Bijbel in Gewone Taal (BGT)
47

Babel zal zijn macht verliezen

471De Heer zegt: ‘Babel, je bent nu nog een machtige stad. Zo machtig als een koningin. Maar ik zeg tegen jou: Koningin Babel, kom van je troon en ga op de grond zitten. Je bent je macht kwijt. Je bent niet meer die deftige dame, 2je bent nu een slavin. Je moet nu graan gaan malen. Doe je mooie sluier af, trek je jurk uit en ga maar door het water van de rivier. 3Iedereen ziet je, het is alsof je naakt bent. De mensen zullen je uitlachen. Zo zal ik je straffen, en niemand houdt mij tegen.

4-6Koningin Babel, ga op de grond zitten en wees stil. Het is nu donker om je heen. Je heerst niet langer over veel koninkrijken. Toen ik kwaad was op mijn volk, heb ik hun land aan jou gegeven. Maar jij hebt dat land verwoest. Jij had geen medelijden met mijn volk, en ook niet met hun leiders.’

Dat zegt de heilige God van Israël. Hij is onze bevrijder. Zijn naam is: Machtige Heer.

Babel lijkt op een verwende koningin

7De Heer zegt tegen de stad Babel: ‘Jij denkt dat je voor altijd machtig blijft! Maar je hebt niet goed opgelet. Daardoor zie je niet wat er gebeurt. Je weet nog niet hoe het met je zal aflopen.

8Je lijkt op een verwende koningin die alleen aan zichzelf denkt. Die koningin denkt: Met mij kan niets fout gaan. Ik zal mijn man niet verliezen. Mijn kinderen zullen niet sterven. 9Maar dat zal wel gebeuren! Onverwachts, op één dag, zullen haar man en haar kinderen sterven. Daar helpt geen toverspreuk tegen, geen toverkunst kan die koningin helpen.

10Babel, jij denkt: Ik kan doen wat ik wil, want God ziet toch niet wat ik doe. Je denkt: Met mij kan niets fout gaan! Je vertrouwt op al je kennis, maar dat helpt niets. 11Het kwaad zal je treffen. Geen enkele toverkunst kan het ongeluk tegenhouden. Heel plotseling zal het gebeuren. Voordat je het weet, is het afgelopen met jou.

Babel kan door niemand gered worden

12Babel, gebruik je toverkunsten en toverspreuken maar, zoals je altijd gedaan hebt. Misschien kun je toch iets doen. Misschien dat het kwaad toch verdwijnt. 13Je had toch altijd zo veel raadgevers? Wat heb je die vaak om raad gevraagd! Vraag hun maar om te komen. Zij kijken toch vaak naar de hemel en de sterren? Zij zeggen toch elke maand wat er in de toekomst met je zal gebeuren? Vraag die raadgevers dan of ze je komen redden!

14Maar zij zullen je niet redden. Ze zullen allemaal verdwijnen in het vuur. Ze zullen allemaal verbranden, niemand zal uit dat vuur ontsnappen. Want het is niet zomaar een vuurtje waarop je brood bakt! Het zijn geen vlammen om lekker warm van te worden. Nee, het is een vuur dat alles verwoest!

15Je raadgevers zullen je dus niet helpen. Ook al ken je hen heel goed, ook al heb je vaak raad aan hen gevraagd. Die raadgevers zullen allemaal verdwijnen. En niemand zal je redden.’

48

God laat iets nieuws gebeuren

Het volk van Israël is onbetrouwbaar

481-2De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister! Jullie zijn de nakomelingen van Jakob. Jullie komen uit de stam Juda. Jullie naam is Israël. Jullie noemen jezelf inwoners van de heilige stad Jeruzalem. Jullie noemen mij God van Israël, Machtige Heer. Jullie zoeken hulp bij mij en jullie zeggen dat je mij vereert. Maar jullie zijn oneerlijk en onbetrouwbaar!

3Lang geleden heb ik al voorspeld wat er zou gaan gebeuren. Iedereen kon het horen. En nu is het opeens gebeurd. 4-5Ik heb het lang geleden voorspeld, omdat ik wist dat jullie ongehoorzaam zijn. Ik wilde niet dat jullie zouden zeggen: ‘Onze afgoden hebben het voorspeld, zij hebben het laten gebeuren.’

6Jullie hebben dus mijn woorden gehoord, en jullie hebben gezien wat er daarna gebeurd is. Waarom hebben jullie de mensen dan niet gewaarschuwd?

De Heer gaat iets nieuws doen

Nu ga ik iets nieuws vertellen. Iets wat jullie nog niet eerder gehoord hebben, iets wat jullie niet konden zien. 7Iets wat er nooit geweest is. Iets waarvan je nog nooit gehoord hebt. Het is nu pas ontstaan. Je kunt dus niet zeggen: ‘Dat wist ik allang.’ 8Nee, hier hebben jullie nog nooit van gehoord. Je wist niet dat zoiets kon gebeuren.

Volk van Israël, ik weet dat ik jullie niet kan vertrouwen. Jullie hebben mij al zo vaak in de steek gelaten! 9Ik ben woedend, maar ik zal me inhouden. Ik zal jullie niet doden. Want ik ben een goede en betrouwbare God. 10Maar ik zal jullie wel straffen. Ik heb jullie vaak gestraft, zodat jullie weer zouden luisteren. Maar die straffen hebben niets geholpen. Daarom zal ik jullie nu heel zwaar straffen. 11Ik doe dat voor mezelf, voor mij alleen. Want ik wil dat iedereen eerbied voor mij heeft. En ik wil mijn eer niet met een ander delen!’

De Heer stuurt Cyrus naar Babel

12De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister naar mij. Ik heb jullie uitgekozen. Ik blijf steeds dezelfde God. Ik ben de eerste en ik ben de laatste. 13Ik alleen heb de aarde gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. Als ik de sterren roep, dan komen ze tevoorschijn.

14Kom allemaal hier en luister! Wie heeft gezegd: ‘Ik stuur koning Cyrus, hij is mijn vriend. Hij zal doen wat ik wil. Hij zal met zijn leger de Babyloniërs straffen’? Hebben andere goden dat gezegd? 15Nee! Ik heb dat gezegd. Ik heb Cyrus geroepen. Ik zal zorgen dat hij komt, en dat zijn plannen slagen.

16Kom hierheen en luister! Al vanaf het begin heb ik tegen jullie gesproken. Iedereen kon het horen. Vanaf het begin van alles was ik er. Ik ben God, de Heer. Ik heb mijn dienaar Cyrus gestuurd, en ik heb hem mijn geest gegeven.’

De Heer bevrijdt zijn volk

17De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik ben de heilige God. Ik zal jullie bevrijden. Ik ben de Heer, jullie God. Ik leer jullie wat goed voor je is. Ik vertel hoe jullie moeten leven.

18Als jullie naar mijn regels geluisterd hadden, dan was er nu vrede en dan was alles nu goed. Die vrede zou er altijd zijn, zoals een rivier die altijd stroomt. 19En als jullie naar mijn regels geluisterd hadden, zouden jullie veel meer nakomelingen hebben. Je zou ze niet kunnen tellen, zoals je het zand bij de zee niet kunt tellen. En dan zou ik jullie nooit vergeten, ik zou altijd aan jullie blijven denken.

20Volk van Israël, ga weg uit Babel. Vlucht weg voor de Babyloniërs, en roep: ‘We zijn vrij! De Heer heeft zijn dienaar Israël bevrijd!’ Laat iedereen het horen, maak het overal bekend.

21Ik leid jullie door de woestijn. Jullie zullen geen dorst hebben, want ik zal water uit de rotsen laten stromen. 22Maar dit zeg ik ook: Alleen de mensen die mij trouw zijn, zullen in vrede leven.’

49

De opdracht van Gods dienaar

God heeft zijn dienaar uitgekozen

491Gods dienaar zegt: ‘Luister goed, volken van de wereld. Luister naar mij, mensen uit verre streken! De Heer had mij al uitgekozen toen ik nog niet eens geboren was. Hij had mijn naam al genoemd voordat ik uit de buik van mijn moeder kwam. 2Hij beschermde mij, bij hem was ik veilig. Hij leerde me om als profeet te spreken. Hij maakte mijn woorden zo scherp als een zwaard, zo scherp als de punt van een pijl. Maar eerst hield hij me nog veilig bij zich.

3De Heer heeft tegen mij gezegd dat ik zijn dienaar ben. Hij zei: ‘Jij zult de wereld laten zien hoe machtig ik ben.’ 4Ik zei: ‘Ik heb al zo veel gedaan, maar het heeft niets geholpen. Mijn werk is helemaal voor niets geweest. Ik heb geen kracht meer over. Maar u zult mij helpen om uw plannen uit te voeren, Heer. En u zult mijn werk belonen.’

Gods dienaar moet een voorbeeld zijn

5Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jij bent mijn dienaar. Dat was je al toen je nog in de buik van je moeder zat. En dit is je opdracht: jij moet mijn volk bij me terugbrengen, jij moet het volk weer bij elkaar brengen. Ik zal je kracht geven en ik zal je beschermen.

6Ja, jij moet de stammen van Israël weer bij elkaar brengen. En je moet de Israëlieten die in andere landen zijn, terughalen. Maar dat is niet genoeg, dat is niet je enige opdracht. Nee, ik heb je uitgekozen om een redder te zijn voor alle volken. Met jouw hulp zal ik alle mensen op aarde bevrijden.’’

Koningen zullen buigen voor Gods volk

7De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik ben de heilige God. Ik zal je bevrijden. Andere volken hebben nu nog een hekel aan je, ze vinden dat je niets waard bent. Hun koningen zijn de baas over je.

Maar later zullen die koningen respect voor je hebben. Want dan weten ze dat ik, de Heer, de heilige God, jou bevrijd heb. Dan weten ze dat ik betrouwbaar ben. En als ze zien dat ik jou uitgekozen heb, zullen ze diep voor je buigen.’

God zal zijn volk bevrijden

8De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, er zal een nieuwe tijd komen. Dan zal ik weer naar je luisteren. Ik zal je bevrijden en helpen. Ik zal je beschermen. Ik zal zorgen dat je de mensen vrede brengt. Je zult een voorbeeld worden voor alle volken.

En ik geef je deze opdracht: bouw het verwoeste land weer op. Dan zal het land weer van jou zijn. 9Tegen de gevangenen zul je zeggen: ‘Jullie zijn vrij! Jullie hoeven niet langer in het donker te zitten.’’

Gods volk zal veilig thuiskomen

De Heer zegt: ‘Als mijn volk terugkomt, zullen ze overal voedsel vinden. Ook op de kale bergen zullen ze iets te eten vinden. 10Ze zullen geen honger of dorst meer hebben. Ze zullen geen last hebben van de hitte en de brandende zon. Want ik zorg voor hen. Ik wijs hun de weg en ik breng hen naar vruchtbare grond. 11Ik maak de bergen vlak. Zo komt er een weg voor mijn volk, een pad waarover ze kunnen lopen.

12Kijk, daar komen ze al! Ze komen uit verre landen, uit het noorden en uit het westen. En ook uit het zuiden, uit het verre land Syene.’

God heeft zijn volk getroost

13Juich allemaal! Hemel en aarde, juich! Bergen en heuvels, doe mee! Want de Israëlieten moesten lijden, maar de Heer had medelijden en heeft hen getroost.

De Heer laat Jeruzalem niet in de steek

De Heer zal Jeruzalem nooit vergeten

14Jeruzalem zegt: ‘De Heer heeft mij verlaten, hij is mij vergeten.’

15-16Maar de Heer zegt: ‘Jeruzalem, ik heb je naam in mijn hart bewaard. Ik zal altijd aan je denken. Een moeder zorgt toch ook goed voor het kind dat ze in haar buik gedragen heeft? Ze vergeet haar kind nooit. En zelfs al zou een moeder haar kind vergeten, ik zal jou nooit vergeten!

17Jeruzalem, je inwoners komen gauw naar huis. En de vijanden die jou verwoest hebben, zullen weggaan. 18Doe je ogen maar open, kijk om je heen. Je inwoners komen er al aan, ze komen allemaal naar je toe. Je zult trots op hen zijn. Door hen zul je weer een prachtige stad worden. Zo prachtig als een bruid die haar mooiste sieraden draagt. Dat beloof ik!

19Nu ben je nog een verwoeste stad. Overal ligt puin, het hele land is vernield. Maar het duurt niet lang meer, dan komen er weer mensen wonen. Het land zal te klein zijn voor iedereen. En de vijanden die je land verwoest hebben, zullen ver bij je vandaan blijven.

20Jeruzalem, je dacht dat je je inwoners verloren had. Maar straks wonen er weer veel mensen binnen je muren. Zo veel dat ze zullen zeggen: ‘Het is hier te vol. Geef ons meer ruimte om te wonen.’

Jeruzalem krijgt haar inwoners terug

21Jeruzalem, je zegt tegen jezelf: ‘Wie kan mijn inwoners terugbrengen, wie kan ze aan mij teruggeven? Mijn inwoners zijn mijn kinderen! Ze zijn bij me weggehaald, ze zijn meegenomen naar verre landen. Wie zal er voor ze zorgen? Ik heb geen kinderen meer, en ik zal ook geen kinderen meer krijgen. Ik zal altijd alleen blijven!’

22Maar luister naar mij, Jeruzalem. Ik, de Heer, zal de volken een teken geven. Ik zal ze mijn macht laten zien. En dan zullen zij je inwoners veilig terugbrengen. Ze nemen hen als kinderen op hun arm, ze dragen hen op hun schouders. 23Koningen zullen hen verzorgen, koninginnen zullen hun de borst geven. Die koningen en koninginnen zullen voor je knielen. Ze zullen diep voor je buigen en je dienen.

En dan zul je zeker weten dat ik de Heer ben. Want als je op mij vertrouwt, dan word je niet teleurgesteld.

De Heer zal Jeruzalem beschermen

24Jeruzalem, jij zegt: ‘De vijanden houden mijn inwoners gevangen. Wie kan hen bevrijden? De vijanden zullen hen echt niet vrijlaten!’

25Maar luister! Gevangenen zullen bevrijd worden. En je vijanden zullen alles kwijtraken wat ze veroverd hadden. Ik zal zelf tegen je vijanden vechten. En ik zal je inwoners redden. 26Jouw vijanden zullen elkaar doden. Ze zullen elkaars bloed drinken alsof het wijn is.

En dan zal iedereen weten dat ik de Heer ben, en dat ik je bevrijd. Ik ben de machtige God van Jakob, ik zal je beschermen.’