Abimelech (koning van Gerar)
Artikel

Abimelech (koning van Gerar)

Abimelech is koning van de stad Gerar in het gebied van de Filistijnen. Zowel Abraham en Sara als Isaak en Rebekka verblijven een tijd als vreemdelingen in deze stad op de grens met het land Kanaän.

De naam Abimelech

De naam Abimelech betekent: Vader is koning. Het zou goed kunnen dat deze naam overging van vader op zoon, en dat alle koningen van Gerar zo heetten. De koning uit de tijd van Abraham zou dan de vader of grootvader kunnen zijn van de koning uit de tijd van Isaak.
Een andere Filistijnse koning met de naam Abimelech wordt genoemd in Psalm 34:1. Het opschrift boven deze psalm verwijst naar het verhaal dat David zich als een krankzinnige gedraagt in zijn paleis (1 Samuël 21:11-16). In het verhaal zelf wordt deze koning ‘Achis’ genoemd.
Een andere persoon in de Bijbel met de naam Abimelech is Abimelech, de zoon van Gideon (Rechters 8:31).

Zij is mijn zus

Abraham en Sara gaan een tijd in Gerar, de stad van koning Abimelech, wonen. Maar Abraham is bang dat de koning hem zal doden om Sara van hem af te kunnen pakken. Daarom stelt Abraham voor dat Sara zal zeggen dat ze zijn zus is (Genesis 20:1-2).
Dat pakt niet goed uit. De koning laat Sara naar zijn paleis brengen en neemt haar op in zijn harem. God waarschuwt Abimelech in een droom dat Sara de vrouw van Abraham is. Hij moet haar aan Abraham teruggeven, anders zal God hem doden. De volgende morgen krijgt Abraham Sara terug met veel geschenken. Abraham en Sara vertrekken uit Gerar. Maar een tijd later komt Abimelech naar Abraham toe om een bondgenootschap met hem te sluiten (Genesis 21:22-32).

Zo vader zo zoon

Jaren later gaan Isaak en Rebekka ook in Gerar wonen. Net als zijn vader Abraham zegt Isaak dat zijn vrouw zijn zus is. Koning Abimelech komt erachter dat dit niet klopt. Hoewel de koning erg boos is, mogen Isaak en Rebekka in Gerar blijven wonen (Genesis 26:1-6).
Isaak wordt erg rijk in Gerar, zodat de inwoners jaloers op hem worden. Abimelech vraagt daarom aan Isaak om weg te gaan. Ook Isaak en Abimelech sluiten een verdrag en beloven elkaar geen kwaad te doen (Genesis 26:26-31).

Bijbelverzen

  • Genesis 20:1-18
  • Genesis 26:1-33
  • Genesis 21:22-34