Adam
Artikel

Adam

Adam is de man die met Eva het eerste mensenpaar in de Bijbel vormt. Adam is de stamvader van de mensheid. Adam en Eva leven in de tuin van Eden totdat God hen daar wegstuurt. Samen zijn zij de ouders van Kaïn, Abel en Set.

De naam Adam

Adam betekent: mens. Zijn naam lijkt veel op het Hebreeuwse woord voor ‘aarde’ of ‘aardbodem’. In de naam hoor je zo dat Adam uit het stof van de aarde (Genesis 2:7) is gemaakt. Adam wordt in Genesis 1–3 steeds aangesproken als ‘mens’. Pas als hij met Eva uit de tuin van Eden is gejaagd, wordt hij ‘Adam’ genoemd (Genesis 4:1).

In de tuin van Eden

Adam krijgt de opdracht de tuin van Eden, het paradijs, te bewerken en erover te waken (Genesis 2:15). Hij is daarbij alleen, en God ziet dat dat niet goed is. Ook bij de dieren vindt Adam niemand die bij hem past.
Daarom laat God Adam in slaap vallen. Hij bouwt uit Adams rib een vrouw (Genesis 2:22). Die vrouw is voor Adam zijn gelijke in wie hij zichzelf herkent.

Uit de tuin van Eden

Adam en Eva mogen niet eten van de boom in het midden van de tuin. Als ze dit toch doen, omdat de slang Eva verleidt om van de vrucht te eten, zien ze dat ze naakt zijn. Ze verstoppen zich voor God, maar die roept hen bij zich.
God vraagt de mens of hij van de boom gegeten heeft. Adam zegt dat dat zo is, maar geeft de vrouw de schuld. De vrouw geeft op haar beurt de schuld aan de slang die haar verleid heeft (Genesis 3:11-13). Als straf moeten ze de tuin van Eden verlaten en zal Adam voortaan hard moeten werken om aan eten te komen.

Nakomelingen

Buiten de tuin krijgen Adam en Eva twee zonen, Kaïn en Abel. Maar Kaïn slaat zijn broer Abel dood. Als Adam 130 jaar oud is, krijgen hij en Eva nog een zoon, Set (Genesis 5:5).

Adamskostuum

Adam en Eva zijn geliefde onderwerpen in de kunst, waar ze vaak afgebeeld worden op het moment dat ze van de vrucht eten, of net daarna. Ook de uitdrukking ‘adamskostuum’ is van dit verhaal afgeleid. Het betekent dat je gekleed bent zoals Adam en Eva dat eerst waren: helemaal naakt.

Bijbelverzen

  • 1 Kronieken 1:1
  • Psalmen 62:10
  • Tobit 8:6
  • Sirach 49:16
  • Lucas 3:38
  • 1 Korintiërs 15:22
  • Genesis 1:26-31
  • Genesis 2-5
  • Psalmen 49:3