Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

171En als jullie straks offers brengen aan de Heer, let dan ook hierop: offer nooit een koe, een schaap of een geit met een gebrek! Want dat vindt de Heer afschuwelijk.

Als iemand andere goden vereert

2-3Stel dat je hoort dat er in de stad een man of een vrouw woont die andere goden vereert. Of die knielt voor de zon, de maan of de sterren. Dan moet je goed onderzoeken of dat waar is. Want zulke mensen houden zich niet aan de regels van de Heer. Zij doen dingen die de Heer verboden heeft.

4Stel dat het waar is wat je gehoord hebt. Stel dat er echt zoiets gebeurt in het land. 5Dan moeten jullie die man of vrouw doden. Jullie moeten zo iemand buiten de stad brengen, en met stenen doodgooien. 6Maar dat mag alleen als er voldoende bewijs is dat zo iemand schuldig is. Minstens twee mensen moeten gezien hebben wat er gebeurd is. Eén is te weinig. 7De mensen die het gezien hebben, moeten samen met het volk die man of vrouw doden. Zij moeten de eerste steen gooien.

Door zo iemand te doden, zorgen jullie ervoor dat het kwaad uit jullie volk verdwijnt.

Een moeilijke rechtszaak

8Een rechtszaak kan erg ingewikkeld zijn. Bijvoorbeeld als het gaat om moord, doodslag of geweld. Of als het gaat om iemands bezit.

Stel dat jullie een rechtszaak te moeilijk vinden. Ga dan naar de stad die de Heer, jullie God, zal uitkiezen. 9Daar kun je de priesters en de rechter van die stad om raad vragen. Zij zullen dan hun oordeel geven over de zaak.

10-11Luister naar de priesters en de rechter. Doe wat zij zeggen, houd je precies aan hun besluit. 12Stel dat iemand ongehoorzaam is en zich niet aan het besluit wil houden. Dan moeten jullie hem doden. Want zo iemand is slecht. Door hem te doden, zorg je ervoor dat het kwaad uit jullie volk verdwijnt. 13En iedereen zal dan altijd naar de rechter of de priester luisteren. Niemand zal meer ongehoorzaam zijn.

Als het volk een koning wil

14Straks komen jullie in het land dat de Heer, je God, aan jullie zal geven. Jullie zullen het veroveren en er gaan wonen. Stel dat jullie dan zeggen: ‘Wij willen een koning, net als de volken om ons heen.’ 15Dan is dat goed. Jullie mogen iemand koning maken die de Heer, jullie God, zal uitkiezen. Het moet wel iemand zijn van jullie eigen volk. Het mag niet iemand zijn uit een ander land of van een ander volk.

16Voor die nieuwe koning gelden de volgende regels. Ten eerste mag hij niet te veel paarden hebben, en in ieder geval geen paarden uit Egypte. Want jullie weten wat de Heer gezegd heeft: ‘Ga nooit meer terug naar Egypte.’ 17En de nieuwe koning mag ook niet te veel vrouwen hebben. Want dan wordt hij misschien ontrouw aan de Heer. Verder mag de koning niet te veel goud en zilver verzamelen.

De koning moet zich aan de wet houden

18Het boek met alle wetten van God wordt bewaard door de priesters. Als de nieuwe koning gaat regeren, dan moet hij een kopie laten maken van dat wetboek. 19-20Hij moet het bij zich houden en er veel in lezen, zijn hele leven lang. Zo leert hij om eerbied te hebben voor de Heer, zijn God.

De nieuwe koning mag zich niet beter voelen dan anderen. Hij moet zich houden aan alle wetten en regels van dat boek. Dan zullen hij en zijn nakomelingen lang regeren over Israël.

18

Een deel van de offers is voor de Levieten

181-2De Levieten mogen werken als priester voor de Heer. Dat heeft hij hun beloofd. Zij kunnen leven van een deel van de offers die aan de Heer gebracht worden. De Levieten bezitten namelijk geen eigen grond, zoals de andere Israëlieten.

3Als jullie een koe, een schaap of een geit offeren, is een deel daarvan voor de Levieten bestemd. Zij krijgen van elk dier het schouderstuk, de wangen en de maag.

4Jullie moeten ook het beste deel van jullie graan, wijn en olie aan de Levieten geven. En ook de beste wol van jullie schapen en geiten. 5Want de Levieten zijn uitgekozen door de Heer, jullie God. Zij en hun nakomelingen mogen voor altijd als priester voor hem werken.

6Niet alle Levieten zullen wonen op de plaats die de Heer zal uitkiezen. Stel dat een Leviet zijn eigen stad wil verlaten om naar die plaats te gaan, en daar als priester wil werken voor de Heer. Dan mag dat. 7Hij mag dan meedoen met het werk van de andere Levieten. 8En hij krijgt dan net zo veel van de offers als zij. Ook als hij al een grote erfenis heeft van zijn familie.

Doe niet mee met andere volken

9Straks komen jullie in het land dat de Heer, je God, aan jullie zal geven. Daar wonen volken die afschuwelijke dingen doen. Volg hun voorbeeld niet!

10Niemand mag zijn eigen zoon of dochter als offer verbranden. En niemand mag de toekomst voorspellen. Er mogen dus straks in jullie land geen waarzeggers of tovenaars zijn. 11En ook geen mensen die de geesten van doden om raad vragen. 12Want dat vindt de Heer afschuwelijk. Dat is ook de reden dat hij die volken uit het land zal wegjagen.

13Jullie moeten met je hele hart trouw zijn aan de Heer, jullie God.

Er zullen goede profeten komen

14De Heer wil dus niet dat je luistert naar mensen die de toekomst voorspellen, zoals de andere volken doen. 15In plaats daarvan zal de Heer profeten voor jullie uitkiezen uit jullie eigen volk, profeten zoals ik. Naar die profeten moeten jullie luisteren!

16Jullie hebben daar trouwens zelf om gevraagd! Want toen jullie bij de berg Horeb waren, zeiden jullie: ‘We zijn bang dat we zullen sterven. We willen de stem van de Heer niet langer horen. We durven niet meer te kijken naar dat grote vuur.’

17En toen heeft de Heer tegen mij gezegd: ‘Ze hebben gelijk. 18Ik zal zorgen dat er bij hen profeten komen, profeten zoals jij. Ik zal tegen die profeten zeggen wat er gaat gebeuren. Zij zullen mijn woorden doorgeven aan het volk. 19En als iemand niet naar die woorden luistert, zal ik hem straffen!

20Maar stel dat een profeet zegt dat hij namens mij spreekt, terwijl dat niet zo is. Of stel dat hij namens een andere god spreekt. Dan moet die profeet gedood worden.’

21Misschien denken jullie: Hoe weten we of een profeet namens de Heer spreekt? 22Dat weet je als de woorden van een profeet ook echt uitkomen. Als dat niet gebeurt, dan weet je dat de profeet niet namens de Heer gesproken heeft. Voor de boodschap van zo’n profeet hoef je niet bang te zijn.’

19

Regels over de rechtspraak

Er moeten drie vluchtsteden komen

191Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, jullie komen straks in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. De volken die daar wonen, zal hij doden. Jullie kunnen dan hun akkers in bezit nemen, en gaan wonen in hun steden en huizen.

2-3Als jullie daar wonen, moeten jullie eerst kijken hoe groot het land is dat de Heer jullie geeft. Dan moeten jullie het land in drie gebieden verdelen.

In ieder gebied moet één vluchtstad komen. In zo’n stad ben je veilig als je iemand per ongeluk gedood hebt. 4Maar je kunt er niet heen vluchten als je iemand uit haat gedood hebt. Je bent er alleen veilig als je het per ongeluk gedaan hebt.

5Stel dat twee mannen op een dag samen hout gaan hakken in het bos. De één zwaait met zijn bijl om een boom om te hakken. Maar het ijzer van de bijl schiet los, en de ander wordt geraakt en sterft. Dan kan de dader naar zo’n stad vluchten om zijn leven te redden.

6Het is belangrijk dat er drie vluchtsteden in het land zijn. Want dan is de afstand naar een vluchtstad niet te groot. Anders kan de dader makkelijk ingehaald worden door familieleden van het slachtoffer. En dan wordt hij uit wraak gedood. Dat zou verkeerd zijn, want de dader heeft zijn slachtoffer nooit gehaat.

7Daarom wil ik dat jullie drie vluchtsteden aanwijzen.

Later komen er meer vluchtsteden

8De Heer, jullie God, zal jullie gebied nog groter maken. Dan krijgen jullie het hele land dat hij plechtig beloofd heeft aan jullie voorouders. 9Maar dat gebeurt alleen als je je precies houdt aan de regels die ik jullie vandaag geef. En als je de Heer, je God, liefhebt en altijd doet wat hij vraagt.

Als jullie gebied groter geworden is, moeten jullie nog drie vluchtsteden aanwijzen. 10Dan zal er in het land niemand meer gedood worden die onschuldig is. Als dat wel gebeurt, dan is het hele volk schuldig.

Moordenaars zijn nergens veilig

11Maar stel dat iemand een ander met opzet doodt, omdat hij hem haat. En stel dat hij dan naar een vluchtstad gaat. 12Dan moeten de leiders van de stad waar hij woonde, hem terughalen. Ze moeten hem naar de familie van het slachtoffer brengen. Die zullen hem dan uit wraak doden.

13Jullie moeten dan geen medelijden met de moordenaar hebben. Want als hij niet gedood wordt, is het hele volk schuldig. En dan loopt het slecht met jullie af.

Verander de grenzen niet

14Jullie krijgen allemaal een eigen stuk grond in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. Verander de grenzen daarvan niet! Laat de stenen tussen de akkers op hun plek liggen. Je mag ze niet verplaatsen, want ze liggen er al eeuwenlang.

Eén getuige is niet genoeg

15Stel dat iemand een misdaad gepleegd heeft, en één persoon heeft dat gezien. Er is dus maar één getuige. In dat geval mag de dader niet veroordeeld worden. Er moeten minstens twee getuigen zijn. Pas dan kun je naar de rechter gaan.

Een getuige mag niet liegen

16Het kan gebeuren dat een getuige liegt en iemand vals beschuldigt. 17Als dat zo lijkt te zijn, moeten beide partijen naar de tempel van de Heer gaan. Daar moeten ze naar de priesters en rechters gaan die dan dienst hebben.

18De rechters moeten de zaak heel precies onderzoeken. Stel dat de getuige inderdaad gelogen heeft. 19Dan moet hij de straf krijgen die hij de ander had willen geven. Door die getuige te straffen, zorg je ervoor dat het kwaad uit jullie volk verdwijnt. 20Alle Israëlieten moeten weten hoe zo iemand gestraft wordt. Dan zullen ze bang worden, en nooit meer zoiets slechts doen.

21Je mag geen medelijden hebben met die getuige. Misschien wilde hij dat de ander een oog of een tand zou verliezen, of een hand of een voet. Of misschien zelfs zijn leven. Geef hem de straf die hij de ander had willen geven.’