Bijbel in Gewone Taal (BGT)
10

Door rijkdom ging het verkeerd

101Het ging heel lang goed met het volk van Israël. Israël leek op een prachtige druivenplant, die groeit en steeds meer druiven krijgt.

Hoe beter het met de Israëlieten ging, hoe meer altaren ze bouwden. Hoe rijker de mensen werden, hoe mooier ze de heilige stenen gingen versieren.

2Maar die altaren en die stenen gebruikten ze om afgoden te dienen! Zo hebben ze de Heer bedrogen. Daarom zullen ze gestraft worden. De Heer zal hun altaren afbreken, en hij zal hun heilige stenen kapotslaan.

Een koning zal het volk niet helpen

3De Israëlieten zullen zeggen: ‘We zijn gestraft omdat we geen eerbied hadden voor de Heer. Daarom hebben we nu geen koning meer. Maar een koning kan toch niets voor ons doen!’

4Inderdaad, aan een koning heb je niets. Koningen beloven mooie dingen en ze sluiten veel verdragen. Maar ze houden zich niet aan hun beloftes en ze bedriegen iedereen. Koningen zijn gif voor het land. Door hen komt er steeds meer onrecht in Israël!

Israël zal zich schamen

5De bewoners van Samaria maken zich zorgen om een stierenbeeld! Ze hebben verdriet om dat afschuwelijke beeld in Bet-Awen. Hun priesters schreeuwen het uit, het hele volk huilt. Want al het goud is van het beeld af gehaald. 6En binnenkort wordt het beeld naar Assyrië gebracht, als geschenk voor de koning daar. Dat zal voor de Israëlieten een grote schande zijn. Dan zullen ze zich schamen voor alles wat ze gedaan hebben.

7Dan is het afgelopen met de koning van Israël. Hij zal meegenomen worden door de Assyriërs. 8En waar nu altaren staan, groeien straks allemaal doornstruiken. Want alle offerplaatsen zullen vernietigd worden, die verschrikkelijke plaatsen waar de Israëlieten hun afgoden vereren. Dan zullen de mensen tegen de bergen roepen: ‘Bedek ons toch!’ En tegen de heuvels: ‘Val toch op ons neer!’

De Heer zal zijn volk straffen

9De Heer zegt: ‘Vroeger deden de Israëlieten al verkeerde dingen. Denk maar aan wat er gebeurd is in de stad Gibea! De Israëlieten zijn niets veranderd, ze zijn nog net zo slecht. Daarom zullen ze nu bij Gibea door vijanden verslagen worden. 10Ik zal andere volken bij elkaar roepen, en die zullen tegen hen strijden. Zo zal ik de Israëlieten straffen voor hun misdaden.’

Israël heeft de Heer bedrogen

11De Heer zegt tegen de Israëlieten: ‘Vroeger gehoorzaamden jullie mij. Net zoals een koe de boer gehoorzaamt. Een jonge, sterke koe die op het land werkt, en die geleerd heeft om de boer te helpen. Een koe die goed kan ploegen en de grond mooi vlak maakt.

12Zo’n koe doet wat de boer wil. Net zo moeten jullie voortaan doen wat ik wil. Wees eerlijk en trouw. Leef volgens mijn wetten. Het is nu tijd om mij, de Heer, te zoeken. Dan kom ik naar jullie toe, en dan zorg ik dat het goed met jullie gaat.

13Tot nu toe hebben jullie niet gedaan wat ik wilde. Jullie waren mij ontrouw, en jullie waren oneerlijk. Daarom zullen jullie gestraft worden.

De steden worden verwoest

Jullie vertrouwden alleen op je eigen kracht, op jullie grote leger. 14Maar er zal oorlog tegen jullie gevoerd worden. Dan worden jullie sterke steden verwoest. Net zoals de stad Bet-Arbel vroeger verwoest werd door koning Salman. Hij doodde alle inwoners.

15Zo zal ik jullie straffen, volk van Israël. Want jullie zijn verschrikkelijk slecht. Zodra de strijd begint, wordt jullie koning gedood.’

11

De Heer was een vader voor zijn volk

111De Heer zegt: ‘Toen mijn volk nog jong was, hield ik van hen. Net zoals een vader houdt van zijn zoon. Ik heb de Israëlieten teruggeroepen uit Egypte. 2Maar hoe harder ik hen riep, hoe verder ze van me wegliepen. Dan brachten ze offers aan de beelden van Baäl, en gingen ze wierook branden voor allerlei afgoden.

3Ze wilden maar niet begrijpen dat ik voor hen zorgde! Ik was hun vader. Ik droeg hen in mijn armen, ik leerde hun lopen. 4Ik was goed voor hen. Ik leidde hen vol liefde. Ik hield hen dicht tegen me aan. Ik was het die hun te eten gaf.

5De Israëlieten weigeren om bij mij terug te komen. Daarom moeten ze weer net zo lijden als vroeger in Egypte. Ze zullen in de macht komen van Assyrië! 6Hun steden zullen door legers aangevallen worden. Ze zullen helemaal vernietigd worden. Zo zullen de mensen gestraft worden voor hun slechte plannen.

7Mijn volk blijft mij maar ontrouw. Ik zal hen niet helpen, ook niet als ze mij om hulp vragen.’

De Heer houdt van zijn volk

8De Heer zegt: ‘Toch zal ik jullie niet loslaten, volk van Israël. Ik zal jullie nooit in de steek laten. Ik zal jullie niet hetzelfde behandelen als de steden Adma en Seboïm. Ik zal jullie niet vernietigen. Want mijn liefde voor jullie is groot. Mijn hart is vol medelijden. 9Ook al ben ik woedend, ik zal jullie niet vernietigen.

Want ik ben God. Ik ben geen mens, ik ben de heilige God. Ik ben bij jullie. Daarom zal ik niet meer woedend zijn.

De Heer zal zijn volk helpen

10Eens zal ik mijn volk terughalen. Ik zal hen roepen als een brullende leeuw. Ze zullen allemaal op mijn stem afkomen. Vol eerbied komen ze terug, uit de landen in het westen, 11uit Egypte in het zuiden, en uit Assur in het noorden. Ze komen zo snel mogelijk naar me toe. Dan zal ik hen weer in hun eigen huizen laten wonen. Dat beloof ik.’

12

Bedrog en ontrouw

Israël liegt tegen de Heer

121De Heer zegt: ‘Het volk van Israël blijft maar tegen mij liegen, ze blijven me bedriegen. En het volk van Juda vereert graag andere goden in plaats van mij, de heilige God.

2De Israëlieten zijn zinloos bezig. Ze zorgen voor hun eigen ongeluk. Want ze liegen steeds meer, en ze gebruiken geweld. Ze beloven trouw aan Assyrië, en ze willen bevriend zijn met Egypte.’

Israël is net zo ontrouw als Jakob

3De Heer zegt dat het volk van Juda schuldig is. Ook de Israëlieten zal hij straffen voor hun misdaden. Ze zullen allemaal krijgen wat ze verdienen.

4-5De Israëlieten zijn net zo ontrouw als hun voorvader Jakob. Hij bedroog zijn broer al in de buik van zijn moeder. En toen hij volwassen was, heeft hij met God gevochten. Hij won, en na zijn overwinning smeekte hij God om hem te zegenen.

Bij de stad Betel kwam God naar hem toe en zei: 6‘Ik ben de God die alle macht heeft. Mijn naam is: Heer. 7Jakob, met mijn hulp zul je op een dag terugkeren naar je eigen land. Wees goed en eerlijk, en heb vertrouwen in mij, je God.’

Israël verdient straf

8De Heer zegt: ‘Israëlieten, jullie zijn oneerlijke handelaars geworden. Als jullie iets verkopen, bedriegen jullie de koper. Daar genieten jullie van! 9Jullie zeggen: ‘Wij zijn rijk geworden door de handel. We hebben onze rijkdom zelf verdiend. Winst maken is toch niet verkeerd?’

10Vroeger waren jullie arm en woonden jullie in tenten. Jullie trokken samen met mij door de woestijn. Nu zal ik zorgen dat het weer net zo wordt als vroeger. Want ik ben de Heer, jullie God. Dat ben ik al sinds jullie uit Egypte weggingen.

11Steeds weer heb ik aan de profeten bekendgemaakt wat er ging gebeuren. En zij hebben jullie steeds gewaarschuwd. 12Toch bleven jullie ontrouw aan mij. Wat jullie in Gilead deden, was al erg. Maar in Gilgal werd het nog erger: daar brachten jullie offers aan de afgoden! Daarom zal ik jullie straffen. Ik zal al jullie altaren afbreken. En de stenen daarvan zullen neergegooid worden langs de akkers.’

Vroeger was Israël ook al ontrouw

13Jakob, de voorvader van de Israëlieten, was niet trouw aan de Heer. Hij vluchtte naar het land Aram. Daar werkte hij als knecht, hij zorgde voor het vee. En dat deed hij allemaal om een vrouw!

14Maar de Heer was wel trouw aan de Israëlieten. Hij stuurde de profeet Mozes. Die leidde de Israëlieten uit Egypte en beschermde hen. 15Toch hebben de Israëlieten de Heer kwaad gemaakt. Ze hebben mensen vermoord, en ze hebben de Heer beledigd! Daarom zal hij hen zwaar straffen.