Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

De feesten zullen ophouden

91Volk van Israël, stop met feestvieren! Juich niet zoals de andere volken. Want jullie zijn ontrouw aan jullie God. Steeds als jullie een goede oogst hebben, bedanken jullie de god Baäl.

2Maar straks hebben jullie helemaal geen koren en olijfolie meer, en ook geen wijn! 3Want dan moeten jullie het land van de Heer verlaten. Jullie zullen terugkeren naar Egypte. En in Assyrië zullen jullie voedsel moeten eten dat de Heer verboden heeft. 4Dat voedsel maakt jullie allemaal onrein. Je kunt het wel eten als je honger hebt, maar je kunt het niet als offer aanbieden aan de Heer. Jullie kunnen de Heer dan dus niet blij maken met jullie offers. Jullie kunnen niets aan hem offeren, ook geen wijn.

5Wat gaan jullie dan doen op je feestdagen? Wat doen jullie dan op het Loofhuttenfeest?

Het land wordt verwoest

6Het land waar de Israëlieten wonen, zal verwoest worden. De mensen die nog kunnen vluchten, zullen in Egypte gaan wonen. Daar zullen ze ook begraven worden, in de stad Memfis.

Op de plaats waar ze hun kostbare bezittingen achterlieten, zullen brandnetels groeien. En doornstruiken zullen hun huizen vernielen.

God heeft de profeet Hosea gestuurd

7Volk van Israël, binnenkort zal de Heer jullie straffen. Jullie krijgen wat jullie verdienen. Dat zullen jullie nog wel merken!

Jullie roepen kwaad: ‘Die profeet is gek, die boodschapper van God is zijn verstand kwijt!’ Maar jullie zijn alleen maar boos op mij omdat jullie Gods boodschap niet willen horen. En dat is het bewijs dat jullie ontrouw zijn aan God.

8God heeft mij gestuurd als zijn profeet. Ik ben er om jullie te waarschuwen. Maar jullie doen alsof ik jullie vijand ben. Overal proberen jullie me te doden, zelfs in de tempel van God. 9Wat jullie doen, is verschrikkelijk! Jullie zijn net zo slecht als de mensen in de stad Gibea, lang geleden. God zal jullie misdaden niet vergeten, hij zal jullie daarvoor straffen!

De les van Israëls verleden

Israël is slecht geworden

10De Heer zegt: ‘Lang geleden was ik blij met de Israëlieten. Zij waren voor mij net zo bijzonder als druiven in de woestijn. En net zo bijzonder als de eerste vijg aan een vijgenboom. Maar toen de voorouders van de Israëlieten in de stad Baäl-Peor kwamen, gingen ze de god Baäl vereren. Vanaf toen zijn ze net zo afschuwelijk geworden als die god.

11Daarom zal alles waar ze trots op zijn, verdwijnen. Er zullen nooit meer kinderen geboren worden, vrouwen zullen nooit meer zwanger worden. 12En de kinderen die ze al hebben, zullen allemaal sterven. Niemand zal in leven blijven! Ik zal de Israëlieten verlaten, en dan zal het slecht met hen aflopen.

13Vroeger ging het zo goed met de Israëlieten! Net zo goed als met palmbomen in vruchtbare grond. Maar nu gaat het heel slecht. Nu nemen moordenaars al hun kinderen mee.’

Hosea vraagt om een lichtere straf

14Heer, u moet uw volk wel straffen, maar straf hen niet te zwaar. Zorg ervoor dat ze geen kinderen meer krijgen.

De Heer zal zijn volk wegjagen

15De Heer zegt: ‘In Gilgal werd al duidelijk hoe slecht de Israëlieten zijn. Toen begon ik hen al te haten. Nu luistert niemand van hun leiders nog naar mij. Daarom zal ik de Israëlieten wegjagen. Ik houd niet meer van hen.

16Het is afgelopen met het volk van Israël. Het lijkt op een boom met verdroogde wortels, een boom die geen vruchten meer krijgt. Want ik zorg ervoor dat de Israëlieten geen kinderen meer krijgen. En als er toch kinderen komen, zal ik die doden.’

17God wil de Israëlieten niet meer. Hij jaagt hen weg, ze zullen zwerven over de hele aarde. Want ze hebben niet naar hem geluisterd.

10

Door rijkdom ging het verkeerd

101Het ging heel lang goed met het volk van Israël. Israël leek op een prachtige druivenplant, die groeit en steeds meer druiven krijgt.

Hoe beter het met de Israëlieten ging, hoe meer altaren ze bouwden. Hoe rijker de mensen werden, hoe mooier ze de heilige stenen gingen versieren.

2Maar die altaren en die stenen gebruikten ze om afgoden te dienen! Zo hebben ze de Heer bedrogen. Daarom zullen ze gestraft worden. De Heer zal hun altaren afbreken, en hij zal hun heilige stenen kapotslaan.

Een koning zal het volk niet helpen

3De Israëlieten zullen zeggen: ‘We zijn gestraft omdat we geen eerbied hadden voor de Heer. Daarom hebben we nu geen koning meer. Maar een koning kan toch niets voor ons doen!’

4Inderdaad, aan een koning heb je niets. Koningen beloven mooie dingen en ze sluiten veel verdragen. Maar ze houden zich niet aan hun beloftes en ze bedriegen iedereen. Koningen zijn gif voor het land. Door hen komt er steeds meer onrecht in Israël!

Israël zal zich schamen

5De bewoners van Samaria maken zich zorgen om een stierenbeeld! Ze hebben verdriet om dat afschuwelijke beeld in Bet-Awen. Hun priesters schreeuwen het uit, het hele volk huilt. Want al het goud is van het beeld af gehaald. 6En binnenkort wordt het beeld naar Assyrië gebracht, als geschenk voor de koning daar. Dat zal voor de Israëlieten een grote schande zijn. Dan zullen ze zich schamen voor alles wat ze gedaan hebben.

7Dan is het afgelopen met de koning van Israël. Hij zal meegenomen worden door de Assyriërs. 8En waar nu altaren staan, groeien straks allemaal doornstruiken. Want alle offerplaatsen zullen vernietigd worden, die verschrikkelijke plaatsen waar de Israëlieten hun afgoden vereren. Dan zullen de mensen tegen de bergen roepen: ‘Bedek ons toch!’ En tegen de heuvels: ‘Val toch op ons neer!’

De Heer zal zijn volk straffen

9De Heer zegt: ‘Vroeger deden de Israëlieten al verkeerde dingen. Denk maar aan wat er gebeurd is in de stad Gibea! De Israëlieten zijn niets veranderd, ze zijn nog net zo slecht. Daarom zullen ze nu bij Gibea door vijanden verslagen worden. 10Ik zal andere volken bij elkaar roepen, en die zullen tegen hen strijden. Zo zal ik de Israëlieten straffen voor hun misdaden.’

Israël heeft de Heer bedrogen

11De Heer zegt tegen de Israëlieten: ‘Vroeger gehoorzaamden jullie mij. Net zoals een koe de boer gehoorzaamt. Een jonge, sterke koe die op het land werkt, en die geleerd heeft om de boer te helpen. Een koe die goed kan ploegen en de grond mooi vlak maakt.

12Zo’n koe doet wat de boer wil. Net zo moeten jullie voortaan doen wat ik wil. Wees eerlijk en trouw. Leef volgens mijn wetten. Het is nu tijd om mij, de Heer, te zoeken. Dan kom ik naar jullie toe, en dan zorg ik dat het goed met jullie gaat.

13Tot nu toe hebben jullie niet gedaan wat ik wilde. Jullie waren mij ontrouw, en jullie waren oneerlijk. Daarom zullen jullie gestraft worden.

De steden worden verwoest

Jullie vertrouwden alleen op je eigen kracht, op jullie grote leger. 14Maar er zal oorlog tegen jullie gevoerd worden. Dan worden jullie sterke steden verwoest. Net zoals de stad Bet-Arbel vroeger verwoest werd door koning Salman. Hij doodde alle inwoners.

15Zo zal ik jullie straffen, volk van Israël. Want jullie zijn verschrikkelijk slecht. Zodra de strijd begint, wordt jullie koning gedood.’

11

De Heer was een vader voor zijn volk

111De Heer zegt: ‘Toen mijn volk nog jong was, hield ik van hen. Net zoals een vader houdt van zijn zoon. Ik heb de Israëlieten teruggeroepen uit Egypte. 2Maar hoe harder ik hen riep, hoe verder ze van me wegliepen. Dan brachten ze offers aan de beelden van Baäl, en gingen ze wierook branden voor allerlei afgoden.

3Ze wilden maar niet begrijpen dat ik voor hen zorgde! Ik was hun vader. Ik droeg hen in mijn armen, ik leerde hun lopen. 4Ik was goed voor hen. Ik leidde hen vol liefde. Ik hield hen dicht tegen me aan. Ik was het die hun te eten gaf.

5De Israëlieten weigeren om bij mij terug te komen. Daarom moeten ze weer net zo lijden als vroeger in Egypte. Ze zullen in de macht komen van Assyrië! 6Hun steden zullen door legers aangevallen worden. Ze zullen helemaal vernietigd worden. Zo zullen de mensen gestraft worden voor hun slechte plannen.

7Mijn volk blijft mij maar ontrouw. Ik zal hen niet helpen, ook niet als ze mij om hulp vragen.’

De Heer houdt van zijn volk

8De Heer zegt: ‘Toch zal ik jullie niet loslaten, volk van Israël. Ik zal jullie nooit in de steek laten. Ik zal jullie niet hetzelfde behandelen als de steden Adma en Seboïm. Ik zal jullie niet vernietigen. Want mijn liefde voor jullie is groot. Mijn hart is vol medelijden. 9Ook al ben ik woedend, ik zal jullie niet vernietigen.

Want ik ben God. Ik ben geen mens, ik ben de heilige God. Ik ben bij jullie. Daarom zal ik niet meer woedend zijn.

De Heer zal zijn volk helpen

10Eens zal ik mijn volk terughalen. Ik zal hen roepen als een brullende leeuw. Ze zullen allemaal op mijn stem afkomen. Vol eerbied komen ze terug, uit de landen in het westen, 11uit Egypte in het zuiden, en uit Assur in het noorden. Ze komen zo snel mogelijk naar me toe. Dan zal ik hen weer in hun eigen huizen laten wonen. Dat beloof ik.’