Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Het volk verslaat koning Og

31Daarna zijn we verder gereisd naar het noorden, naar het land Basan. Koning Og van Basan verzamelde zijn leger en viel ons aan bij de stad Edreï.

2De Heer zei toen tegen mij: ‘Mozes, je hoeft niet bang te zijn voor koning Og. Want jij zult de strijd winnen en zijn land veroveren. Daar zal ik voor zorgen. Doe met hem hetzelfde als je met koning Sichon gedaan hebt.’

3En zo gaf de Heer ons weer de overwinning. We versloegen koning Og en doodden al zijn soldaten. We lieten niemand in leven. 4We vielen alle steden van koning Og aan, zestig in totaal. Zijn hele land namen we in bezit, ook het gebied Argob.

We konden alle steden veroveren, 5ook al waren het sterke steden met hoge muren en stevige poorten. We veroverden ook veel dorpen. 6We doodden de inwoners van die steden en dorpen. We doodden alle mannen, vrouwen en kinderen, net zoals we eerder gedaan hadden in de strijd tegen koning Sichon. 7We namen al het vee mee, en ook de andere bezittingen van de inwoners.

Het veroverde land

8Zo hebben we toen Sichon en Og verslagen, de twee koningen van de Amorieten. We hebben het hele gebied aan de oostkant van de Jordaan tot aan de berg Hermon in bezit genomen. 9De inwoners van de stad Sidon noemen die berg de Sirjon. De Amorieten noemen die berg de Senir.

10Bij dat gebied horen alle steden van het bergland, en ook alle steden van Gilead en Basan tot aan Salka en Edreï. Dat zijn de steden waarover koning Og heerste. 11Koning Og was de laatste nakomeling van de Refaïeten. In Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten, kun je nog zijn bed bewonderen. Dat bed is gemaakt van ijzer, en het is 4,5 meter lang en 2 meter breed!

Mozes geeft drie stammen een gebied

12-17Nadat we dat hele gebied veroverd hadden, heb ik het onder drie stammen van Israël verdeeld.

Het zuidelijk deel van Gilead heb ik aan de stammen Ruben en Gad gegeven. Dat is het gebied vanaf de stad Aroër aan de rivier de Arnon tot ver in de bergen van Gilead. Dat gebied loopt van de rivier de Arnon in het zuiden tot aan de rivier de Jabbok bij het land van de Ammonieten. Bij dat zuidelijk deel hoort ook het Jordaan-dal. De Jordaan is de grens tussen het Meer van Kinneret en de Zoutzee (die nu de Dode Zee heet). De oostgrens wordt gevormd door de rotsen van de berg Pisga.

Het noordelijk deel van Gilead heb ik aan Machir, de zoon van Manasse, gegeven.

De rest van Gilead en heel Basan heb ik aan de helft van de stam Manasse gegeven. Basan was het land van koning Og, en daar hoorde ook het gebied Argob bij. Basan werd vroeger ook wel het land van de Refaïeten genoemd. Maar Jaïr, een nakomeling van Manasse, heeft het gebied een andere naam gegeven toen hij het veroverd had. Hij nam het gebied Argob in bezit, tot aan de grens met Gesur en Maächa. Hij noemde het gebied de Dorpen van Jaïr, en zo heet het nog steeds.

De drie stammen moeten meevechten

18-19Ik zei toen tegen de drie stammen Ruben, Gad en Manasse: ‘De Heer, jullie God, geeft jullie het land ten oosten van de Jordaan. Jullie mogen het in bezit nemen. Jullie vrouwen en kinderen mogen hier blijven, in de steden die ik aan jullie gegeven heb. Dat geldt ook voor de dieren, want ik weet dat jullie veel vee hebben.

Maar al jullie sterke mannen moeten meegaan naar de overkant van de Jordaan. Zij moeten de andere Israëlieten helpen in de oorlog. 20Jullie mannen moeten daar blijven totdat de Heer, jullie God, ook land gegeven heeft aan de andere Israëlieten. Als die daar veilig kunnen wonen, mogen jullie mannen terugkomen. Pas dan mogen jullie hier gaan wonen, in het gebied dat ik jullie gegeven heb.’

21En tegen Jozua zei ik: ‘Jozua, wees niet bang. Je hebt zelf gezien wat de Heer met die twee koningen van de Amorieten gedaan heeft. Hij zal precies hetzelfde doen met alle koningen die je zult tegenkomen aan de overkant van de Jordaan. 22Wees niet bang voor die koningen. De Heer, jullie God, zal jullie helpen.’

Mozes mag zelf het land niet in

23Ik heb toen tot de Heer gebeden. Ik zei: 24‘Heer, mijn God, u hebt aan mij, uw dienaar, uw kracht laten zien. U hebt me laten zien hoe machtig u bent. Er is geen enkele god in de hemel die kan wat u kunt. Er is geen enkele god op aarde die zo veel macht heeft als u!

25Alstublieft, laat mij de Jordaan oversteken. Ik wil heel graag dat mooie bergland aan de overkant zien, en ook de prachtige Libanon-bergen.’

26Maar de Heer wilde niet naar mij luisteren. Volk van Israël, door jullie slechte gedrag was de Heer kwaad op mij. Hij zei: ‘Mozes, zo is het genoeg! Ik wil dat je erover zwijgt. 27Ga de berg Pisga op en kijk vanaf de top naar het westen, het noorden, het oosten en het zuiden. Kijk maar goed om je heen, want jij zult de Jordaan niet oversteken. 28Jozua moet jouw taak overnemen. Geef hem de leiding over de Israëlieten, en bereid hem goed voor op zijn taak. Hij zal de Israëlieten naar het land brengen dat jij op de berg zult zien. Hij zal het voor hen veroveren.’

29En zo bleven wij in het Jordaan-dal, in de buurt van de stad Bet-Peor.’

4

Houd je aan de regels van de Heer

41Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘Luister goed naar de wetten en regels van de Heer, die ik jullie leer. Als jullie je daaraan houden, zullen jullie lang leven. En dan kunnen jullie het land binnengaan dat de Heer, de God van jullie voorouders, aan jullie zal geven. Dan zal dat land van jullie zijn.

2Verander niets aan de regels die ik jullie geef. Houd je er precies aan, want het zijn regels van de Heer, jullie God.

3Jullie hebben zelf gezien wat er in Baäl-Peor gebeurd is. De Heer heeft toen alle mensen gedood die de god Baäl vereerden. 4Maar jullie zijn trouw gebleven aan de Heer, en daarom zijn jullie allemaal nog in leven.

Wees een voorbeeld voor andere volken

5De Heer, mijn God, heeft mij de opdracht gegeven om jullie zijn wetten en regels te leren. Als jullie straks in het land gaan wonen, moeten jullie je aan die regels houden.

6Houd je er precies aan. Dan zullen andere volken respect voor jullie krijgen en zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’

7De Heer, onze God, is dicht bij ons. Hij hoort ons als we om hulp roepen. Geen enkel ander volk heeft goden die zo dicht bij de mensen zijn. 8Geen enkel ander volk heeft zulke goede wetten als de wetten die ik jullie nu geef.

Vergeet de ontmoeting met de Heer nooit

9Let op, vergeet nooit wat jullie gezien en meegemaakt hebben. Onthoud dat altijd, en vertel het aan jullie kinderen en kleinkinderen.

10Vertel ze over de dag dat jullie de Heer, jullie God, hebben ontmoet. Dat was bij de berg Horeb, daar had ik jullie bij elkaar gebracht. Want de Heer had gezegd: ‘Breng alle Israëlieten bij elkaar. Ik wil ze mijn wetten en regels bekendmaken. Dan leren ze om eerbied voor mij te hebben, hun leven lang. En dan leren ze dat ook aan hun kinderen.’

11Jullie kwamen dus naar de berg Horeb, en jullie bleven onder aan de berg staan. Uit de berg kwam vuur. De vlammen kwamen tot in de hemel. En om de berg heen hingen grote, donkere wolken. 12Vanuit het vuur sprak de Heer tegen jullie. Jullie hoorden een stem, maar jullie zagen niemand. Er was alleen die stem.

13De Heer maakte toen zijn tien belangrijkste regels bekend, en schreef ze op twee stenen platen. Hij wilde dat jullie je daaraan zouden houden.

Maak geen godenbeelden

14De Heer heeft toen tegen mij gezegd dat ik jullie die wetten en regels moest leren. Houd je daar precies aan, als je straks in het land aan de overkant van de Jordaan woont.

15En vergeet nooit: Toen de Heer vanuit het vuur tegen jullie sprak, konden jullie hem niet zien. 16Daarom mogen jullie geen beeld maken van God. Maak geen enkel godenbeeld! Niet in de vorm van een man of een vrouw, 17niet in de vorm van een dier op het land of een vogel in de lucht, 18en ook niet in de vorm van een dier dat over de grond kruipt, of een vis in het water. 19En als jullie omhoogkijken naar de zon, de maan en de sterren, vereer die lichten aan de hemel dan niet. Want die worden vereerd door de andere volken op aarde.

20Jullie zijn een bijzonder volk. Want God zelf heeft jullie bevrijd! Hij bevrijdde jullie uit Egypte, waar jullie zo zwaar onderdrukt werden. Hij wilde dat jullie zijn eigen volk zouden zijn. En dat zijn jullie ook!

Mozes mag het land niet binnengaan

21Maar door jullie slechte gedrag is de Heer kwaad op mij geworden. Hij heeft mij verboden om de rivier de Jordaan over te steken. Ik zal het mooie land dat hij jullie geeft, niet binnengaan. 22Nee, ik moet hier sterven. Ik zal de Jordaan niet oversteken, maar jullie wel. Jullie zullen dat prachtige land in bezit nemen.

Dien geen andere goden

23Vergeet nooit de afspraak die de Heer, jullie God, met jullie gemaakt heeft. Hij heeft gezegd dat je nergens een beeld van mag maken. Maak dus geen godenbeeld. 24De Heer, jullie God, wil niet dat je andere goden dient. Als je dat toch doet, zal hij woedend worden.

25Straks wonen jullie in dat nieuwe land met jullie kinderen en kleinkinderen. Doe ook dan geen dingen die de Heer verkeerd vindt. Maak nergens een beeld van. Anders wordt de Heer kwaad. 26De hemel en de aarde horen wat ik nu zeg: Als jullie een godenbeeld maken, dan zullen jullie niet lang in dat mooie land leven. Nee, dan zullen jullie gedood worden. Dat is zeker!

27De Heer zal jullie dan wegjagen naar andere landen. Er zullen maar weinig mensen van jullie volk overblijven. 28En dan zullen jullie andere goden vereren: goden van hout en steen die de mensen zelf gemaakt hebben. Die goden zijn doof en blind, ze kunnen niet eten en ook niet ruiken. 29Maar na lange tijd zullen jullie toch de Heer, jullie God, weer gaan zoeken. En als je hem zoekt met je hele hart, dan zul je hem vinden.

30Al die dingen zullen jullie meemaken. Jullie zullen het moeilijk krijgen. En dan zullen jullie terugkeren naar de Heer, jullie God. Jullie zullen weer naar hem gaan luisteren. 31Hij is een God van liefde. Hij zal jullie niet in de steek laten. Hij zal jullie niet doden. Hij zal nooit vergeten wat hij jullie voorouders plechtig beloofd heeft.

Denk aan alles wat God gedaan heeft

32Volk van Israël, denk eens terug aan het verleden!

Nooit eerder is er een volk geweest dat hetzelfde meegemaakt heeft als jullie. Vraag het maar aan alle mensen, overal op aarde. Denk maar aan alle gebeurtenissen uit het verleden, vanaf de schepping tot nu.

33Nooit eerder is er een volk geweest zoals jullie! Een volk dat Gods stem gehoord heeft vanuit het vuur. Geen enkel volk hoorde ooit Gods stem en bleef toch in leven.

34En nooit eerder heeft een god een volk uitgekozen dat onderdrukt werd door een ander volk. Nooit eerder heeft een god zulke geweldige wonderen gedaan voor een volk. Nooit eerder heeft een god zo hard voor een volk gevochten, en hun vijanden zo bang gemaakt. Geen enkele god heeft zo veel macht als onze God!

De Heer is de enige God

Volk van Israël, jullie hebben zelf gezien wat de Heer allemaal voor jullie deed. 35Jullie hebben het meegemaakt!

De Heer maakte duidelijk dat alleen hij God is, en niemand anders. 36Hij liet op de berg dat grote vuur zien. Hij sprak tegen jullie vanuit de hemel, maar ook op de aarde, vanuit het vuur. Vanuit dat vuur heeft hij zijn wetten en regels aan jullie bekendgemaakt.

37De Heer hield van jullie voorouders, en hij heeft jullie uitgekozen als zijn volk. Hij heeft zijn grote macht gebruikt om jullie te bevrijden uit Egypte. 38En hij heeft volken weggejaagd die groter en sterker waren dan jullie. Zo kon hij het land van die volken aan jullie geven. Dat land gaan jullie nu in bezit nemen.

39Weet dat de Heer de enige God is. Vergeet dat nooit! Hij alleen is God, boven in de hemel en hier beneden op de aarde. Hij, en niemand anders! 40Houd je daarom altijd aan de wetten en regels van de Heer, die ik jullie vandaag geef. Dan zal het goed gaan met jullie en met jullie kinderen. En dan zullen jullie lang leven in het land dat de Heer jullie zal geven.’

Mozes wijst drie vluchtsteden aan

41Toen Mozes dat gezegd had, wees hij drie steden aan in het land aan de overkant van de Jordaan. 42Dat moesten steden worden waar iemand heen kon vluchten als hij een ander gedood had. Maar alleen als hij die ander per ongeluk gedood had, en niet omdat hij hem haatte. Als zo iemand dan naar één van die steden vluchtte, dan kon hij in leven blijven.

43Als iemand uit de stam Ruben een ander per ongeluk gedood had, kon hij vluchten naar Beser. Die stad ligt hoog in de bergen van de woestijn. Als iemand uit de stam Gad een ander gedood had, kon hij vluchten naar Ramot. Die stad ligt in het gebied Gilead. En als iemand uit de stam Manasse een ander gedood had, kon hij vluchten naar Golan. Die stad ligt in het gebied Basan.

De tien regels van God

Mozes roept het volk bij elkaar

44Nu volgen de wetten die Mozes aan de Israëlieten gegeven heeft. 45Het zijn de wetten en regels die Mozes gaf toen het volk bevrijd was uit Egypte.

46Toen Mozes de wetten aan de Israëlieten gaf, waren ze in het dal bij de stad Bet-Peor. Dat is in het gebied ten oosten van de Jordaan. Dat gebied hadden de Israëlieten veroverd toen ze uit Egypte kwamen. Om het te veroveren, moesten ze de koningen Sichon en Og verslaan. Sichon was de koning van de Amorieten, en zijn paleis stond in de stad Chesbon. Og was de koning van Basan.

47De Israëlieten hadden het hele gebied van die koningen veroverd. 48Het gebied begon bij de stad Aroër aan de rivier de Arnon. En het liep helemaal tot aan de berg Sion, die ook de Hermon genoemd wordt. 49Daarbij hoorde ook het grote dal aan de oostkant van de Jordaan, tot aan de rotsen van de berg Pisga, bij de Dode Zee.

5

Houd je aan de regels van de Heer

51Mozes riep alle Israëlieten bij elkaar en zei tegen hen: ‘Luister naar de wetten en regels die ik vandaag aan jullie bekendmaak. Leer ze uit je hoofd en houd je er precies aan.

2De Heer, onze God, heeft bij de berg Horeb een afspraak met ons gemaakt. 3Niet met onze voorouders, maar met ons. Dus met iedereen die hier nu aanwezig is. 4De Heer sprak direct tegen ons vanuit het vuur op die berg. 5Ik stond toen tussen hem en jullie in. Zo kon ik zijn woorden aan jullie doorgeven. Want jullie waren bang voor het vuur, jullie durfden de berg niet op te gaan.

Regels over het vereren van God

De Heer zei toen: 6‘Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte weggehaald, en bevrijd uit de slavernij.

7Vereer geen andere goden. Vereer alleen mij.

8Maak geen beeld van een mens, of van een dier dat in de lucht, op het land of in het water leeft. 9Je mag geen beelden vereren of ervoor knielen. Want ik, de Heer, ben jullie God. Ik wil niet dat jullie andere goden dienen.

Als iemand mij ontrouw is en andere goden gaat dienen, zal ik hem straffen. Dan straf ik hem en ook zijn nakomelingen, tot en met de vierde generatie. 10Maar als iemand mij liefheeft en zich aan mijn regels houdt, zal ik goed voor hem zijn. Ik zal ook goed zijn voor zijn nakomelingen, zelfs voor de duizendste generatie.

11Spreek mijn naam niet zomaar uit, zonder nadenken. Als iemand dat toch doet, zal ik hem straffen.

12Houd je aan de sabbat, omdat ik, de Heer, dat wil. De sabbat is een bijzondere dag. 13Zes dagen mogen jullie werken en bezig zijn met alles wat je moet doen. 14Maar de zevende dag is een dag die voor mij bestemd is. Dan mag je niet werken. Ook je zoon, je dochter, je slaaf en je slavin mogen niet werken. Je dieren mogen niet voor je werken. En ook de vreemdelingen die in jullie steden wonen, mogen niet werken. 15Want jullie mogen nooit vergeten dat ik jullie bevrijd heb. Ik heb ervoor gezorgd dat jullie nooit meer als slaven hoeven te werken. Ik heb mijn macht laten zien en ik heb jullie bevrijd uit de slavernij in Egypte. Daarom wil ik dat jullie je aan de sabbat houden.

Regels over het omgaan met anderen

16Heb respect voor je vader en je moeder, omdat ik, de Heer, dat wil. Dan zul je lang leven in het land dat ik je zal geven. Dan zal het goed met je gaan.

17Vermoord niemand.

18Ga niet vreemd.

19Steel niet.

20Vertel bij de rechter geen leugens over iemand.

21Verlang niet naar iets dat van een ander is. Blijf af van zijn vrouw, zijn huis, zijn slaaf of slavin, zijn koe of zijn ezel.’’

De Heer maakt zijn regels zelf bekend

22Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘Dat zijn alle regels die de Heer gegeven heeft toen jullie allemaal bij elkaar waren bij de berg Horeb. Daar sprak hij met luide stem tegen jullie, vanuit vuur en grote, donkere wolken. Daarna schreef de Heer die regels op twee stenen platen, en hij gaf die platen aan mij.

Het volk is bang voor de stem van God

23Jullie hoorden dus Gods stem vanuit de donkere wolken op de brandende berg. Toen kwamen alle leiders bij mij, 24en zeiden: ‘De Heer heeft zijn grote macht aan ons laten zien! Wij hebben zijn stem gehoord vanuit het vuur. Nu weten we dat mensen niet altijd sterven als God met ze spreekt.

25Maar toch zijn we bang om de stem van de Heer nog een keer te horen. Want waarschijnlijk sterven we dan wel! We zijn bang dat de vlammen van dat grote vuur ons zullen doden. 26Want zo gaat het altijd als iemand op aarde de stem van de levende God hoort!

27Mozes, kunt u niet de berg op gaan om te horen wat de Heer allemaal zegt? Dan kunt u het daarna aan ons vertellen. Wij zullen doen wat God van ons vraagt.’

De Heer geeft zijn wetten aan Mozes

28Toen de Heer hoorde wat jullie vroegen, zei hij tegen mij: ‘Mozes, ik heb gehoord wat de mensen tegen je zeiden. Ze hebben gelijk. 29Hadden ze altijd maar zo veel eerbied voor mij! Waren ze altijd maar zo gehoorzaam! Dan zou het altijd goed met hen gaan, en ook met hun kinderen.

30Stuur de mensen nu maar terug naar hun tenten. 31Jij moet zelf hier bij mij blijven. Dan maak ik alle wetten en regels aan jou bekend. Jij moet ervoor zorgen dat de mensen die regels uit hun hoofd leren. En je moet zorgen dat ze zich eraan houden als ze in het land wonen dat ik hun zal geven.’’

Doe altijd wat de Heer van je vraagt

32Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten je heel precies houden aan de regels van de Heer. 33Doe altijd wat de Heer van je vraagt. Dan zul je in leven blijven. En dan zal het goed met jullie gaan. Dan zullen jullie lang blijven wonen in het land dat jullie van de Heer krijgen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]