Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Houd je aan de regels van de Heer

41Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘Luister goed naar de wetten en regels van de Heer, die ik jullie leer. Als jullie je daaraan houden, zullen jullie lang leven. En dan kunnen jullie het land binnengaan dat de Heer, de God van jullie voorouders, aan jullie zal geven. Dan zal dat land van jullie zijn.

2Verander niets aan de regels die ik jullie geef. Houd je er precies aan, want het zijn regels van de Heer, jullie God.

3Jullie hebben zelf gezien wat er in Baäl-Peor gebeurd is. De Heer heeft toen alle mensen gedood die de god Baäl vereerden. 4Maar jullie zijn trouw gebleven aan de Heer, en daarom zijn jullie allemaal nog in leven.

Wees een voorbeeld voor andere volken

5De Heer, mijn God, heeft mij de opdracht gegeven om jullie zijn wetten en regels te leren. Als jullie straks in het land gaan wonen, moeten jullie je aan die regels houden.

6Houd je er precies aan. Dan zullen andere volken respect voor jullie krijgen en zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’

7De Heer, onze God, is dicht bij ons. Hij hoort ons als we om hulp roepen. Geen enkel ander volk heeft goden die zo dicht bij de mensen zijn. 8Geen enkel ander volk heeft zulke goede wetten als de wetten die ik jullie nu geef.

Vergeet de ontmoeting met de Heer nooit

9Let op, vergeet nooit wat jullie gezien en meegemaakt hebben. Onthoud dat altijd, en vertel het aan jullie kinderen en kleinkinderen.

10Vertel ze over de dag dat jullie de Heer, jullie God, hebben ontmoet. Dat was bij de berg Horeb, daar had ik jullie bij elkaar gebracht. Want de Heer had gezegd: ‘Breng alle Israëlieten bij elkaar. Ik wil ze mijn wetten en regels bekendmaken. Dan leren ze om eerbied voor mij te hebben, hun leven lang. En dan leren ze dat ook aan hun kinderen.’

11Jullie kwamen dus naar de berg Horeb, en jullie bleven onder aan de berg staan. Uit de berg kwam vuur. De vlammen kwamen tot in de hemel. En om de berg heen hingen grote, donkere wolken. 12Vanuit het vuur sprak de Heer tegen jullie. Jullie hoorden een stem, maar jullie zagen niemand. Er was alleen die stem.

13De Heer maakte toen zijn tien belangrijkste regels bekend, en schreef ze op twee stenen platen. Hij wilde dat jullie je daaraan zouden houden.

Maak geen godenbeelden

14De Heer heeft toen tegen mij gezegd dat ik jullie die wetten en regels moest leren. Houd je daar precies aan, als je straks in het land aan de overkant van de Jordaan woont.

15En vergeet nooit: Toen de Heer vanuit het vuur tegen jullie sprak, konden jullie hem niet zien. 16Daarom mogen jullie geen beeld maken van God. Maak geen enkel godenbeeld! Niet in de vorm van een man of een vrouw, 17niet in de vorm van een dier op het land of een vogel in de lucht, 18en ook niet in de vorm van een dier dat over de grond kruipt, of een vis in het water. 19En als jullie omhoogkijken naar de zon, de maan en de sterren, vereer die lichten aan de hemel dan niet. Want die worden vereerd door de andere volken op aarde.

20Jullie zijn een bijzonder volk. Want God zelf heeft jullie bevrijd! Hij bevrijdde jullie uit Egypte, waar jullie zo zwaar onderdrukt werden. Hij wilde dat jullie zijn eigen volk zouden zijn. En dat zijn jullie ook!

Mozes mag het land niet binnengaan

21Maar door jullie slechte gedrag is de Heer kwaad op mij geworden. Hij heeft mij verboden om de rivier de Jordaan over te steken. Ik zal het mooie land dat hij jullie geeft, niet binnengaan. 22Nee, ik moet hier sterven. Ik zal de Jordaan niet oversteken, maar jullie wel. Jullie zullen dat prachtige land in bezit nemen.

Dien geen andere goden

23Vergeet nooit de afspraak die de Heer, jullie God, met jullie gemaakt heeft. Hij heeft gezegd dat je nergens een beeld van mag maken. Maak dus geen godenbeeld. 24De Heer, jullie God, wil niet dat je andere goden dient. Als je dat toch doet, zal hij woedend worden.

25Straks wonen jullie in dat nieuwe land met jullie kinderen en kleinkinderen. Doe ook dan geen dingen die de Heer verkeerd vindt. Maak nergens een beeld van. Anders wordt de Heer kwaad. 26De hemel en de aarde horen wat ik nu zeg: Als jullie een godenbeeld maken, dan zullen jullie niet lang in dat mooie land leven. Nee, dan zullen jullie gedood worden. Dat is zeker!

27De Heer zal jullie dan wegjagen naar andere landen. Er zullen maar weinig mensen van jullie volk overblijven. 28En dan zullen jullie andere goden vereren: goden van hout en steen die de mensen zelf gemaakt hebben. Die goden zijn doof en blind, ze kunnen niet eten en ook niet ruiken. 29Maar na lange tijd zullen jullie toch de Heer, jullie God, weer gaan zoeken. En als je hem zoekt met je hele hart, dan zul je hem vinden.

30Al die dingen zullen jullie meemaken. Jullie zullen het moeilijk krijgen. En dan zullen jullie terugkeren naar de Heer, jullie God. Jullie zullen weer naar hem gaan luisteren. 31Hij is een God van liefde. Hij zal jullie niet in de steek laten. Hij zal jullie niet doden. Hij zal nooit vergeten wat hij jullie voorouders plechtig beloofd heeft.

Denk aan alles wat God gedaan heeft

32Volk van Israël, denk eens terug aan het verleden!

Nooit eerder is er een volk geweest dat hetzelfde meegemaakt heeft als jullie. Vraag het maar aan alle mensen, overal op aarde. Denk maar aan alle gebeurtenissen uit het verleden, vanaf de schepping tot nu.

33Nooit eerder is er een volk geweest zoals jullie! Een volk dat Gods stem gehoord heeft vanuit het vuur. Geen enkel volk hoorde ooit Gods stem en bleef toch in leven.

34En nooit eerder heeft een god een volk uitgekozen dat onderdrukt werd door een ander volk. Nooit eerder heeft een god zulke geweldige wonderen gedaan voor een volk. Nooit eerder heeft een god zo hard voor een volk gevochten, en hun vijanden zo bang gemaakt. Geen enkele god heeft zo veel macht als onze God!

De Heer is de enige God

Volk van Israël, jullie hebben zelf gezien wat de Heer allemaal voor jullie deed. 35Jullie hebben het meegemaakt!

De Heer maakte duidelijk dat alleen hij God is, en niemand anders. 36Hij liet op de berg dat grote vuur zien. Hij sprak tegen jullie vanuit de hemel, maar ook op de aarde, vanuit het vuur. Vanuit dat vuur heeft hij zijn wetten en regels aan jullie bekendgemaakt.

37De Heer hield van jullie voorouders, en hij heeft jullie uitgekozen als zijn volk. Hij heeft zijn grote macht gebruikt om jullie te bevrijden uit Egypte. 38En hij heeft volken weggejaagd die groter en sterker waren dan jullie. Zo kon hij het land van die volken aan jullie geven. Dat land gaan jullie nu in bezit nemen.

39Weet dat de Heer de enige God is. Vergeet dat nooit! Hij alleen is God, boven in de hemel en hier beneden op de aarde. Hij, en niemand anders! 40Houd je daarom altijd aan de wetten en regels van de Heer, die ik jullie vandaag geef. Dan zal het goed gaan met jullie en met jullie kinderen. En dan zullen jullie lang leven in het land dat de Heer jullie zal geven.’

Mozes wijst drie vluchtsteden aan

41Toen Mozes dat gezegd had, wees hij drie steden aan in het land aan de overkant van de Jordaan. 42Dat moesten steden worden waar iemand heen kon vluchten als hij een ander gedood had. Maar alleen als hij die ander per ongeluk gedood had, en niet omdat hij hem haatte. Als zo iemand dan naar één van die steden vluchtte, dan kon hij in leven blijven.

43Als iemand uit de stam Ruben een ander per ongeluk gedood had, kon hij vluchten naar Beser. Die stad ligt hoog in de bergen van de woestijn. Als iemand uit de stam Gad een ander gedood had, kon hij vluchten naar Ramot. Die stad ligt in het gebied Gilead. En als iemand uit de stam Manasse een ander gedood had, kon hij vluchten naar Golan. Die stad ligt in het gebied Basan.

De tien regels van God

Mozes roept het volk bij elkaar

44Nu volgen de wetten die Mozes aan de Israëlieten gegeven heeft. 45Het zijn de wetten en regels die Mozes gaf toen het volk bevrijd was uit Egypte.

46Toen Mozes de wetten aan de Israëlieten gaf, waren ze in het dal bij de stad Bet-Peor. Dat is in het gebied ten oosten van de Jordaan. Dat gebied hadden de Israëlieten veroverd toen ze uit Egypte kwamen. Om het te veroveren, moesten ze de koningen Sichon en Og verslaan. Sichon was de koning van de Amorieten, en zijn paleis stond in de stad Chesbon. Og was de koning van Basan.

47De Israëlieten hadden het hele gebied van die koningen veroverd. 48Het gebied begon bij de stad Aroër aan de rivier de Arnon. En het liep helemaal tot aan de berg Sion, die ook de Hermon genoemd wordt. 49Daarbij hoorde ook het grote dal aan de oostkant van de Jordaan, tot aan de rotsen van de berg Pisga, bij de Dode Zee.

5

Houd je aan de regels van de Heer

51Mozes riep alle Israëlieten bij elkaar en zei tegen hen: ‘Luister naar de wetten en regels die ik vandaag aan jullie bekendmaak. Leer ze uit je hoofd en houd je er precies aan.

2De Heer, onze God, heeft bij de berg Horeb een afspraak met ons gemaakt. 3Niet met onze voorouders, maar met ons. Dus met iedereen die hier nu aanwezig is. 4De Heer sprak direct tegen ons vanuit het vuur op die berg. 5Ik stond toen tussen hem en jullie in. Zo kon ik zijn woorden aan jullie doorgeven. Want jullie waren bang voor het vuur, jullie durfden de berg niet op te gaan.

Regels over het vereren van God

De Heer zei toen: 6‘Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte weggehaald, en bevrijd uit de slavernij.

7Vereer geen andere goden. Vereer alleen mij.

8Maak geen beeld van een mens, of van een dier dat in de lucht, op het land of in het water leeft. 9Je mag geen beelden vereren of ervoor knielen. Want ik, de Heer, ben jullie God. Ik wil niet dat jullie andere goden dienen.

Als iemand mij ontrouw is en andere goden gaat dienen, zal ik hem straffen. Dan straf ik hem en ook zijn nakomelingen, tot en met de vierde generatie. 10Maar als iemand mij liefheeft en zich aan mijn regels houdt, zal ik goed voor hem zijn. Ik zal ook goed zijn voor zijn nakomelingen, zelfs voor de duizendste generatie.

11Spreek mijn naam niet zomaar uit, zonder nadenken. Als iemand dat toch doet, zal ik hem straffen.

12Houd je aan de sabbat, omdat ik, de Heer, dat wil. De sabbat is een bijzondere dag. 13Zes dagen mogen jullie werken en bezig zijn met alles wat je moet doen. 14Maar de zevende dag is een dag die voor mij bestemd is. Dan mag je niet werken. Ook je zoon, je dochter, je slaaf en je slavin mogen niet werken. Je dieren mogen niet voor je werken. En ook de vreemdelingen die in jullie steden wonen, mogen niet werken. 15Want jullie mogen nooit vergeten dat ik jullie bevrijd heb. Ik heb ervoor gezorgd dat jullie nooit meer als slaven hoeven te werken. Ik heb mijn macht laten zien en ik heb jullie bevrijd uit de slavernij in Egypte. Daarom wil ik dat jullie je aan de sabbat houden.

Regels over het omgaan met anderen

16Heb respect voor je vader en je moeder, omdat ik, de Heer, dat wil. Dan zul je lang leven in het land dat ik je zal geven. Dan zal het goed met je gaan.

17Vermoord niemand.

18Ga niet vreemd.

19Steel niet.

20Vertel bij de rechter geen leugens over iemand.

21Verlang niet naar iets dat van een ander is. Blijf af van zijn vrouw, zijn huis, zijn slaaf of slavin, zijn koe of zijn ezel.’’

De Heer maakt zijn regels zelf bekend

22Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘Dat zijn alle regels die de Heer gegeven heeft toen jullie allemaal bij elkaar waren bij de berg Horeb. Daar sprak hij met luide stem tegen jullie, vanuit vuur en grote, donkere wolken. Daarna schreef de Heer die regels op twee stenen platen, en hij gaf die platen aan mij.

Het volk is bang voor de stem van God

23Jullie hoorden dus Gods stem vanuit de donkere wolken op de brandende berg. Toen kwamen alle leiders bij mij, 24en zeiden: ‘De Heer heeft zijn grote macht aan ons laten zien! Wij hebben zijn stem gehoord vanuit het vuur. Nu weten we dat mensen niet altijd sterven als God met ze spreekt.

25Maar toch zijn we bang om de stem van de Heer nog een keer te horen. Want waarschijnlijk sterven we dan wel! We zijn bang dat de vlammen van dat grote vuur ons zullen doden. 26Want zo gaat het altijd als iemand op aarde de stem van de levende God hoort!

27Mozes, kunt u niet de berg op gaan om te horen wat de Heer allemaal zegt? Dan kunt u het daarna aan ons vertellen. Wij zullen doen wat God van ons vraagt.’

De Heer geeft zijn wetten aan Mozes

28Toen de Heer hoorde wat jullie vroegen, zei hij tegen mij: ‘Mozes, ik heb gehoord wat de mensen tegen je zeiden. Ze hebben gelijk. 29Hadden ze altijd maar zo veel eerbied voor mij! Waren ze altijd maar zo gehoorzaam! Dan zou het altijd goed met hen gaan, en ook met hun kinderen.

30Stuur de mensen nu maar terug naar hun tenten. 31Jij moet zelf hier bij mij blijven. Dan maak ik alle wetten en regels aan jou bekend. Jij moet ervoor zorgen dat de mensen die regels uit hun hoofd leren. En je moet zorgen dat ze zich eraan houden als ze in het land wonen dat ik hun zal geven.’’

Doe altijd wat de Heer van je vraagt

32Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten je heel precies houden aan de regels van de Heer. 33Doe altijd wat de Heer van je vraagt. Dan zul je in leven blijven. En dan zal het goed met jullie gaan. Dan zullen jullie lang blijven wonen in het land dat jullie van de Heer krijgen.

6

Nog andere regels van God

61Nu ga ik jullie vertellen aan welke wetten en regels jullie je moeten houden. De Heer, jullie God, heeft gezegd dat ik die aan jullie moet leren. Straks wonen jullie in het land aan de overkant van de Jordaan. Dan moeten jullie je aan alle regels houden.

2Houd je aan de regels die ik jullie geef. Zo laat je zien dat je eerbied hebt voor de Heer, jullie God. En dan zullen jullie gelukkig zijn, je hele leven lang. Dat geldt niet alleen voor jullie, maar ook voor jullie kinderen en kleinkinderen.

3Luister dus goed, Israëlieten, en houd je aan Gods regels. Dan zullen jullie gelukkig zijn in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie beloofd heeft. Het land waar iedereen altijd meer dan genoeg te eten en te drinken heeft. En dan zullen jullie een groot volk worden.’

Alleen de Heer is God

Israël moet de Heer liefhebben

4Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, luister goed. De Heer, onze God, is de enige God! 5Houd van hem met je hele hart, met je hele ziel, en met al je kracht.

Vergeet de regels van de Heer nooit

6Vandaag zal ik jullie de regels van de Heer geven. Onthoud ze goed, vergeet ze niet! 7Zorg ervoor dat jullie kinderen ze goed leren. Blijf ze herhalen, thuis en onderweg, als je naar bed gaat en als je weer opstaat.

8Schrijf de regels op en bewaar ze goed. Schrijf ze op een band die je om je arm doet. En schrijf ze op een band die je om je voorhoofd draagt. 9Schrijf de regels ook op de deurposten van je huis, en op de poorten van de stad.

Het volk zal een goed leven hebben

10-11De Heer, jullie God, brengt jullie straks naar het land dat hij aan jullie zal geven. Want dat heeft hij plechtig beloofd aan jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob.

Jullie zullen daar in mooie, grote steden wonen, en jullie krijgen er schuren vol met voorraden. Jullie zullen waterputten bezitten, en wijngaarden en olijfbomen. En daar hoeven jullie niets voor te doen. Jullie hoeven niet te bouwen, te graven of te planten.

Jullie zullen daar meer dan genoeg te eten hebben. 12Maar zorg er wel voor dat jullie de Heer, jullie God, niet vergeten. Want hij heeft jullie bevrijd uit de slavernij in Egypte.

Vereer alleen de Heer

13Als jullie in dat land wonen, vereer dan alleen de Heer. Heb alleen eerbied voor hem. En als je iets plechtig belooft, noem dan alleen de naam van de Heer.

14Vraag niet om hulp aan de goden van andere volken. 15Anders wordt de Heer, jullie God, kwaad. Dan laat hij jullie allemaal van de aarde verdwijnen. Want de Heer woont bij jullie. Hij wil niet dat jullie andere goden dienen. 16Vraag hem niet om zijn macht te bewijzen, zoals jullie deden bij de plaats Massa.

17-18Doe wat de Heer, jullie God, zegt. Houd je precies aan al zijn wetten en regels. Dan zal het goed met jullie gaan. En dan zullen jullie dat mooie land veroveren dat hij plechtig beloofd heeft aan jullie voorouders. 19De Heer zal alle vijanden daar wegjagen. Dat heeft hij beloofd.

Vertel je kinderen over de bevrijding

20Jullie kinderen zullen later vragen: ‘Waarom heeft de Heer, onze God, al die wetten en regels gegeven?’

Dan moet je zeggen: 21‘In Egypte waren we slaven van de farao. Maar de Heer heeft zijn grote macht laten zien en ons bevrijd. 22Wij hebben zelf gezien welke geweldige wonderen hij deed. Wij hebben zelf gezien met welke rampen hij de Egyptenaren en de farao strafte. 23En toen heeft hij ons uit Egypte weggehaald. Hij heeft ons hierheen gebracht om ons het land te geven dat hij aan onze voorouders beloofd had.

24Daarom moeten wij eerbied hebben voor de Heer en ons aan zijn wetten houden. Dan zal het goed met ons gaan. En dan zal de Heer ons laten leven, zoals hij steeds gedaan heeft. 25Als we ons houden aan de wetten van de Heer, onze God, zal hij vinden dat we goed leven.’’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]