Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

De Heer stuurt vijanden

81De Heer zegt: ‘Blaas op de trompet, waarschuw iedereen! Daar komen de vijanden!

De Israëlieten hebben zich niet gehouden aan mijn regels. Ze willen niet meer naar mij luisteren. 2Ze zeggen wel dat ik hun God ben, en dat zij mijn volk zijn. 3Maar ze weigeren om het goede te doen. Daarom stuur ik vijanden op hen af.’

Het is Israëls eigen schuld

4De Heer zegt: ‘De Israëlieten hebben een koning uitgekozen, en bestuurders. Maar zonder mijn toestemming! Ze hebben godenbeelden gemaakt van goud en zilver. Maar ik zal al hun goud en zilver vernietigen.

5In Samaria staat dat afschuwelijke stierenbeeld. Ik wil dat niet langer. Ik ben woedend op de Israëlieten die dat beeld vereren. Hoe lang nog blijven ze daarmee doorgaan? 6Het komt gewoon uit Israël, het is gemaakt door een kunstenaar. Het is helemaal geen god! Dat beeld in Samaria zal helemaal kapotgeslagen worden.

7De goden bij wie de Israëlieten hulp zoeken, kunnen niets. Ze zijn als slecht zaad, waaruit geen koren kan groeien. En als er toch koren komt, dan is het niet genoeg om er meel van te maken. En als er toch meel van gemaakt wordt, dan komen de vijanden dat allemaal stelen.

Omdat de Israëlieten bij zulke goden hulp zoeken, loopt het slecht met hen af.’

Israël betaalt voor vriendschap

8De Heer zegt: ‘Het is afgelopen met de Israëlieten. Niemand neemt hen nog serieus. 9Want ze willen vrienden zijn met Assyrië, en daar doen ze alles voor. Het volk van Israël lijkt wel een hoer die haar klanten opzoekt, en ze nog betaalt ook!

10En zelfs als de Israëlieten veel vrienden maken, dan hebben ze daar niets aan. Want ik zal de Israëlieten allemaal straffen, waar ze ook zijn! Ze zullen onderdrukt worden door de koning van Assyrië. Ze zullen het zwaar krijgen!’

De Israëlieten worden gestraft

11De Heer zegt: ‘De Israëlieten hebben veel altaren gebouwd. Maar dat zijn geen altaren om mij te eren, maar om mij te beledigen! 12Want mijn volk houdt zich niet aan mijn regels, hoe vaak ik die ook opschrijf. Ze doen alsof ze mijn regels niet kennen. 13Ze brengen mij offers, maar alleen omdat ze dan vlees kunnen eten. Zulke offers hoef ik niet!

Ik zal niet vergeten wat voor slechts de Israëlieten allemaal doen. Ik zal ze daarvoor straffen. Ik zal ze terugsturen naar Egypte!

14De Israëlieten hebben prachtige paleizen en sterke steden gebouwd. Maar intussen zijn ze mij vergeten. Daarom zal ik al hun paleizen en steden in brand steken. Er zal niets van overblijven.’

9

De feesten zullen ophouden

91Volk van Israël, stop met feestvieren! Juich niet zoals de andere volken. Want jullie zijn ontrouw aan jullie God. Steeds als jullie een goede oogst hebben, bedanken jullie de god Baäl.

2Maar straks hebben jullie helemaal geen koren en olijfolie meer, en ook geen wijn! 3Want dan moeten jullie het land van de Heer verlaten. Jullie zullen terugkeren naar Egypte. En in Assyrië zullen jullie voedsel moeten eten dat de Heer verboden heeft. 4Dat voedsel maakt jullie allemaal onrein. Je kunt het wel eten als je honger hebt, maar je kunt het niet als offer aanbieden aan de Heer. Jullie kunnen de Heer dan dus niet blij maken met jullie offers. Jullie kunnen niets aan hem offeren, ook geen wijn.

5Wat gaan jullie dan doen op je feestdagen? Wat doen jullie dan op het Loofhuttenfeest?

Het land wordt verwoest

6Het land waar de Israëlieten wonen, zal verwoest worden. De mensen die nog kunnen vluchten, zullen in Egypte gaan wonen. Daar zullen ze ook begraven worden, in de stad Memfis.

Op de plaats waar ze hun kostbare bezittingen achterlieten, zullen brandnetels groeien. En doornstruiken zullen hun huizen vernielen.

God heeft de profeet Hosea gestuurd

7Volk van Israël, binnenkort zal de Heer jullie straffen. Jullie krijgen wat jullie verdienen. Dat zullen jullie nog wel merken!

Jullie roepen kwaad: ‘Die profeet is gek, die boodschapper van God is zijn verstand kwijt!’ Maar jullie zijn alleen maar boos op mij omdat jullie Gods boodschap niet willen horen. En dat is het bewijs dat jullie ontrouw zijn aan God.

8God heeft mij gestuurd als zijn profeet. Ik ben er om jullie te waarschuwen. Maar jullie doen alsof ik jullie vijand ben. Overal proberen jullie me te doden, zelfs in de tempel van God. 9Wat jullie doen, is verschrikkelijk! Jullie zijn net zo slecht als de mensen in de stad Gibea, lang geleden. God zal jullie misdaden niet vergeten, hij zal jullie daarvoor straffen!

De les van Israëls verleden

Israël is slecht geworden

10De Heer zegt: ‘Lang geleden was ik blij met de Israëlieten. Zij waren voor mij net zo bijzonder als druiven in de woestijn. En net zo bijzonder als de eerste vijg aan een vijgenboom. Maar toen de voorouders van de Israëlieten in de stad Baäl-Peor kwamen, gingen ze de god Baäl vereren. Vanaf toen zijn ze net zo afschuwelijk geworden als die god.

11Daarom zal alles waar ze trots op zijn, verdwijnen. Er zullen nooit meer kinderen geboren worden, vrouwen zullen nooit meer zwanger worden. 12En de kinderen die ze al hebben, zullen allemaal sterven. Niemand zal in leven blijven! Ik zal de Israëlieten verlaten, en dan zal het slecht met hen aflopen.

13Vroeger ging het zo goed met de Israëlieten! Net zo goed als met palmbomen in vruchtbare grond. Maar nu gaat het heel slecht. Nu nemen moordenaars al hun kinderen mee.’

Hosea vraagt om een lichtere straf

14Heer, u moet uw volk wel straffen, maar straf hen niet te zwaar. Zorg ervoor dat ze geen kinderen meer krijgen.

De Heer zal zijn volk wegjagen

15De Heer zegt: ‘In Gilgal werd al duidelijk hoe slecht de Israëlieten zijn. Toen begon ik hen al te haten. Nu luistert niemand van hun leiders nog naar mij. Daarom zal ik de Israëlieten wegjagen. Ik houd niet meer van hen.

16Het is afgelopen met het volk van Israël. Het lijkt op een boom met verdroogde wortels, een boom die geen vruchten meer krijgt. Want ik zorg ervoor dat de Israëlieten geen kinderen meer krijgen. En als er toch kinderen komen, zal ik die doden.’

17God wil de Israëlieten niet meer. Hij jaagt hen weg, ze zullen zwerven over de hele aarde. Want ze hebben niet naar hem geluisterd.

10

Door rijkdom ging het verkeerd

101Het ging heel lang goed met het volk van Israël. Israël leek op een prachtige druivenplant, die groeit en steeds meer druiven krijgt.

Hoe beter het met de Israëlieten ging, hoe meer altaren ze bouwden. Hoe rijker de mensen werden, hoe mooier ze de heilige stenen gingen versieren.

2Maar die altaren en die stenen gebruikten ze om afgoden te dienen! Zo hebben ze de Heer bedrogen. Daarom zullen ze gestraft worden. De Heer zal hun altaren afbreken, en hij zal hun heilige stenen kapotslaan.

Een koning zal het volk niet helpen

3De Israëlieten zullen zeggen: ‘We zijn gestraft omdat we geen eerbied hadden voor de Heer. Daarom hebben we nu geen koning meer. Maar een koning kan toch niets voor ons doen!’

4Inderdaad, aan een koning heb je niets. Koningen beloven mooie dingen en ze sluiten veel verdragen. Maar ze houden zich niet aan hun beloftes en ze bedriegen iedereen. Koningen zijn gif voor het land. Door hen komt er steeds meer onrecht in Israël!

Israël zal zich schamen

5De bewoners van Samaria maken zich zorgen om een stierenbeeld! Ze hebben verdriet om dat afschuwelijke beeld in Bet-Awen. Hun priesters schreeuwen het uit, het hele volk huilt. Want al het goud is van het beeld af gehaald. 6En binnenkort wordt het beeld naar Assyrië gebracht, als geschenk voor de koning daar. Dat zal voor de Israëlieten een grote schande zijn. Dan zullen ze zich schamen voor alles wat ze gedaan hebben.

7Dan is het afgelopen met de koning van Israël. Hij zal meegenomen worden door de Assyriërs. 8En waar nu altaren staan, groeien straks allemaal doornstruiken. Want alle offerplaatsen zullen vernietigd worden, die verschrikkelijke plaatsen waar de Israëlieten hun afgoden vereren. Dan zullen de mensen tegen de bergen roepen: ‘Bedek ons toch!’ En tegen de heuvels: ‘Val toch op ons neer!’

De Heer zal zijn volk straffen

9De Heer zegt: ‘Vroeger deden de Israëlieten al verkeerde dingen. Denk maar aan wat er gebeurd is in de stad Gibea! De Israëlieten zijn niets veranderd, ze zijn nog net zo slecht. Daarom zullen ze nu bij Gibea door vijanden verslagen worden. 10Ik zal andere volken bij elkaar roepen, en die zullen tegen hen strijden. Zo zal ik de Israëlieten straffen voor hun misdaden.’

Israël heeft de Heer bedrogen

11De Heer zegt tegen de Israëlieten: ‘Vroeger gehoorzaamden jullie mij. Net zoals een koe de boer gehoorzaamt. Een jonge, sterke koe die op het land werkt, en die geleerd heeft om de boer te helpen. Een koe die goed kan ploegen en de grond mooi vlak maakt.

12Zo’n koe doet wat de boer wil. Net zo moeten jullie voortaan doen wat ik wil. Wees eerlijk en trouw. Leef volgens mijn wetten. Het is nu tijd om mij, de Heer, te zoeken. Dan kom ik naar jullie toe, en dan zorg ik dat het goed met jullie gaat.

13Tot nu toe hebben jullie niet gedaan wat ik wilde. Jullie waren mij ontrouw, en jullie waren oneerlijk. Daarom zullen jullie gestraft worden.

De steden worden verwoest

Jullie vertrouwden alleen op je eigen kracht, op jullie grote leger. 14Maar er zal oorlog tegen jullie gevoerd worden. Dan worden jullie sterke steden verwoest. Net zoals de stad Bet-Arbel vroeger verwoest werd door koning Salman. Hij doodde alle inwoners.

15Zo zal ik jullie straffen, volk van Israël. Want jullie zijn verschrikkelijk slecht. Zodra de strijd begint, wordt jullie koning gedood.’