Ruben
Artikel

Ruben

Ruben is de oudste zoon van Jakob en Lea. Hij is een van de stamvaders van het volk van Israël. Ruben is oudste zoon van Jakob, maar hij verspeelt zijn eerstgeboorterecht. Hij is ook degene die voorkomt dat de andere broers hun jongere broer Jozef vermoorden. 

De naam Ruben

De naam Ruben betekent: ‘zie, een zoon’. Bij zijn geboorte zegt zijn moeder Lea: ‘De HEER heeft gezien wat ik te verduren heb. Nu zal mijn man van mij houden.’ (Genesis 29:32) Daarom geeft ze hem de naam ‘Ruben’. 

Ruben en Bilha

Na de dood van Rachel, de zus van zijn moeder, slaapt Ruben met Bilha, de slavin van Rachel en bijvrouw van zijn vader Jakob. Die hoort ervan, maar grijpt niet direct in (Genesis 35:22).

Ruben en Jozef

Ruben is degene die voorkomt dat zijn jongere broer Jozef vermoord wordt. De andere broers zijn jaloers op Jozef, omdat hij de lieveling van hun vader is. Als Jozef hen op een dag opzoekt tijdens het hoeden van de schapen, willen de broers hem vermoorden, maar Ruben stelt voor hem in een lege put te gooien.
Hij wil Jozef er later uithalen en terugbrengen naar zijn vader. Maar als Ruben even weg is, wordt Jozef door Juda en zijn andere broers verkocht aan voorbijtrekkende handelaren die hem naar Egypte brengen en hem daar als slaaf verkopen (Genesis 37:21-30).

De stam Ruben

De naam Ruben kan verwijzen naar de stam Ruben waarvan Ruben de voorvader is. Maar het is ook een aanduiding voor het gebied waar de afstammelingen van Ruben gingen wonen. Dat gebied lag in het zuiden van Israël aan de overkant van de Jordaan.

De zegen van Jakob

Als een van de twaalf zonen van Jakob krijgt Ruben een zegen van Jakob mee wanneer deze oud is. Maar Jakob ziet Ruben niet langer als zijn eerstgeborene. Hij zegt tegen Ruben: ‘Jij zult niet de voornaamste zijn, want jij hebt het bed van je vader ontwijd.’ (Genesis 49:3-4).
Omdat Ruben zijn eerstgeboorterecht verspeeld heeft, gaat de zegen van de eerstgeborene uiteindelijk naar Juda, Jakobs vierde zoon.

Bijbelverzen

  • Genesis 30:14
  • Genesis 35:22
  • Genesis 37:21-30
  • Genesis 46:8
  • Genesis 49:3-4
  • Exodus 1:2
  • Exodus 6:14
  • 1 Kronieken 2:1
  • 1 Kronieken 5:1
  • 1 Kronieken 5:3
  • Openbaring 7:5
  • Genesis 29:32
  • Genesis 42:22-37