Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Samuel wordt profeet

De Heer roept Samuel

31-2De jonge Samuel werkte voor de Heer. Hij hielp Eli, die bijna helemaal blind was. De Heer sprak in die tijd bijna nooit tegen iemand. En de mensen zagen hem ook niet in dromen.

Op een nacht sliep Eli in zijn kamer. 3-4Samuel sliep in de tempel, dicht bij de heilige kist van de Heer. Heel vroeg in de ochtend riep de Heer Samuel. ‘Ja?’ zei Samuel, 5en hij liep vlug naar Eli. Hij zei tegen Eli: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli zei: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar weer slapen.’ En Samuel ging terug naar bed.

De Heer roept Samuel nog twee keer

6Toen riep de Heer Samuel nog een keer. En weer stond Samuel op en ging naar Eli. Hij zei tegen Eli: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli zei: ‘Nee, jongen, ik heb je niet geroepen. Ga maar weer slapen.’

7Samuel herkende de stem van de Heer nog niet. Want de Heer had nog nooit eerder tegen hem gesproken.

8Voor de derde keer riep de Heer Samuel. En weer stond Samuel op en ging naar Eli. En weer vroeg hij aan Eli wat er was. Toen begreep Eli dat Samuel steeds geroepen werd door de Heer. 9Daarom zei Eli: ‘Ga weer slapen. En als je geroepen wordt, zeg dan: ‘Spreek, Heer. Ik ben uw dienaar. Ik luister.’’ Samuel ging terug naar bed.

Samuel luistert naar de Heer

10Toen kwam de Heer naar Samuel toe. En net als de andere keren riep hij: ‘Samuel, Samuel!’ En Samuel zei: ‘Spreek, Heer. Ik ben uw dienaar. Ik luister.’

11De Heer zei: ‘Let goed op! Ik ga in Israël iets vreselijks doen. Iedereen die het hoort, zal ervan schrikken. 12Ik ga nu doen wat ik tegen Eli gezegd heb. 13Ik zal zijn familie straffen, omdat zijn zonen slechte dingen gedaan hebben. Dat heb ik hem verteld. Hij wist dat zijn zonen geen eerbied voor mij hadden. Maar hij heeft hen nooit gestraft. 14Daarom staat mijn besluit vast. Geen enkel offer kan hun slechte gedrag goedmaken.’

Eli vraagt wat de Heer gezegd heeft

15De volgende ochtend stond Samuel op. Hij zette de deuren van de tempel open. Hij was bang om aan Eli te vertellen wat de Heer gezegd had.

16Maar Eli riep Samuel bij zich, 17en hij vroeg: ‘Wat heeft de Heer tegen je gezegd? Je moet me alles vertellen. Je mag niets voor me verbergen. Denk erom dat God je zal straffen als je ook maar één ding niet vertelt.’

18Toen vertelde Samuel alles. Hij verborg niets voor Eli. En Eli zei tegen Samuel: ‘God is de Heer. Hij zal doen wat hij het beste vindt.’

De Heer helpt Samuel

19Samuel groeide op en de Heer hielp hem. De Heer liet alles gebeuren wat Samuel zei. 20In heel Israël, van noord tot zuid, wist iedereen dat Samuel de profeet van de Heer was. 21In de jaren daarna was de Heer veel vaker in Silo. Hij sprak dan met Samuel.