Bijbel in Gewone Taal (BGT)
48

God laat iets nieuws gebeuren

Het volk van Israël is onbetrouwbaar

481-2De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister! Jullie zijn de nakomelingen van Jakob. Jullie komen uit de stam Juda. Jullie naam is Israël. Jullie noemen jezelf inwoners van de heilige stad Jeruzalem. Jullie noemen mij God van Israël, Machtige Heer. Jullie zoeken hulp bij mij en jullie zeggen dat je mij vereert. Maar jullie zijn oneerlijk en onbetrouwbaar!

3Lang geleden heb ik al voorspeld wat er zou gaan gebeuren. Iedereen kon het horen. En nu is het opeens gebeurd. 4-5Ik heb het lang geleden voorspeld, omdat ik wist dat jullie ongehoorzaam zijn. Ik wilde niet dat jullie zouden zeggen: ‘Onze afgoden hebben het voorspeld, zij hebben het laten gebeuren.’

6Jullie hebben dus mijn woorden gehoord, en jullie hebben gezien wat er daarna gebeurd is. Waarom hebben jullie de mensen dan niet gewaarschuwd?

De Heer gaat iets nieuws doen

Nu ga ik iets nieuws vertellen. Iets wat jullie nog niet eerder gehoord hebben, iets wat jullie niet konden zien. 7Iets wat er nooit geweest is. Iets waarvan je nog nooit gehoord hebt. Het is nu pas ontstaan. Je kunt dus niet zeggen: ‘Dat wist ik allang.’ 8Nee, hier hebben jullie nog nooit van gehoord. Je wist niet dat zoiets kon gebeuren.

Volk van Israël, ik weet dat ik jullie niet kan vertrouwen. Jullie hebben mij al zo vaak in de steek gelaten! 9Ik ben woedend, maar ik zal me inhouden. Ik zal jullie niet doden. Want ik ben een goede en betrouwbare God. 10Maar ik zal jullie wel straffen. Ik heb jullie vaak gestraft, zodat jullie weer zouden luisteren. Maar die straffen hebben niets geholpen. Daarom zal ik jullie nu heel zwaar straffen. 11Ik doe dat voor mezelf, voor mij alleen. Want ik wil dat iedereen eerbied voor mij heeft. En ik wil mijn eer niet met een ander delen!’

De Heer stuurt Cyrus naar Babel

12De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister naar mij. Ik heb jullie uitgekozen. Ik blijf steeds dezelfde God. Ik ben de eerste en ik ben de laatste. 13Ik alleen heb de aarde gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. Als ik de sterren roep, dan komen ze tevoorschijn.

14Kom allemaal hier en luister! Wie heeft gezegd: ‘Ik stuur koning Cyrus, hij is mijn vriend. Hij zal doen wat ik wil. Hij zal met zijn leger de Babyloniërs straffen’? Hebben andere goden dat gezegd? 15Nee! Ik heb dat gezegd. Ik heb Cyrus geroepen. Ik zal zorgen dat hij komt, en dat zijn plannen slagen.

16Kom hierheen en luister! Al vanaf het begin heb ik tegen jullie gesproken. Iedereen kon het horen. Vanaf het begin van alles was ik er. Ik ben God, de Heer. Ik heb mijn dienaar Cyrus gestuurd, en ik heb hem mijn geest gegeven.’

De Heer bevrijdt zijn volk

17De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik ben de heilige God. Ik zal jullie bevrijden. Ik ben de Heer, jullie God. Ik leer jullie wat goed voor je is. Ik vertel hoe jullie moeten leven.

18Als jullie naar mijn regels geluisterd hadden, dan was er nu vrede en dan was alles nu goed. Die vrede zou er altijd zijn, zoals een rivier die altijd stroomt. 19En als jullie naar mijn regels geluisterd hadden, zouden jullie veel meer nakomelingen hebben. Je zou ze niet kunnen tellen, zoals je het zand bij de zee niet kunt tellen. En dan zou ik jullie nooit vergeten, ik zou altijd aan jullie blijven denken.

20Volk van Israël, ga weg uit Babel. Vlucht weg voor de Babyloniërs, en roep: ‘We zijn vrij! De Heer heeft zijn dienaar Israël bevrijd!’ Laat iedereen het horen, maak het overal bekend.

21Ik leid jullie door de woestijn. Jullie zullen geen dorst hebben, want ik zal water uit de rotsen laten stromen. 22Maar dit zeg ik ook: Alleen de mensen die mij trouw zijn, zullen in vrede leven.’

49

De opdracht van Gods dienaar

God heeft zijn dienaar uitgekozen

491Gods dienaar zegt: ‘Luister goed, volken van de wereld. Luister naar mij, mensen uit verre streken! De Heer had mij al uitgekozen toen ik nog niet eens geboren was. Hij had mijn naam al genoemd voordat ik uit de buik van mijn moeder kwam. 2Hij beschermde mij, bij hem was ik veilig. Hij leerde me om als profeet te spreken. Hij maakte mijn woorden zo scherp als een zwaard, zo scherp als de punt van een pijl. Maar eerst hield hij me nog veilig bij zich.

3De Heer heeft tegen mij gezegd dat ik zijn dienaar ben. Hij zei: ‘Jij zult de wereld laten zien hoe machtig ik ben.’ 4Ik zei: ‘Ik heb al zo veel gedaan, maar het heeft niets geholpen. Mijn werk is helemaal voor niets geweest. Ik heb geen kracht meer over. Maar u zult mij helpen om uw plannen uit te voeren, Heer. En u zult mijn werk belonen.’

Gods dienaar moet een voorbeeld zijn

5Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jij bent mijn dienaar. Dat was je al toen je nog in de buik van je moeder zat. En dit is je opdracht: jij moet mijn volk bij me terugbrengen, jij moet het volk weer bij elkaar brengen. Ik zal je kracht geven en ik zal je beschermen.

6Ja, jij moet de stammen van Israël weer bij elkaar brengen. En je moet de Israëlieten die in andere landen zijn, terughalen. Maar dat is niet genoeg, dat is niet je enige opdracht. Nee, ik heb je uitgekozen om een redder te zijn voor alle volken. Met jouw hulp zal ik alle mensen op aarde bevrijden.’’

Koningen zullen buigen voor Gods volk

7De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik ben de heilige God. Ik zal je bevrijden. Andere volken hebben nu nog een hekel aan je, ze vinden dat je niets waard bent. Hun koningen zijn de baas over je.

Maar later zullen die koningen respect voor je hebben. Want dan weten ze dat ik, de Heer, de heilige God, jou bevrijd heb. Dan weten ze dat ik betrouwbaar ben. En als ze zien dat ik jou uitgekozen heb, zullen ze diep voor je buigen.’

God zal zijn volk bevrijden

8De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, er zal een nieuwe tijd komen. Dan zal ik weer naar je luisteren. Ik zal je bevrijden en helpen. Ik zal je beschermen. Ik zal zorgen dat je de mensen vrede brengt. Je zult een voorbeeld worden voor alle volken.

En ik geef je deze opdracht: bouw het verwoeste land weer op. Dan zal het land weer van jou zijn. 9Tegen de gevangenen zul je zeggen: ‘Jullie zijn vrij! Jullie hoeven niet langer in het donker te zitten.’’

Gods volk zal veilig thuiskomen

De Heer zegt: ‘Als mijn volk terugkomt, zullen ze overal voedsel vinden. Ook op de kale bergen zullen ze iets te eten vinden. 10Ze zullen geen honger of dorst meer hebben. Ze zullen geen last hebben van de hitte en de brandende zon. Want ik zorg voor hen. Ik wijs hun de weg en ik breng hen naar vruchtbare grond. 11Ik maak de bergen vlak. Zo komt er een weg voor mijn volk, een pad waarover ze kunnen lopen.

12Kijk, daar komen ze al! Ze komen uit verre landen, uit het noorden en uit het westen. En ook uit het zuiden, uit het verre land Syene.’

God heeft zijn volk getroost

13Juich allemaal! Hemel en aarde, juich! Bergen en heuvels, doe mee! Want de Israëlieten moesten lijden, maar de Heer had medelijden en heeft hen getroost.

De Heer laat Jeruzalem niet in de steek

De Heer zal Jeruzalem nooit vergeten

14Jeruzalem zegt: ‘De Heer heeft mij verlaten, hij is mij vergeten.’

15-16Maar de Heer zegt: ‘Jeruzalem, ik heb je naam in mijn hart bewaard. Ik zal altijd aan je denken. Een moeder zorgt toch ook goed voor het kind dat ze in haar buik gedragen heeft? Ze vergeet haar kind nooit. En zelfs al zou een moeder haar kind vergeten, ik zal jou nooit vergeten!

17Jeruzalem, je inwoners komen gauw naar huis. En de vijanden die jou verwoest hebben, zullen weggaan. 18Doe je ogen maar open, kijk om je heen. Je inwoners komen er al aan, ze komen allemaal naar je toe. Je zult trots op hen zijn. Door hen zul je weer een prachtige stad worden. Zo prachtig als een bruid die haar mooiste sieraden draagt. Dat beloof ik!

19Nu ben je nog een verwoeste stad. Overal ligt puin, het hele land is vernield. Maar het duurt niet lang meer, dan komen er weer mensen wonen. Het land zal te klein zijn voor iedereen. En de vijanden die je land verwoest hebben, zullen ver bij je vandaan blijven.

20Jeruzalem, je dacht dat je je inwoners verloren had. Maar straks wonen er weer veel mensen binnen je muren. Zo veel dat ze zullen zeggen: ‘Het is hier te vol. Geef ons meer ruimte om te wonen.’

Jeruzalem krijgt haar inwoners terug

21Jeruzalem, je zegt tegen jezelf: ‘Wie kan mijn inwoners terugbrengen, wie kan ze aan mij teruggeven? Mijn inwoners zijn mijn kinderen! Ze zijn bij me weggehaald, ze zijn meegenomen naar verre landen. Wie zal er voor ze zorgen? Ik heb geen kinderen meer, en ik zal ook geen kinderen meer krijgen. Ik zal altijd alleen blijven!’

22Maar luister naar mij, Jeruzalem. Ik, de Heer, zal de volken een teken geven. Ik zal ze mijn macht laten zien. En dan zullen zij je inwoners veilig terugbrengen. Ze nemen hen als kinderen op hun arm, ze dragen hen op hun schouders. 23Koningen zullen hen verzorgen, koninginnen zullen hun de borst geven. Die koningen en koninginnen zullen voor je knielen. Ze zullen diep voor je buigen en je dienen.

En dan zul je zeker weten dat ik de Heer ben. Want als je op mij vertrouwt, dan word je niet teleurgesteld.

De Heer zal Jeruzalem beschermen

24Jeruzalem, jij zegt: ‘De vijanden houden mijn inwoners gevangen. Wie kan hen bevrijden? De vijanden zullen hen echt niet vrijlaten!’

25Maar luister! Gevangenen zullen bevrijd worden. En je vijanden zullen alles kwijtraken wat ze veroverd hadden. Ik zal zelf tegen je vijanden vechten. En ik zal je inwoners redden. 26Jouw vijanden zullen elkaar doden. Ze zullen elkaars bloed drinken alsof het wijn is.

En dan zal iedereen weten dat ik de Heer ben, en dat ik je bevrijd. Ik ben de machtige God van Jakob, ik zal je beschermen.’

50

De Heer heeft zijn volk niet verlaten

501De Heer zegt: ‘Israëlieten, denken jullie dat ik ontrouw aan jullie was? Denken jullie dat ik jullie in de steek wilde laten? Hebben jullie daar bewijs voor? Denken jullie dat ik jullie zomaar weggegeven heb? Nee, ik heb jullie aan de vijanden uitgeleverd omdat jullie alles verkeerd gedaan hebben. Ik heb jullie weggestuurd omdat jullie mij niet langer gehoorzaamden.

2Nu kom ik bij jullie terug, ik roep jullie. Maar er is niemand, niemand geeft antwoord. Waarom niet? Denken jullie dat ik jullie niet kan bevrijden? Twijfelen jullie aan mijn macht?

Ik kan de zee laten verdwijnen door alleen maar te dreigen! Ik kan ook het water uit de rivieren laten verdwijnen. Dan blijven er alleen nog dode vissen over en gaat alles stinken. 3En ik kan het licht van de hemel laten verdwijnen. Dan wordt de hemel helemaal zwart, dan is het overal donker.’

Niemand luistert naar Gods dienaar

God zal zijn dienaar helpen

4-5Gods dienaar zegt: ‘God, de Heer, heeft mij een tong gegeven, waarmee ik goed kan spreken. Ik kan mensen die moe zijn, weer moed geven. En God heeft mij oren gegeven, waarmee ik altijd goed naar de mensen kan luisteren.

Ik heb me niet tegen Gods opdrachten verzet. Ik ben er niet voor weggelopen. 6Toen mijn vijanden mij pijn wilden doen, liet ik toe dat ze me op mijn rug sloegen. Toen ze mijn baard wilden uittrekken, heb ik mijn gezicht naar ze toe gekeerd. Toen ze me uitlachten en naar me spuugden, bleef ik ze aankijken.

7God, de Heer, zal mij helpen. Dat weet ik. Daarom heb ik geen pijn, en daarom schaam ik me niet. Mijn vijanden kunnen op mijn gezicht geen pijn of schaamte zien.

8God zal zorgen dat ik eerlijk behandeld word. Wie durft er een rechtszaak tegen mij te beginnen? Is er iemand die mijn tegenstander durft te zijn? Kom maar, dan gaan we samen naar de rechter. 9Maar niemand kan mij straffen! Want God, de Heer, zal mij helpen. Mijn vijanden zullen verdwijnen, als een oude jas die langzaam vergaat.’

Israël vertrouwt niet op God

10De Heer zegt: ‘Volk van Israël, hebben jullie echt eerbied voor mij? Luisteren jullie wel naar de stem van mijn dienaar? Jullie moeten altijd op mij vertrouwen. Ook als jullie in het donker lopen, ook als je geen licht meer ziet.

11Maar jullie vertrouwen niet op mij! Nee, jullie maken plannen om anderen te vernietigen. Wacht maar! Door die plannen zullen jullie zelf vernietigd worden. En jullie zullen vreselijke pijn lijden. Daar zal ik voor zorgen.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]