweld. 7Ze willen steeds meer kwaad doen, ze vermoorden iedereen die ze tegenkomen. Ze bedenken alleen maar slechte plannen. Overal waar ze komen, gebeuren vreselijke rampen.

8Ze weten niet wat vrede is. Ze kennen geen eerlijk recht. Ze liegen en bedriegen, steeds maar weer. De mensen willen geen vrede.

Het volk blijft hopen op bevrijding

9Volk van Israël, jullie zeggen: ‘Wij weten wel waarom God ons niet bevrijdt. We weten wel waarom er onrecht is in het land. Toch hopen we op bevrijding, we hopen dat het licht wordt. Ook al weten we dat we gevangen zitten en dat het donker blijft.

10We lijken wel blind. Het is alsof we dicht langs een muur moeten lopen om de weg te vinden. De zon schijnt, maar het lijkt wel nacht. We leven, maar we lijken wel dood.

11We grommen als beren die weten dat ze gaan sterven. We klagen als duiven, zo droevig zijn we. We hopen op eerlijke rechtspraak, maar die komt er niet. We hopen dat God ons bevrijdt, maar dat gebeurt niet. 12Want met ons slechte gedrag hebben wij ons steeds tegen de Heer verzet.

We weten heel goed wat we fout gedaan hebben, we weten hoe slecht we zijn. 13We verzetten ons tegen de Heer, we bedriegen hem, we laten hem in de steek. We dreigen met geweld, we liegen en bedriegen. En we spreken nooit de waarheid. 14Daarom is er geen eerlijke rechtspraak in het land. Overal worden leugens verteld, niemand is eerlijk tegen een ander.

15De waarheid is nergens meer te vinden. En wie niet mee wil doen met het kwaad, die wordt door anderen gestraft.’

De Heer heeft zijn volk bevrijd

De Heer heeft alles gezien. Toen hij zag dat er in het land geen eerlijke rechters meer waren, werd hij kwaad. 16Hij was verbaasd dat niemand iets deed. Hij vond het verschrikkelijk dat er niemand in actie kwam.

Hij bevrijdde zijn volk, hij deed het op eigen kracht. Hij wilde zijn volk redden! 17Hij vocht voor zijn volk als een dappere held. Hij strafte de vijanden en redde zijn volk. Zo zorgde hij ervoor dat zijn volk bevrijd werd.

De Heer zal komen met kracht

18De Heer zal zijn vijanden verslaan, hij straft al zijn tegenstanders. Hij straft zijn vijanden, waar ze ook wonen.

19Overal op de wereld zullen de mensen eerbied hebben voor de machtige Heer. Want hij zal komen met kracht. Hij komt met de kracht van water in een rivier. Zijn adem is als een storm die het water steeds sneller laat stromen.

20De Heer zal naar Jeruzalem komen om zijn volk te bevrijden. Dan redt hij de Israëlieten die zich niet langer tegen hem verzetten. Dat heeft hij beloofd.

De Heer zal zijn volk beschermen

21De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik beloof dat ik jullie altijd zal beschermen. Ik heb jullie mijn geest gegeven. En jullie moeten beloven dat jullie mijn woorden steeds zullen doorvertellen. Jullie zelf moeten dat doen, en ook jullie kinderen en kleinkinderen. Blijf mijn woorden steeds doorvertellen.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]