Cham
Artikel

Cham

Cham is de jongste zoon van Noach. Samen met zijn ouders en zijn broers Sem en Jafet overleeft hij de zondvloed in de ark. Na de vloed wordt Cham de voorvader van verschillende volken, waaronder de Kanaänieten.

De naam Cham

De naam Cham betekent: hitte, of: heet. De Bijbel geeft geen uitleg bij deze naam.
Volgens Genesis 9:22 is Cham de vader van Kanaän, die de stamvader is van de Kanaänieten, de vijanden van de Israëlieten. Ook met veel andere volken die volgens Genesis 10 van Cham afstammen, had het volk van Israël een slechte verhouding.

In de ark

Noach, de vader van Cham en zijn broers Sem en Jafet, bouwt een ark. Hij doet dat omdat God tegen hem gezegd heeft dat hij de aarde zal laten overstromen (Genesis 6:14-16).
Als de ark klaar is, gaan Noach en zijn vrouw met hun drie zonen en hun vrouwen in de ark. Ook van alle dieren gaan een mannetje en een vrouwtje mee (Genesis 7:13).
Het water overstroomt de hele aarde. Na honderdvijftig dagen begint het water te zakken en mogen alle mensen en dieren weer uit de ark. God zegent Cham en zijn broers. Ze krijgen de opdracht om kinderen te krijgen, zodat er overal op aarde weer mensen komen.

Zegen en vloek

Als de aarde weer droog en bewoonbaar is, legt Noach een wijngaard aan. Volgens Genesis 9:20-21 wordt hij dronken van zijn eigen wijn, en gaat hij naakt in zijn tent liggen. Cham ziet dat en vertelt het aan zijn broers. Sem en Jafet gaan de tent in en leggen een mantel over hun vader heen.
Als Noach wakker wordt uit zijn roes, is hij boos om wat Cham gedaan heeft. Hij vervloekt Chams zoon Kanaän, maar hij zegent Sem en Jafet. De Kanaänieten zullen de nakomelingen van Sem en Jafet dienen.

De nakomelingen van Cham

In latere tijd is dit verhaal gebruikt om de slavenhandel goed te praten. Alle mensen met een zwarte huidskleur zouden nakomelingen van Cham zijn. Door de vloek van Noach waren zij gedoemd om de andere mensen als slaven te dienen.
Maar de vloek van Noach heeft niets met huidskleur te maken. Deze vloek had alleen betrekking op de nakomelingen van Kanaän. De Kanaänieten waren de vijanden van het volk van Israël en daarom wordt hun stamvader hier vervloekt.

Bijbelverzen

  • Psalmen 78:51
  • Psalmen 105:27
  • Psalmen 106:22
  • Genesis 6-10
  • Psalmen 105:23