Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Hanna dankt de Heer

21Hanna begon te bidden:

‘Ik ben blij met wat de Heer voor mij doet!

Ik ben sterk, want hij is bij mij.

Mijn vijanden lach ik uit.

Ik ben gelukkig, want de Heer helpt mij.

2Niemand is zo heilig als de Heer,

hij is de enige God!

Niemand is zo sterk als hij.

3Denk niet dat je belangrijk bent.

Schep niet op over jezelf.

Want God weet alles, hij is de Heer.

Hij ziet alles wat mensen doen.

4Sterke mannen verliezen hun kracht,

maar zwakke mensen worden sterk.

5Mensen die genoeg te eten hadden,

moeten moeite doen voor een stukje brood.

Maar iedereen die honger had,

krijgt meer dan genoeg te eten.

Vrouwen die geen kinderen hadden,

krijgen er wel zeven.

Maar moeders die veel kinderen hadden,

blijven alleen achter.

6De Heer beslist over leven en dood.

De één laat hij sterven,

de ander geeft hij het leven terug.

7De Heer beslist over arm en rijk.

Aan sommige mensen geeft hij macht,

maar anderen vernedert hij.

8Zwervers trekt hij uit het vuil omhoog,

hij haalt hen weg uit hun ellende.

Hij laat hen wonen bij de rijken,

ze krijgen daar de mooiste plaats.

Want de aarde is van de Heer,

hij heeft de wereld gemaakt.

9Mensen die trouw zijn aan de Heer,

krijgen zijn bescherming.

Maar mensen die hem niet trouw zijn,

sterven in het donker.

Mensen kunnen niets zonder de Heer.

10Als ze zich tegen hem verzetten,

wordt hij woedend op hen.

Hij vernietigt hen helemaal.

De Heer spreekt recht over heel de aarde.

De koningen die hij uitkiest,

maakt hij machtig en sterk.’

Samuel blijft in Silo

11Elkana en zijn familie gingen terug naar hun huis in Rama. Maar de kleine Samuel bleef in Silo om de Heer te dienen. En de priester Eli zorgde voor Samuel.

Straf voor Eli en zijn zonen

De zonen van Eli gedragen zich slecht

12De zonen van Eli waren slecht. Ze waren niet trouw aan de Heer. 13En ze hielden zich niet aan de regels voor het offeren. Ze kwamen kijken bij iedereen die een offer bracht, en dan namen ze altijd een grote vork mee. 14Daarmee prikten ze in de pannen waarin het vlees gekookt werd. Al het vlees dat ze uit de pan haalden, hielden ze voor zichzelf. Dat deden ze bij iedere Israëliet die in Silo kwam offeren.

15Soms kwamen ze zelfs al voordat het vet van het vlees geofferd was. Ze zeiden tegen de man die het vlees offerde: ‘Geef ons het vlees rauw! Het mag niet gekookt zijn, want we willen het zelf roosteren.’ 16De man antwoordde dan: ‘Wacht alstublieft totdat het vet geofferd is. Neem daarna zo veel u wilt.’ Maar dan zeiden de zonen van Eli: ‘Geef het nu direct, anders pakken we het met geweld!’

17De Heer was kwaad over het slechte gedrag van Eli’s zonen. Want zij hadden geen respect voor de offers aan de Heer.

Eli zegent de ouders van Samuel

18De jonge Samuel diende de Heer in de tempel. Hij had speciale witte priesterkleding. 19Zijn vader en moeder kwamen elk jaar om hun offer te brengen. Dan bracht zijn moeder ook een nieuwe jas voor Samuel mee. Die maakte ze altijd zelf.

20Eli zegende Elkana en Hanna elk jaar. Op een keer zei Eli tegen hen: ‘Hanna heeft de Heer om een kind gevraagd. Maar daarna heeft ze hem ook weer teruggegeven aan de Heer. Daarom hoop ik dat de Heer jullie nog meer kinderen zal geven.’

Toen gingen Elkana en Hanna naar huis terug. 21En de Heer was goed voor Hanna. Ze kreeg nog drie zonen en twee dochters.

Intussen groeide Samuel op in de tempel in Silo.

Eli praat met zijn zonen

22Eli was al oud. Soms hoorde hij iets over het slechte gedrag van zijn zonen. Hij hoorde hoe slecht Chofni en Pinechas de Israëlieten behandelden. En dat ze naar bed gingen met vrouwen die bij de ingang van de tempel werkten.

23Eli zei dan tegen zijn zonen: ‘Waarom doen jullie die slechte dingen? Iedereen praat erover. 24Het volk van de Heer vertelt niet veel goeds over jullie. 25God zou kunnen helpen als mensen elkaar slecht behandelen. Maar wie kan er nog helpen als jullie slechte dingen doen tegenover God?’ Maar Chofni en Pinechas luisterden niet naar hun vader. Want de Heer had al besloten om hen te doden.

26Samuel werd intussen steeds groter. De Heer hield veel van hem. Ook de mensen hielden veel van Samuel.

De Heer is kwaad op Eli

27Op een dag kwam er een profeet bij Eli, die zei: ‘De Heer heeft mij gestuurd. Hij zegt: ‘Eli, ik heb jouw voorouders in Egypte verteld wie ik ben. Weet je dat niet meer? Dat was toen zij nog slaven waren van de farao.

28-29Van alle Israëlieten heb ik alleen uit jouw familie mensen gekozen om priester te zijn. Het is hun taak om offers te brengen op mijn altaar, en om wierook voor mij te branden. Ook moeten zij onderzoeken wat mijn plannen zijn met het volk.

Ik heb opdracht gegeven om offers aan mij te brengen in de tempel. En jij en jouw familie mogen een deel van die offers hebben. Maar jij en je zonen maken daar misbruik van. Het lijkt erop dat jij je zonen belangrijker vindt dan mij. Want jullie eten jezelf dik en rond. Jullie nemen het beste van elk offer dat mijn volk Israël mij brengt.

De Heer straft de familie van Eli

30Ik ben de Heer, de God van Israël. Ik had beloofd dat mensen uit jouw familie voor altijd priester zouden zijn. Maar die belofte geldt nu niet meer. Ik heb respect voor mensen die respect hebben voor mij. Maar mensen die mij onbelangrijk vinden, zijn voor mij ook onbelangrijk.

31Er komt een dag dat er in jouw familie niemand meer is met macht. Ik zal ervoor zorgen dat niemand in jouw familie oud wordt. 32Jij zult jaloers zijn op de mensen in Israël. Zij zullen het goed hebben, maar in jouw familie wordt niemand meer oud. 33Nog één man zal als priester bij mijn altaar werken. Maar verder zullen alle mannen uit jouw familie sterven als ze jong en sterk zijn. En jij zult blind worden van verdriet. Je zult alle vreugde in je leven verliezen.

De Heer geeft een teken

34Ik geef je een teken dat het waar is wat ik zeg. Op een dag zullen allebei je zonen tegelijk sterven. 35Dan maak ik iemand priester die mij wel trouw dient. Hij zal doen wat ik wil. En ik zal ervoor zorgen dat hij een grote familie krijgt. Hij zal altijd een goede helper zijn van de man die ik als koning uitkies.

36Iedereen van jouw familie die dan nog in leven is, zal naar die priester toe gaan. Zij zullen hem om geld en een beetje eten vragen, en hem smeken om als knecht te mogen werken.’’

3

Samuel wordt profeet

De Heer roept Samuel

31-2De jonge Samuel werkte voor de Heer. Hij hielp Eli, die bijna helemaal blind was. De Heer sprak in die tijd bijna nooit tegen iemand. En de mensen zagen hem ook niet in dromen.

Op een nacht sliep Eli in zijn kamer. 3-4Samuel sliep in de tempel, dicht bij de heilige kist van de Heer. Heel vroeg in de ochtend riep de Heer Samuel. ‘Ja?’ zei Samuel, 5en hij liep vlug naar Eli. Hij zei tegen Eli: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli zei: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar weer slapen.’ En Samuel ging terug naar bed.

De Heer roept Samuel nog twee keer

6Toen riep de Heer Samuel nog een keer. En weer stond Samuel op en ging naar Eli. Hij zei tegen Eli: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Maar Eli zei: ‘Nee, jongen, ik heb je niet geroepen. Ga maar weer slapen.’

7Samuel herkende de stem van de Heer nog niet. Want de Heer had nog nooit eerder tegen hem gesproken.

8Voor de derde keer riep de Heer Samuel. En weer stond Samuel op en ging naar Eli. En weer vroeg hij aan Eli wat er was. Toen begreep Eli dat Samuel steeds geroepen werd door de Heer. 9Daarom zei Eli: ‘Ga weer slapen. En als je geroepen wordt, zeg dan: ‘Spreek, Heer. Ik ben uw dienaar. Ik luister.’’ Samuel ging terug naar bed.

Samuel luistert naar de Heer

10Toen kwam de Heer naar Samuel toe. En net als de andere keren riep hij: ‘Samuel, Samuel!’ En Samuel zei: ‘Spreek, Heer. Ik ben uw dienaar. Ik luister.’

11De Heer zei: ‘Let goed op! Ik ga in Israël iets vreselijks doen. Iedereen die het hoort, zal ervan schrikken. 12Ik ga nu doen wat ik tegen Eli gezegd heb. 13Ik zal zijn familie straffen, omdat zijn zonen slechte dingen gedaan hebben. Dat heb ik hem verteld. Hij wist dat zijn zonen geen eerbied voor mij hadden. Maar hij heeft hen nooit gestraft. 14Daarom staat mijn besluit vast. Geen enkel offer kan hun slechte gedrag goedmaken.’

Eli vraagt wat de Heer gezegd heeft

15De volgende ochtend stond Samuel op. Hij zette de deuren van de tempel open. Hij was bang om aan Eli te vertellen wat de Heer gezegd had.

16Maar Eli riep Samuel bij zich, 17en hij vroeg: ‘Wat heeft de Heer tegen je gezegd? Je moet me alles vertellen. Je mag niets voor me verbergen. Denk erom dat God je zal straffen als je ook maar één ding niet vertelt.’

18Toen vertelde Samuel alles. Hij verborg niets voor Eli. En Eli zei tegen Samuel: ‘God is de Heer. Hij zal doen wat hij het beste vindt.’

De Heer helpt Samuel

19Samuel groeide op en de Heer hielp hem. De Heer liet alles gebeuren wat Samuel zei. 20In heel Israël, van noord tot zuid, wist iedereen dat Samuel de profeet van de Heer was. 21In de jaren daarna was de Heer veel vaker in Silo. Hij sprak dan met Samuel.

4

41En Samuel vertelde alles aan het hele volk van Israël.

Oorlog tussen Israël en de Filistijnen

De Israëlieten beginnen een oorlog

Op een dag begonnen de Israëlieten een oorlog tegen de Filistijnen. Het leger van Israël maakte een kamp bij de stad Eben-Haëzer. En de Filistijnen maakten een kamp bij de stad Afek. 2Ze maakten zich allebei klaar voor de strijd. Er begon een hevig gevecht. De Filistijnen wonnen de strijd tegen de Israëlieten. Vierduizend soldaten van Israël werden gedood.

3Toen de rest van het leger teruggekomen was in het kamp, zeiden de leiders van Israël: ‘Hoe komt het toch dat de Heer de Filistijnen vandaag heeft laten winnen? We moeten de heilige kist van de Heer ophalen uit Silo. Want die kist is het teken dat de Heer ons helpt. Als de heilige kist bij ons is, zal de Heer ons redden van onze vijanden.’

De Israëlieten halen de heilige kist

4Het leger van Israël stuurde een paar soldaten naar de stad Silo. Zij haalden de heilige kist op. Dat was de troon van de machtige Heer, de troon met de twee engelen met vleugels.

Chofni en Pinechas, de zonen van Eli, kwamen ook met de heilige kist mee. 5Toen de kist het legerkamp binnengebracht werd, begonnen alle Israëlieten hard te juichen en te schreeuwen. Ze maakten zo veel lawaai dat de aarde ervan schudde.

De Filistijnen worden bang

6De Filistijnen hoorden de Israëlieten juichen. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wat is dat voor lawaai bij de Israëlieten?’

Toen begrepen ze dat de Israëlieten de heilige kist van de Heer opgehaald hadden. 7-8En ze werden bang. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Ze hebben hun God opgehaald. Zoiets is nog nooit eerder gebeurd. Nu zal het slecht met ons aflopen! Want wie zal ons redden van die machtige God? Het is dezelfde God die voor zo veel rampen zorgde in de woestijn van Egypte.

9Kom op, we moeten laten zien wat we kunnen. Anders worden we slaven van die Israëlieten. Net zoals zij slaven van ons geweest zijn. We moeten laten zien wat we kunnen. Laten we vechten! Verlies de moed niet!’

De Filistijnen winnen de strijd

10Het gevecht begon, en de Filistijnen versloegen de Israëlieten. Alle Israëlieten vluchtten naar hun eigen kamp. Het verlies voor Israël was groot. Er werden 30.000 soldaten gedood.

11Ook Chofni en Pinechas, de zonen van Eli, stierven. En de Filistijnen veroverden de heilige kist van de Heer.

Eli wacht op nieuws

12Iemand uit de stam Benjamin ontsnapte uit de strijd. Hij rende naar de stad Silo. Hij had zijn kleren gescheurd en zand over zijn hoofd gegooid als teken van rouw. 13-15De man rende de stad in om het slechte nieuws te vertellen. Iedereen in Silo begon hard te schreeuwen en te huilen.

Toen dat gebeurde, zat Eli aan de kant van de weg op een stoel. Hij was bang dat er iets met de heilige kist van de Heer gebeurd was. Daarom zat hij te wachten op nieuws. Eli was al 98 jaar oud, en hij was blind.

Eli sterft

Eli hoorde het geschreeuw uit de stad en hij vroeg: ‘Wat is dat voor lawaai?’ De man kwam snel naar Eli toe om hem het slechte nieuws te vertellen. 16Hij zei: ‘Ik ben een soldaat uit het leger van Israël. Ik ben vandaag gevlucht.’

Eli vroeg: ‘Wat is er gebeurd?’ 17De man zei: ‘De Israëlieten zijn gevlucht voor de Filistijnen. Er zijn heel veel soldaten gedood. Ook uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zijn gestorven. En de heilige kist van de Heer is veroverd door de Filistijnen.’

18Toen de man vertelde over de kist, viel Eli achterover van zijn stoel. Omdat hij oud en zwaar was, brak hij zijn nek en stierf.

Eli was veertig jaar leider geweest van Israël.

De vrouw van Pinechas krijgt een kind

19De vrouw van Pinechas was zwanger. Binnenkort zou haar kind geboren worden. Maar ze zakte in elkaar toen ze hoorde over de verovering van de heilige kist, en over de dood van haar man en haar schoonvader. De weeën begonnen meteen en haar kind werd geboren. 20De bevalling was zo zwaar dat ze ging sterven.

De vrouwen die bij haar waren, probeerden haar nog gerust te stellen. Ze zeiden: ‘Je hoeft niet bang te zijn, want je hebt een zoon gekregen.’ Maar de vrouw van Pinechas zei helemaal niets. Ze deed net alsof de vrouwen er niet waren.

21Ze gaf haar zoon nog wel een naam. Ze noemde hem Ichabod en zei: ‘De eer van God is uit Israël verdwenen.’ Dat zei ze om alles wat er gebeurd was met de heilige kist, met haar man en met haar schoonvader. 22Ze zei: ‘Alle eer is uit Israël verdwenen, omdat de heilige kist van de Heer veroverd is door de Filistijnen.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]