Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

21Daarna zijn we weer verdergegaan. We reisden door de woestijn in de richting van de Rode Zee, zoals de Heer tegen mij gezegd had. We trokken jarenlang om de Seïr-bergen heen.

2Toen zei de Heer tegen mij: 3‘Jullie zijn nu lang genoeg om deze bergen heen getrokken. Ga nu naar het noorden. 4En jij, Mozes, moet tegen het volk van Israël zeggen: ‘Straks komen jullie in het gebied Seïr. Daar woont familie van jullie: de nakomelingen van Esau. Zij zullen bang voor jullie zijn. Maar pas op! 5Val ze niet aan, want het is hun land. De Heer heeft dat land aan Esau gegeven. Hij heeft het niet aan jullie gegeven, geen enkel stuk van dat gebied. 6Dus als jullie in Seïr zijn en voedsel nodig hebben, moet je het gewoon kopen. En ook voor het drinkwater moet je betalen.

7De Heer, jullie God, heeft jullie altijd geholpen. Zolang jullie door deze grote woestijn reisden, was hij bij jullie. Veertig jaar lang heeft hij voor jullie gezorgd. Jullie kregen alles wat je nodig had!’’

Het volk reist door Moab

8We verlieten Seïr, waar de nakomelingen van Esau woonden. We volgden niet de weg die vanuit Elat en Esjon-Geber door het gebied van de Jordaan loopt. Nee, we gingen in de richting van de woestijn van Moab.

9-13Toen zei de Heer tegen mij: ‘Mozes, jullie moeten de Moabieten met rust laten. Ik zal jullie niets van hun land geven. Want zij zijn de nakomelingen van Lot, en ik heb hun de stad Ar gegeven. Val de Moabieten dus niet aan. Ik wil dat jullie hier weggaan en door het Zered-dal gaan.’ Dat hebben we toen gedaan.

De vroegere bewoners zijn verjaagd

In Moab woonden vroeger de Emieten, een groot en machtig volk. Net als de Enakieten zijn dat grote en sterke mensen. En net als de Enakieten horen ze bij de Refaïeten. Maar in Moab worden ze Emieten genoemd.

En in Seïr woonden vroeger de Chorieten. Maar die zijn verjaagd en gedood door de nakomelingen van Esau. De nakomelingen van Esau zijn in Seïr blijven wonen, en dat land is nu van hen.

Op dezelfde manier hebben de Israëlieten later het beloofde land in bezit genomen. Want ook zij hebben de mensen die daar toen woonden, verjaagd en gedood.

Er zijn geen sterke mannen meer

14Nadat we uit Kades-Barnea vertrokken waren, zijn we 38 jaar onderweg geweest. Na al die jaren kwamen we bij de plek waar we het Zered-dal konden oversteken. Maar toen waren onze sterke mannen allemaal al gestorven, zoals de Heer voorspeld had. 15De Heer had er zelf voor gezorgd dat niemand van hen in leven bleef.

De reis naar het land van de Ammonieten

16Toen er dus geen mannen meer over waren die goed konden vechten, 17zei de Heer tegen mij: 18‘Mozes, je moet vandaag verder reizen door het land van de Moabieten, via de stad Ar. 19Je komt dan dicht in de buurt van de Ammonieten. Val dat volk niet aan, laat hen met rust. Want ook van hun gebied geef ik jullie niets. Ik heb hun hele gebied al aan de nakomelingen van Lot gegeven.’

De vroegere bewoners zijn verjaagd

20Ook in het land waar nu de Ammonieten wonen, woonden vroeger Refaïeten. In Ammon werden zij Zamzummieten genoemd. 21Ook dat was een groot en machtig volk, en ook zij waren net zo groot als de Enakieten. Maar de Heer heeft de Refaïeten gedood. Zo konden de Ammonieten hun gebied in bezit nemen en er gaan wonen.

22De Heer heeft ook de Chorieten gedood, zodat de nakomelingen van Esau hun gebied in bezit konden nemen. De nakomelingen van Esau wonen daar nu nog steeds.

23En op dezelfde manier hebben ook de mensen uit Kreta land in bezit genomen. Zij hebben de Awwieten uit de dorpen in de buurt van Gaza verjaagd en gedood. En daarna zijn ze daar zelf gaan wonen.

Het volk moet de Amorieten aanvallen

24Toen zei de Heer tegen mij: ‘Maak je klaar om door het Arnon-dal te gaan. Ik zal zorgen dat koning Sichon van de Amorieten zich aan jullie overgeeft. Val de Amorieten maar aan en neem hun land in bezit.

25Vanaf vandaag zullen alle volken op de wereld bang voor jullie zijn. Ze zullen in paniek raken als ze horen dat jullie eraan komen. Ze zullen beven van angst!’

Mozes onderhandelt met koning Sichon

26Toen stuurde ik vanuit de woestijn van Kedemot boodschappers naar koning Sichon in Chesbon. Ik deed de koning een voorstel om geen oorlog te voeren. Ik zei: 27‘Koning Sichon, wilt u ons toestemming geven om door uw land te reizen? Wij zullen steeds de hoofdweg volgen, we zullen daar niet vanaf gaan. 28Verkoop ons het voedsel dat we nodig hebben. Ook voor het drinkwater zullen we betalen.

Het enige wat we willen, is door uw land reizen 29tot we de Jordaan kunnen oversteken. Want dan kunnen we het land bereiken dat de Heer, onze God, ons zal geven. Wij hebben die toestemming ook gekregen van de nakomelingen van Esau in Seïr, en ook van de Moabieten in Ar.’

30Maar koning Sichon wilde ons geen toestemming geven om door zijn land te reizen. Hij bleef weigeren en wilde niet toegeven. Daar had de Heer voor gezorgd, zodat wij Sichon zouden aanvallen en zijn land zouden veroveren. En zo is het ook gegaan.

Het volk verslaat koning Sichon

31-32Koning Sichon verzamelde zijn leger en viel ons aan bij de stad Jahas. Maar de Heer zei tegen mij: ‘Mozes, ik zal ervoor zorgen dat je de strijd tegen koning Sichon wint. Val hem aan en verover zijn land.’

33De Heer, onze God, gaf ons de overwinning. Wij hebben koning Sichon en zijn zonen gedood, en we hebben zijn hele leger verslagen. 34We veroverden alle steden en doodden er alle inwoners. We doodden alle mannen, vrouwen en kinderen. We lieten niemand in leven. 35We namen de bezittingen van de inwoners mee, en ook al hun vee.

36We hebben toen het hele land van koning Sichon veroverd. Dat is het gebied vanaf de stad Aroër aan de rivier de Arnon tot aan het gebied Gilead. We konden alle steden veroveren. De Heer, onze God, gaf ons de macht over het hele gebied. 37Alleen het land van de Ammonieten, met de rivier de Jabbok en de steden in de bergen, hebben we niet veroverd. Want de Heer had gezegd dat we dat land met rust moesten laten.

3

Het volk verslaat koning Og

31Daarna zijn we verder gereisd naar het noorden, naar het land Basan. Koning Og van Basan verzamelde zijn leger en viel ons aan bij de stad Edreï.

2De Heer zei toen tegen mij: ‘Mozes, je hoeft niet bang te zijn voor koning Og. Want jij zult de strijd winnen en zijn land veroveren. Daar zal ik voor zorgen. Doe met hem hetzelfde als je met koning Sichon gedaan hebt.’

3En zo gaf de Heer ons weer de overwinning. We versloegen koning Og en doodden al zijn soldaten. We lieten niemand in leven. 4We vielen alle steden van koning Og aan, zestig in totaal. Zijn hele land namen we in bezit, ook het gebied Argob.

We konden alle steden veroveren, 5ook al waren het sterke steden met hoge muren en stevige poorten. We veroverden ook veel dorpen. 6We doodden de inwoners van die steden en dorpen. We doodden alle mannen, vrouwen en kinderen, net zoals we eerder gedaan hadden in de strijd tegen koning Sichon. 7We namen al het vee mee, en ook de andere bezittingen van de inwoners.

Het veroverde land

8Zo hebben we toen Sichon en Og verslagen, de twee koningen van de Amorieten. We hebben het hele gebied aan de oostkant van de Jordaan tot aan de berg Hermon in bezit genomen. 9De inwoners van de stad Sidon noemen die berg de Sirjon. De Amorieten noemen die berg de Senir.

10Bij dat gebied horen alle steden van het bergland, en ook alle steden van Gilead en Basan tot aan Salka en Edreï. Dat zijn de steden waarover koning Og heerste. 11Koning Og was de laatste nakomeling van de Refaïeten. In Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten, kun je nog zijn bed bewonderen. Dat bed is gemaakt van ijzer, en het is 4,5 meter lang en 2 meter breed!

Mozes geeft drie stammen een gebied

12-17Nadat we dat hele gebied veroverd hadden, heb ik het onder drie stammen van Israël verdeeld.

Het zuidelijk deel van Gilead heb ik aan de stammen Ruben en Gad gegeven. Dat is het gebied vanaf de stad Aroër aan de rivier de Arnon tot ver in de bergen van Gilead. Dat gebied loopt van de rivier de Arnon in het zuiden tot aan de rivier de Jabbok bij het land van de Ammonieten. Bij dat zuidelijk deel hoort ook het Jordaan-dal. De Jordaan is de grens tussen het Meer van Kinneret en de Zoutzee (die nu de Dode Zee heet). De oostgrens wordt gevormd door de rotsen van de berg Pisga.

Het noordelijk deel van Gilead heb ik aan Machir, de zoon van Manasse, gegeven.

De rest van Gilead en heel Basan heb ik aan de helft van de stam Manasse gegeven. Basan was het land van koning Og, en daar hoorde ook het gebied Argob bij. Basan werd vroeger ook wel het land van de Refaïeten genoemd. Maar Jaïr, een nakomeling van Manasse, heeft het gebied een andere naam gegeven toen hij het veroverd had. Hij nam het gebied Argob in bezit, tot aan de grens met Gesur en Maächa. Hij noemde het gebied de Dorpen van Jaïr, en zo heet het nog steeds.

De drie stammen moeten meevechten

18-19Ik zei toen tegen de drie stammen Ruben, Gad en Manasse: ‘De Heer, jullie God, geeft jullie het land ten oosten van de Jordaan. Jullie mogen het in bezit nemen. Jullie vrouwen en kinderen mogen hier blijven, in de steden die ik aan jullie gegeven heb. Dat geldt ook voor de dieren, want ik weet dat jullie veel vee hebben.

Maar al jullie sterke mannen moeten meegaan naar de overkant van de Jordaan. Zij moeten de andere Israëlieten helpen in de oorlog. 20Jullie mannen moeten daar blijven totdat de Heer, jullie God, ook land gegeven heeft aan de andere Israëlieten. Als die daar veilig kunnen wonen, mogen jullie mannen terugkomen. Pas dan mogen jullie hier gaan wonen, in het gebied dat ik jullie gegeven heb.’

21En tegen Jozua zei ik: ‘Jozua, wees niet bang. Je hebt zelf gezien wat de Heer met die twee koningen van de Amorieten gedaan heeft. Hij zal precies hetzelfde doen met alle koningen die je zult tegenkomen aan de overkant van de Jordaan. 22Wees niet bang voor die koningen. De Heer, jullie God, zal jullie helpen.’

Mozes mag zelf het land niet in

23Ik heb toen tot de Heer gebeden. Ik zei: 24‘Heer, mijn God, u hebt aan mij, uw dienaar, uw kracht laten zien. U hebt me laten zien hoe machtig u bent. Er is geen enkele god in de hemel die kan wat u kunt. Er is geen enkele god op aarde die zo veel macht heeft als u!

25Alstublieft, laat mij de Jordaan oversteken. Ik wil heel graag dat mooie bergland aan de overkant zien, en ook de prachtige Libanon-bergen.’

26Maar de Heer wilde niet naar mij luisteren. Volk van Israël, door jullie slechte gedrag was de Heer kwaad op mij. Hij zei: ‘Mozes, zo is het genoeg! Ik wil dat je erover zwijgt. 27Ga de berg Pisga op en kijk vanaf de top naar het westen, het noorden, het oosten en het zuiden. Kijk maar goed om je heen, want jij zult de Jordaan niet oversteken. 28Jozua moet jouw taak overnemen. Geef hem de leiding over de Israëlieten, en bereid hem goed voor op zijn taak. Hij zal de Israëlieten naar het land brengen dat jij op de berg zult zien. Hij zal het voor hen veroveren.’

29En zo bleven wij in het Jordaan-dal, in de buurt van de stad Bet-Peor.’

4

Houd je aan de regels van de Heer

41Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘Luister goed naar de wetten en regels van de Heer, die ik jullie leer. Als jullie je daaraan houden, zullen jullie lang leven. En dan kunnen jullie het land binnengaan dat de Heer, de God van jullie voorouders, aan jullie zal geven. Dan zal dat land van jullie zijn.

2Verander niets aan de regels die ik jullie geef. Houd je er precies aan, want het zijn regels van de Heer, jullie God.

3Jullie hebben zelf gezien wat er in Baäl-Peor gebeurd is. De Heer heeft toen alle mensen gedood die de god Baäl vereerden. 4Maar jullie zijn trouw gebleven aan de Heer, en daarom zijn jullie allemaal nog in leven.

Wees een voorbeeld voor andere volken

5De Heer, mijn God, heeft mij de opdracht gegeven om jullie zijn wetten en regels te leren. Als jullie straks in het land gaan wonen, moeten jullie je aan die regels houden.

6Houd je er precies aan. Dan zullen andere volken respect voor jullie krijgen en zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’

7De Heer, onze God, is dicht bij ons. Hij hoort ons als we om hulp roepen. Geen enkel ander volk heeft goden die zo dicht bij de mensen zijn. 8Geen enkel ander volk heeft zulke goede wetten als de wetten die ik jullie nu geef.

Vergeet de ontmoeting met de Heer nooit

9Let op, vergeet nooit wat jullie gezien en meegemaakt hebben. Onthoud dat altijd, en vertel het aan jullie kinderen en kleinkinderen.

10Vertel ze over de dag dat jullie de Heer, jullie God, hebben ontmoet. Dat was bij de berg Horeb, daar had ik jullie bij elkaar gebracht. Want de Heer had gezegd: ‘Breng alle Israëlieten bij elkaar. Ik wil ze mijn wetten en regels bekendmaken. Dan leren ze om eerbied voor mij te hebben, hun leven lang. En dan leren ze dat ook aan hun kinderen.’

11Jullie kwamen dus naar de berg Horeb, en jullie bleven onder aan de berg staan. Uit de berg kwam vuur. De vlammen kwamen tot in de hemel. En om de berg heen hingen grote, donkere wolken. 12Vanuit het vuur sprak de Heer tegen jullie. Jullie hoorden een stem, maar jullie zagen niemand. Er was alleen die stem.

13De Heer maakte toen zijn tien belangrijkste regels bekend, en schreef ze op twee stenen platen. Hij wilde dat jullie je daaraan zouden houden.

Maak geen godenbeelden

14De Heer heeft toen tegen mij gezegd dat ik jullie die wetten en regels moest leren. Houd je daar precies aan, als je straks in het land aan de overkant van de Jordaan woont.

15En vergeet nooit: Toen de Heer vanuit het vuur tegen jullie sprak, konden jullie hem niet zien. 16Daarom mogen jullie geen beeld maken van God. Maak geen enkel godenbeeld! Niet in de vorm van een man of een vrouw, 17niet in de vorm van een dier op het land of een vogel in de lucht, 18en ook niet in de vorm van een dier dat over de grond kruipt, of een vis in het water. 19En als jullie omhoogkijken naar de zon, de maan en de sterren, vereer die lichten aan de hemel dan niet. Want die worden vereerd door de andere volken op aarde.

20Jullie zijn een bijzonder volk. Want God zelf heeft jullie bevrijd! Hij bevrijdde jullie uit Egypte, waar jullie zo zwaar onderdrukt werden. Hij wilde dat jullie zijn eigen volk zouden zijn. En dat zijn jullie ook!

Mozes mag het land niet binnengaan

21Maar door jullie slechte gedrag is de Heer kwaad op mij geworden. Hij heeft mij verboden om de rivier de Jordaan over te steken. Ik zal het mooie land dat hij jullie geeft, niet binnengaan. 22Nee, ik moet hier sterven. Ik zal de Jordaan niet oversteken, maar jullie wel. Jullie zullen dat prachtige land in bezit nemen.

Dien geen andere goden

23Vergeet nooit de afspraak die de Heer, jullie God, met jullie gemaakt heeft. Hij heeft gezegd dat je nergens een beeld van mag maken. Maak dus geen godenbeeld. 24De Heer, jullie God, wil niet dat je andere goden dient. Als je dat toch doet, zal hij woedend worden.

25Straks wonen jullie in dat nieuwe land met jullie kinderen en kleinkinderen. Doe ook dan geen dingen die de Heer verkeerd vindt. Maak nergens een beeld van. Anders wordt de Heer kwaad. 26De hemel en de aarde horen wat ik nu zeg: Als jullie een godenbeeld maken, dan zullen jullie niet lang in dat mooie land leven. Nee, dan zullen jullie gedood worden. Dat is zeker!

27De Heer zal jullie dan wegjagen naar andere landen. Er zullen maar weinig mensen van jullie volk overblijven. 28En dan zullen jullie andere goden vereren: goden van hout en steen die de mensen zelf gemaakt hebben. Die goden zijn doof en blind, ze kunnen niet eten en ook niet ruiken. 29Maar na lange tijd zullen jullie toch de Heer, jullie God, weer gaan zoeken. En als je hem zoekt met je hele hart, dan zul je hem vinden.

30Al die dingen zullen jullie meemaken. Jullie zullen het moeilijk krijgen. En dan zullen jullie terugkeren naar de Heer, jullie God. Jullie zullen weer naar hem gaan luisteren. 31Hij is een God van liefde. Hij zal jullie niet in de steek laten. Hij zal jullie niet doden. Hij zal nooit vergeten wat hij jullie voorouders plechtig beloofd heeft.

Denk aan alles wat God gedaan heeft

32Volk van Israël, denk eens terug aan het verleden!

Nooit eerder is er een volk geweest dat hetzelfde meegemaakt heeft als jullie. Vraag het maar aan alle mensen, overal op aarde. Denk maar aan alle gebeurtenissen uit het verleden, vanaf de schepping tot nu.

33Nooit eerder is er een volk geweest zoals jullie! Een volk dat Gods stem gehoord heeft vanuit het vuur. Geen enkel volk hoorde ooit Gods stem en bleef toch in leven.

34En nooit eerder heeft een god een volk uitgekozen dat onderdrukt werd door een ander volk. Nooit eerder heeft een god zulke geweldige wonderen gedaan voor een volk. Nooit eerder heeft een god zo hard voor een volk gevochten, en hun vijanden zo bang gemaakt. Geen enkele god heeft zo veel macht als onze God!

De Heer is de enige God

Volk van Israël, jullie hebben zelf gezien wat de Heer allemaal voor jullie deed. 35Jullie hebben het meegemaakt!

De Heer maakte duidelijk dat alleen hij God is, en niemand anders. 36Hij liet op de berg dat grote vuur zien. Hij sprak tegen jullie vanuit de hemel, maar ook op de aarde, vanuit het vuur. Vanuit dat vuur heeft hij zijn wetten en regels aan jullie bekendgemaakt.

37De Heer hield van jullie voorouders, en hij heeft jullie uitgekozen als zijn volk. Hij heeft zijn grote macht gebruikt om jullie te bevrijden uit Egypte. 38En hij heeft volken weggejaagd die groter en sterker waren dan jullie. Zo kon hij het land van die volken aan jullie geven. Dat land gaan jullie nu in bezit nemen.

39Weet dat de Heer de enige God is. Vergeet dat nooit! Hij alleen is God, boven in de hemel en hier beneden op de aarde. Hij, en niemand anders! 40Houd je daarom altijd aan de wetten en regels van de Heer, die ik jullie vandaag geef. Dan zal het goed gaan met jullie en met jullie kinderen. En dan zullen jullie lang leven in het land dat de Heer jullie zal geven.’

Mozes wijst drie vluchtsteden aan

41Toen Mozes dat gezegd had, wees hij drie steden aan in het land aan de overkant van de Jordaan. 42Dat moesten steden worden waar iemand heen kon vluchten als hij een ander gedood had. Maar alleen als hij die ander per ongeluk gedood had, en niet omdat hij hem haatte. Als zo iemand dan naar één van die steden vluchtte, dan kon hij in leven blijven.

43Als iemand uit de stam Ruben een ander per ongeluk gedood had, kon hij vluchten naar Beser. Die stad ligt hoog in de bergen van de woestijn. Als iemand uit de stam Gad een ander gedood had, kon hij vluchten naar Ramot. Die stad ligt in het gebied Gilead. En als iemand uit de stam Manasse een ander gedood had, kon hij vluchten naar Golan. Die stad ligt in het gebied Basan.

De tien regels van God

Mozes roept het volk bij elkaar

44Nu volgen de wetten die Mozes aan de Israëlieten gegeven heeft. 45Het zijn de wetten en regels die Mozes gaf toen het volk bevrijd was uit Egypte.

46Toen Mozes de wetten aan de Israëlieten gaf, waren ze in het dal bij de stad Bet-Peor. Dat is in het gebied ten oosten van de Jordaan. Dat gebied hadden de Israëlieten veroverd toen ze uit Egypte kwamen. Om het te veroveren, moesten ze de koningen Sichon en Og verslaan. Sichon was de koning van de Amorieten, en zijn paleis stond in de stad Chesbon. Og was de koning van Basan.

47De Israëlieten hadden het hele gebied van die koningen veroverd. 48Het gebied begon bij de stad Aroër aan de rivier de Arnon. En het liep helemaal tot aan de berg Sion, die ook de Hermon genoemd wordt. 49Daarbij hoorde ook het grote dal aan de oostkant van de Jordaan, tot aan de rotsen van de berg Pisga, bij de Dode Zee.