Bijbel in Gewone Taal (BGT)
28

Achis wil dat David voor hem vecht

281In die tijd maakten de Filistijnen hun leger klaar voor een oorlog tegen Israël.

Achis zei tegen David: ‘Je begrijpt natuurlijk wel dat jij en je soldaten voor mij moeten vechten.’ 2En David zei: ‘Ja, natuurlijk! Ik zal u laten zien wat ik allemaal kan.’ Achis zei: ‘Goed, dan hoor jij voortaan bij mijn lijfwacht.’

De geest van Samuel

Saul is doodsbang

3-6Toen kwamen de Filistijnen bij elkaar. Ze maakten een kamp in Sunem. En Saul verzamelde zijn hele leger en maakte een kamp in de Gilboa-bergen. Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, werd hij doodsbang. Hij vroeg de Heer om raad, maar de Heer antwoordde niet. Niet in dromen en niet via priesters of profeten.

Saul roept de geest van Samuel op

Toen Samuel gestorven was, hadden alle Israëlieten gerouwd om zijn dood. Ze hadden Samuel begraven in zijn woonplaats Rama. Daarna had Saul alle waarzeggers en mensen die geesten opriepen, weggejaagd uit Israël.

7Maar nu zei Saul tegen zijn dienaren: ‘Zoek voor mij een vrouw die geesten kan oproepen. Dan ga ik naar haar toe en vraag ik haar om raad.’ Zijn dienaren zeiden: ‘In Endor woont zo’n vrouw.’

8Toen deed Saul andere kleren aan, zodat hij niet herkend kon worden. Hij ging midden in de nacht naar de vrouw toe. En hij nam twee dienaren mee. Hij zei tegen de vrouw: ‘Kunt u voor mij een geest om raad vragen? Ik zal zeggen wie u moet oproepen.’ 9Maar de vrouw zei: ‘U weet toch wat Saul gedaan heeft? Hij heeft alle waarzeggers en mensen die geesten kunnen oproepen, weggejaagd uit Israël. Waarom wilt u mij iets laten doen waarvoor Saul mij zal doden?’ 10Maar Saul beloofde plechtig: ‘Zo zeker als de Heer leeft: u zult hiervoor niet gestraft worden.’ 11Toen vroeg de vrouw: ‘Wie moet ik voor u oproepen?’ En Saul zei: ‘Roep Samuel voor mij op.’

12Toen de vrouw de geest van Samuel zag, begon ze hard te schreeuwen. Ze riep tegen Saul: ‘Waarom hebt u mij bedrogen? U bent Saul zelf!’ 13Maar Saul zei tegen haar: ‘U hoeft niet bang te zijn! Vertel me wat u ziet.’ De vrouw antwoordde: ‘Ik zie een geest uit de aarde omhoogkomen.’ 14Saul vroeg: ‘Hoe ziet die geest eruit?’ De vrouw zei: ‘Het is een oude man met een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuel was. Saul knielde en maakte een diepe buiging.

Saul zal verslagen worden

15Samuel vroeg aan Saul: ‘Waarom laat je me oproepen? Waarom stoor je mij?’ Saul antwoordde: ‘Omdat de Filistijnen oorlog tegen mij willen voeren! Ik ben doodsbang, want God beschermt me niet meer. Hij zegt niets meer tegen mij. Niet via de profeten en niet in dromen. Daarom heb ik u geroepen, u moet me vertellen wat ik moet doen.’

16Maar Samuel zei: ‘Waarom vraag je dat? Je weet toch dat de Heer je in de steek gelaten heeft? Hij is je vijand geworden. 17De Heer heeft gedaan wat ik je vroeger al verteld heb. Hij wil niet meer dat jij koning bent. Hij wil dat David koning wordt. 18De Heer heeft dat besloten, omdat jij niet naar hem geluisterd hebt. Want je hebt de Amalekieten niet gestraft, ook al moest dat van de Heer.

19De Heer zal de Filistijnen laten winnen van jou en van de Israëlieten. Morgen zullen jij en je zonen sterven, en het leger van Israël zal worden verslagen.’

Saul schrikt van Samuels woorden

20Toen Saul dat hoorde, viel hij voorover op de grond. Hij was erg geschrokken van Samuels woorden. En hij had geen kracht meer. Dat kwam doordat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had.

21De vrouw ging naar Saul toe en zag hoe bang hij was. Ze zei tegen hem: ‘Ik heb gedaan wat u vroeg. Daarmee heb ik mijn leven in gevaar gebracht. Ik heb geluisterd naar wat u tegen mij zei. 22Luister daarom ook naar mij. Laat mij u iets te eten geven. Als u eet, krijgt u weer kracht. Dan kunt u weer op weg gaan.’

23Saul zei: ‘Nee, ik wil niet eten.’ Maar zijn dienaren en de vrouw bleven zeggen dat hij iets moest eten. Uiteindelijk luisterde Saul naar hen. Hij stond op en ging op een bed zitten.

24De vrouw maakte eten klaar. Ze slachtte een kalf en bakte platte broden. 25Ze gaf Saul en zijn dienaren te eten. Nadat ze gegeten hadden, gingen ze midden in de nacht weer bij de vrouw weg.

29

David verslaat de Amalekieten

David mag niet meevechten

291De Filistijnen brachten hun leger naar de stad Afek. Daar bleven ze. De Israëlieten hadden een kamp gemaakt bij de waterbron van de stad Jizreël.

2De Filistijnse stadsbestuurders liepen met hun soldaten langs de legerleiders. Ze liepen in groepen van honderd en van duizend soldaten. David en zijn soldaten liepen helemaal achteraan, bij het leger van Achis.

3De Filistijnse legerleiders zeiden: ‘Wat doen die Israëlieten hier?’ Achis zei tegen hen: ‘Dat is David. Hij was een dienaar van Saul, de koning van Israël. Maar nu hoort hij bij ons. Hij is al meer dan een jaar bij mij in dienst. En ik heb nooit gemerkt dat hij iets verkeerds deed.’

4Maar de legerleiders werden kwaad op Achis. Ze zeiden tegen hem: ‘Stuur die man weg. Laat hem teruggaan naar de plaats waar hij van u mag wonen. Hij mag niet met ons meevechten in de oorlog! Want misschien wordt hij tijdens de strijd wel plotseling onze vijand! Hij zou Saul een groot plezier doen door ons te doden. 5Over die David bestaat een lied: ‘Saul heeft duizend mannen gedood, en David wel tienduizend!’’

Achis stuurt David terug naar Siklag

6Achis riep David. Hij zei tegen hem: ‘Ik weet zeker dat jij een eerlijke man bent. Want ik heb nooit gemerkt dat je iets verkeerds deed. En ik ben blij dat je bij mijn leger wilt horen. Maar de Filistijnse stadsbestuurders vertrouwen je niet. 7Ga daarom rustig terug naar je huis in Siklag. En doe geen dingen die de bestuurders verkeerd vinden.’

8Maar David zei: ‘Wat heb ik verkeerd gedaan? U hebt toch nooit gemerkt dat ik iets verkeerds deed? Koning, waarom mag ik niet vechten tegen uw vijanden?’ 9Achis antwoordde: ‘Ik vertrouw je helemaal, alsof God je gestuurd heeft. Maar de legerleiders hebben gezegd dat je niet met ons mee mag vechten. 10Jij en je soldaten moeten daarom morgen heel vroeg opstaan. En als het licht wordt, moeten jullie weggaan.’

11De volgende ochtend stonden David en zijn soldaten heel vroeg op. Ze gingen terug naar het gebied van de Filistijnen. En het Filistijnse leger ging naar de stad Jizreël.

30

David komt terug in Siklag

301Na twee dagen reizen kwamen David en zijn soldaten terug in Siklag. Tijdens hun afwezigheid hadden de Amalekieten aanvallen gedaan in het gebied van de Negev-woestijn. Ze hadden ook Siklag aangevallen en veroverd. Daarna hadden ze de stad in brand gestoken. 2Ze hadden alle vrouwen en kinderen uit de stad gevangengenomen. Maar ze hadden niemand gedood. Ze hadden iedereen meegenomen, en daarna waren ze weggegaan.

3Toen David en zijn soldaten in Siklag aankwamen, zagen ze wat er gebeurd was. De stad was platgebrand, en hun vrouwen en kinderen waren weg. 4-5Ook Achinoam en Abigaïl, de twee vrouwen van David, waren meegenomen. Achinoam kwam uit de stad Jizreël en Abigaïl kwam uit de stad Karmel. Abigaïl was eerst de vrouw van Nabal geweest. David en alle soldaten begonnen hard te huilen. Ze huilden tot ze niet meer konden.

David vraagt de Heer om raad

6Toen werden de soldaten woedend, omdat hun kinderen meegenomen waren. Ze gaven David de schuld en wilden hem met stenen doodgooien. Maar David bleef vertrouwen op de Heer, zijn God.

7David riep de priester Abjatar, de zoon van Achimelech. David zei: ‘Ik wil dat je onderzoekt wat de wil van God is.’ Dat deed Abjatar. 8Toen vroeg David de Heer om raad: ‘Moet ik de Amalekieten achtervolgen? Zal ik ze kunnen inhalen?’ De Heer antwoordde: ‘Ja, achtervolg hen! Je zult ze zeker inhalen, en dan zul je alle vrouwen en kinderen redden.’

David gaat de Amalekieten zoeken

9-10Toen ging David samen met zijn zeshonderd soldaten op weg. Ze kwamen bij de rivier de Besor. Daar bleven tweehonderd soldaten achter. Die gingen niet verder mee, want ze waren te moe om de rivier over te steken. David ging verder met vierhonderd soldaten.

11-12Aan de kant van de weg vonden een paar soldaten een jongen uit Egypte. Hij had drie dagen en nachten niets gegeten of gedronken. De soldaten brachten hem bij David en gaven de jongen iets te eten en te drinken. Toen hij een vijgenkoek en twee rozijnenkoeken gegeten had, kreeg de jongen weer kracht.

13David vroeg: ‘Wie ben je en waar kom je vandaan?’ De jongen zei: ‘Ik kom uit Egypte, maar ik ben de slaaf van een Amalekiet. Drie dagen geleden ben ik ziek geworden. Toen heeft mijn meester me hier laten liggen. 14We hadden aanvallen gedaan in het gebied van de Negev-woestijn. We hebben toen de steden van de Keretieten, van de stam Juda en van de familie van Kaleb aangevallen. En we hebben Siklag in brand gestoken.’

15David vroeg: ‘Weet je waar de Amalekieten zijn?’ De jongen zei: ‘Ik zal u erheen brengen. Maar dan moet u mij plechtig beloven dat u mij niet zult doden. En dat u mij niet teruggeeft aan mijn meester.’

David verslaat de Amalekieten

16De jongen uit Egypte bracht David bij het kamp van de Amalekieten. De Amalekieten zaten in groepen bij elkaar en vierden feest. Ze waren aan het eten en drinken, en ze waren vrolijk. Want ze hadden veel gestolen uit het land van de Filistijnen en uit Juda.

17De volgende ochtend viel Davids leger de Amalekieten aan. Het gevecht duurde tot de avond. Van de Amalekieten konden maar vierhonderd jonge mannen ontsnappen. Zij vluchtten op hun kamelen.

18-19David bevrijdde iedereen, ook zijn eigen twee vrouwen. Alle vrouwen, kinderen en spullen waren er nog. David nam alles wat de Amalekieten gestolen hadden, mee terug. 20Hij nam ook alle schapen, geiten en koeien mee. En iedereen zei: ‘Dat zijn de spullen die David veroverd heeft!’

De spullen worden eerlijk verdeeld

21Toen ging David naar de tweehonderd soldaten bij de rivier de Besor. Zij waren niet met David meegegaan, omdat ze te moe waren. Maar nu liepen ze David en zijn andere soldaten tegemoet. Toen David bij hen was, vroeg hij hoe het met hen ging.

22Een paar soldaten die wel tegen de Amalekieten gevochten hadden, begonnen te klagen. Het waren ruziezoekers. Ze zeiden: ‘Die mannen zijn niet met ons meegegaan. Daarom krijgen ze niets van de spullen die we meegenomen hebben. Ze krijgen alleen hun vrouwen en kinderen terug. Daarna moeten ze weggaan!’

23Maar David zei: ‘Nee, dat kan niet! Want de Heer heeft ons al die spullen gegeven. Hij heeft ons beschermd. En hij heeft ervoor gezorgd dat wij de Amalekieten konden verslaan. 24Niemand zal jullie gelijk geven. We zullen de spullen die we meegenomen hebben, eerlijk verdelen. De soldaten die in het kamp gebleven zijn, krijgen net zo veel als de soldaten die gevochten hebben.’

25Zo gebeurde het voortaan. David maakte er een vaste regel van. Die regel geldt nog steeds in Israël.

Geschenken voor de leiders van Juda

26Toen kwam David terug in Siklag. En hij stuurde een deel van de veroverde spullen naar de leiders van Juda. Dat waren zijn vrienden. David zei: ‘Deze spullen waren gestolen door de vijanden van de Heer. Maar nu zijn het geschenken voor jullie.’

27-31David stuurde geschenken naar alle plaatsen waar hij zich ooit samen met zijn soldaten verstopt had. Dat waren: Betuel, Ramot-Negev, Jattir, Aroër, Sifmot, Estemoa, Rachal, de steden van de Jerachmeëlieten en de Kenieten, Chorma, Bor-Asan, Atach en Hebron.