Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

De drie grote feesten

Het Paasfeest

161Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, luister. Vier het Paasfeest voor de Heer, jullie God, altijd in de eerste maand van het jaar. Want in die maand heeft hij jullie bevrijd uit Egypte, midden in de nacht. 2Vier het Paasfeest op de plaats die de Heer zal uitkiezen. Daar wil hij vereerd worden.

Slacht voor het Paasfeest eerst een geit, een schaap of een koe. 3En eet tijdens het feest geen brood dat klaargemaakt is met gist. Zeven dagen lang mogen jullie alleen brood eten zonder gist. Door dat brood zullen jullie je hele leven terugdenken aan de ellende in Egypte. En aan de nacht waarin jullie zo haastig uit Egypte moesten wegvluchten.

4In het hele land mag er zeven dagen lang nergens gist te vinden zijn. En van het dier dat jullie slachten op de avond van de eerste dag, mag geen vlees overblijven. Er mag niets tot de volgende dag bewaard worden.

5-6De dieren die bestemd zijn voor het Paasfeest, moet je ’s avonds slachten, als de zon ondergaat. Want op dat moment hebben jullie Egypte verlaten.

Je mag de dieren alleen slachten op de plaats die de Heer zal uitkiezen. Dat is de plaats waar hij vereerd wil worden. 7Daar moeten jullie het vlees klaarmaken en opeten. Na het feest kunnen jullie dan weer teruggaan naar huis.

8Jullie moeten dus zes dagen lang brood zonder gist eten. Op de zevende dag moeten jullie bij elkaar komen om feest te vieren voor de Heer, jullie God. Op die dag mogen jullie niet werken.

Het Wekenfeest

9Het Wekenfeest begint zeven weken nadat het eerste graan geoogst is. 10Vier dat feest ter ere van de Heer, jullie God. Breng hem tijdens dat feest zo veel offers als je kunt. Als je een grote oogst hebt, breng je veel offers. Als je een kleine oogst hebt, breng je weinig offers.

11-12Vier het Wekenfeest samen met je zonen en dochters, en je slaven en slavinnen. Vergeet niet dat jullie zelf slaaf geweest zijn in Egypte. Nodig ook de Levieten uit die bij je in de stad wonen, en alle weduwen en alle kinderen zonder vader. Vier het feest op de plaats die de Heer zal uitkiezen. Dat is de plaats waar hij vereerd wil worden.

Jullie moeten je precies houden aan alle regels voor het feest.

Het Loofhuttenfeest

13Het Loofhuttenfeest begint als de druiven geperst zijn en als het graan geoogst is. Vier dat feest zeven dagen lang. 14Maak er een groot feest van, samen met je zonen en dochters, en je slaven en slavinnen. Nodig ook de Levieten uit die bij je in de stad wonen, en alle vreemdelingen, alle weduwen en alle kinderen zonder vader.

15Vier het feest zeven dagen lang, in de stad die de Heer uitgekozen heeft. Maak er echt een groot feest van. Want de Heer zal ervoor zorgen dat het heel goed met jullie gaat, en dat jullie een grote oogst krijgen.

Drie feesten per jaar voor de Heer

16Drie keer per jaar moeten alle mannen de Heer gaan vereren op de plaats die hij uitkiest. Dat moet gebeuren tijdens het Paasfeest, tijdens het Wekenfeest en tijdens het Loofhuttenfeest.

De mannen mogen dan niet met lege handen komen, 17ze moeten geschenken meenemen voor de Heer. Wie een grote oogst gekregen heeft, moet grote geschenken geven. En wie een kleine oogst gekregen heeft, mag kleine geschenken geven.’

Het bestuur van het land

Er moeten rechters komen

18Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘In alle steden die de Heer, jullie God, zal geven, moet eerlijk rechtgesproken worden. Daarom moeten jullie ervoor zorgen dat er overal in het land rechters en bestuurders komen.

19De rechters moeten eerlijk rechtspreken, ze moeten iedereen gelijk behandelen. En ze mogen geen geschenken aannemen. Want zelfs wijze en eerlijke mensen gaan liegen als ze geschenken krijgen.

20Het is belangrijk dat er steeds eerlijk rechtgesproken wordt! Als dat gebeurt, zullen jullie lang leven. Dan zullen jullie blijven wonen in het land dat de Heer, je God, aan jullie geeft.

Heb respect voor Gods altaar

21-22Let goed op als jullie straks een altaar bouwen voor de Heer, jullie God. Zet er geen heilige paal voor de godin Asjera naast. En ook geen andere heilige paal of steen. Want dat vindt de Heer verschrikkelijk.

17

171En als jullie straks offers brengen aan de Heer, let dan ook hierop: offer nooit een koe, een schaap of een geit met een gebrek! Want dat vindt de Heer afschuwelijk.

Als iemand andere goden vereert

2-3Stel dat je hoort dat er in de stad een man of een vrouw woont die andere goden vereert. Of die knielt voor de zon, de maan of de sterren. Dan moet je goed onderzoeken of dat waar is. Want zulke mensen houden zich niet aan de regels van de Heer. Zij doen dingen die de Heer verboden heeft.

4Stel dat het waar is wat je gehoord hebt. Stel dat er echt zoiets gebeurt in het land. 5Dan moeten jullie die man of vrouw doden. Jullie moeten zo iemand buiten de stad brengen, en met stenen doodgooien. 6Maar dat mag alleen als er voldoende bewijs is dat zo iemand schuldig is. Minstens twee mensen moeten gezien hebben wat er gebeurd is. Eén is te weinig. 7De mensen die het gezien hebben, moeten samen met het volk die man of vrouw doden. Zij moeten de eerste steen gooien.

Door zo iemand te doden, zorgen jullie ervoor dat het kwaad uit jullie volk verdwijnt.

Een moeilijke rechtszaak

8Een rechtszaak kan erg ingewikkeld zijn. Bijvoorbeeld als het gaat om moord, doodslag of geweld. Of als het gaat om iemands bezit.

Stel dat jullie een rechtszaak te moeilijk vinden. Ga dan naar de stad die de Heer, jullie God, zal uitkiezen. 9Daar kun je de priesters en de rechter van die stad om raad vragen. Zij zullen dan hun oordeel geven over de zaak.

10-11Luister naar de priesters en de rechter. Doe wat zij zeggen, houd je precies aan hun besluit. 12Stel dat iemand ongehoorzaam is en zich niet aan het besluit wil houden. Dan moeten jullie hem doden. Want zo iemand is slecht. Door hem te doden, zorg je ervoor dat het kwaad uit jullie volk verdwijnt. 13En iedereen zal dan altijd naar de rechter of de priester luisteren. Niemand zal meer ongehoorzaam zijn.

Als het volk een koning wil

14Straks komen jullie in het land dat de Heer, je God, aan jullie zal geven. Jullie zullen het veroveren en er gaan wonen. Stel dat jullie dan zeggen: ‘Wij willen een koning, net als de volken om ons heen.’ 15Dan is dat goed. Jullie mogen iemand koning maken die de Heer, jullie God, zal uitkiezen. Het moet wel iemand zijn van jullie eigen volk. Het mag niet iemand zijn uit een ander land of van een ander volk.

16Voor die nieuwe koning gelden de volgende regels. Ten eerste mag hij niet te veel paarden hebben, en in ieder geval geen paarden uit Egypte. Want jullie weten wat de Heer gezegd heeft: ‘Ga nooit meer terug naar Egypte.’ 17En de nieuwe koning mag ook niet te veel vrouwen hebben. Want dan wordt hij misschien ontrouw aan de Heer. Verder mag de koning niet te veel goud en zilver verzamelen.

De koning moet zich aan de wet houden

18Het boek met alle wetten van God wordt bewaard door de priesters. Als de nieuwe koning gaat regeren, dan moet hij een kopie laten maken van dat wetboek. 19-20Hij moet het bij zich houden en er veel in lezen, zijn hele leven lang. Zo leert hij om eerbied te hebben voor de Heer, zijn God.

De nieuwe koning mag zich niet beter voelen dan anderen. Hij moet zich houden aan alle wetten en regels van dat boek. Dan zullen hij en zijn nakomelingen lang regeren over Israël.

18

Een deel van de offers is voor de Levieten

181-2De Levieten mogen werken als priester voor de Heer. Dat heeft hij hun beloofd. Zij kunnen leven van een deel van de offers die aan de Heer gebracht worden. De Levieten bezitten namelijk geen eigen grond, zoals de andere Israëlieten.

3Als jullie een koe, een schaap of een geit offeren, is een deel daarvan voor de Levieten bestemd. Zij krijgen van elk dier het schouderstuk, de wangen en de maag.

4Jullie moeten ook het beste deel van jullie graan, wijn en olie aan de Levieten geven. En ook de beste wol van jullie schapen en geiten. 5Want de Levieten zijn uitgekozen door de Heer, jullie God. Zij en hun nakomelingen mogen voor altijd als priester voor hem werken.

6Niet alle Levieten zullen wonen op de plaats die de Heer zal uitkiezen. Stel dat een Leviet zijn eigen stad wil verlaten om naar die plaats te gaan, en daar als priester wil werken voor de Heer. Dan mag dat. 7Hij mag dan meedoen met het werk van de andere Levieten. 8En hij krijgt dan net zo veel van de offers als zij. Ook als hij al een grote erfenis heeft van zijn familie.

Doe niet mee met andere volken

9Straks komen jullie in het land dat de Heer, je God, aan jullie zal geven. Daar wonen volken die afschuwelijke dingen doen. Volg hun voorbeeld niet!

10Niemand mag zijn eigen zoon of dochter als offer verbranden. En niemand mag de toekomst voorspellen. Er mogen dus straks in jullie land geen waarzeggers of tovenaars zijn. 11En ook geen mensen die de geesten van doden om raad vragen. 12Want dat vindt de Heer afschuwelijk. Dat is ook de reden dat hij die volken uit het land zal wegjagen.

13Jullie moeten met je hele hart trouw zijn aan de Heer, jullie God.

Er zullen goede profeten komen

14De Heer wil dus niet dat je luistert naar mensen die de toekomst voorspellen, zoals de andere volken doen. 15In plaats daarvan zal de Heer profeten voor jullie uitkiezen uit jullie eigen volk, profeten zoals ik. Naar die profeten moeten jullie luisteren!

16Jullie hebben daar trouwens zelf om gevraagd! Want toen jullie bij de berg Horeb waren, zeiden jullie: ‘We zijn bang dat we zullen sterven. We willen de stem van de Heer niet langer horen. We durven niet meer te kijken naar dat grote vuur.’

17En toen heeft de Heer tegen mij gezegd: ‘Ze hebben gelijk. 18Ik zal zorgen dat er bij hen profeten komen, profeten zoals jij. Ik zal tegen die profeten zeggen wat er gaat gebeuren. Zij zullen mijn woorden doorgeven aan het volk. 19En als iemand niet naar die woorden luistert, zal ik hem straffen!

20Maar stel dat een profeet zegt dat hij namens mij spreekt, terwijl dat niet zo is. Of stel dat hij namens een andere god spreekt. Dan moet die profeet gedood worden.’

21Misschien denken jullie: Hoe weten we of een profeet namens de Heer spreekt? 22Dat weet je als de woorden van een profeet ook echt uitkomen. Als dat niet gebeurt, dan weet je dat de profeet niet namens de Heer gesproken heeft. Voor de boodschap van zo’n profeet hoef je niet bang te zijn.’